XXIV DE RECHTEN VAN HET KIND *
Reading edition
XXIV DE RECHTEN VAN HET KIND *

„Dus je wilt het wel voor me doen? Ik zal het heerlijk vinden. Het geeft me rust tijdens de reis, te weten, dat je voor hem zorgt. O, hij is heelemaal niet lastig. Maar „het kind” te begrijpen is voor een ander dan de Moeder zoo moeilijk. 's Morgens bijv. laat hij me na half zes niet één oogenblik meer slapen, tot hij om zeven uur door het meisje weggehaald wordt. Het mooiste speelgoed kan hem niet bekoren. Hij eischt me geheel. Dat is zijn recht.”
„Oho Mevrouwtje!”
„Kukelekuku!... Kukelekuku!... Ik is het haantje van de buren!... Kukelekuku!... Ku-ke-le-ku-ku!... Kukelekuuuuuuu... Kukelekuuuuuuuw!......”
Als gehypnotiseerd lag ik tegenover hem.
Bob bracht nu zijn ééne beentje over den dicht geknipten neerslag van zijn ledikant, hield zich met de mollige knuistjes om den rand stevig vast en hoonde „...Kijk us, ik klim... ik gao faole... Je moet toch op me passe... Eetje...”
Niet één willekeurige spier van mijn lichaam bewoog zich. Behalve één oog lichtelijk om hem te kunnen volgen. Ik overtrof me zelf bij dien leuken snuiter.
„Plots” ligt hij op de mollige vacht. Onder hevig angstgeschrei had hij zich voorzichtig laten afglijden en kermde nu of hij zoowat al zijn ledematen had gebroken.
„En werd u niet boos?”
„Boos? Welneen. Hij was in zijn recht, juist! Want ik moest hem toch eerst leeren, dat wij, die ons met veel opoffering en liefde aan onze kinderen wijden, ook het recht hebben op de noodige rust, zonder welke we trouwens onze taak bij hen niet behoorlijk kunnen vervullen. Ook, dat in het leven zijn recht eens niet geteld zou kunnen noch moeten worden, waar de meer belangrijke rechten van anderen in het spel waren.”
Na zich een poosje vergeefs vermoeid te hebben, nam hij een stoel, klom zeer behoedzaam in zijn bedje en ging liggen uitrusten van zijn krijgsverrichtingen.
Allerlei verschillende geluiden, als van den spoortrein, de auto, de stoomboot, de vliegmachine, liet hij verder van tijd tot tijd met grooter tusschenpoozen en al mindere krachtsverheffing hooren.
Om zes uur genoot Bob den gezonden slaap, waaraan hij tot zeven uur nog behoefte scheen te hebben. Den volgenden morgen probeerde hij het nog met verschillende korte dialogen, als: „Ik ben zoet, jij Eetje is een slaapmuts.”
De latere dagen merkende, dat mijn standvastigheid grooter was dan zijn hardleerschheid, bleef hij doorslapen of rustig liggen tot het appèl.
Het was na drie weken een teeder afscheid tusschen den driejarigen Bob en mij. Daarom beloofde ik, als Moeder 's morgens vroeg tevreden over hem was, ik hem nog eenige malen Zaterdagmorgen om twaalf uur van de fröbelschool zou komen halen en dat hij dan tot Maandagochtend bij mij mocht logeeren.
Moeder verklaarde me dankbaar, dat ze nog nimmer een zóó afdoend succes met eene of andere behandeling bij hare kinderen had ondervonden.
