← Table of contents
Paedagogische Overwegingen

XXXIX VEELEISCHENDHEID

Reading edition

Illustration from Paedagogische Overwegingen

Treesje, goedhartig kindje, heeft een moeielijke karaktereigenschap. Ze is veeleischend. Ik durf beweren, dat die trek door haast elke Moeder verkeerd behandeld wordt. Deels om in het gezin den vrede te bewaren, deels ter geruststelling van het kind zelf, deels uit gemakzucht, in hoofdzaak echter uit slapheid. Ik heb de veeleischendheid meest tot droeve gevolgen zien leiden. Een mijner vriendjes moest op vijftienjarigen leeftijd in een andere omgeving geplaatst worden om door een ijzeren, doch liefdevolle hand, geschikt te worden gemaakt voor zijn eigen thuis. Dat had kunnen voorkomen worden.

Wanneer we Treesje nauwkeurig waarnemen, is haar veeleischendheid in al haar handelingen merkbaar.

—Vader Medicus vindt niet goed, dat de kinderen als regel brood bij het middagmaal eten, daarom wordt het niet op tafel gezet. Is er nog wat brood over; dan mogen ze bij de soep nog wel eens een stukje hebben. Treesje is er dol op. Maar wordt het toegestaan, dan wacht ze altijd, totdat ze Karel ziet gaan, om het te halen en roept hem dan haastig toe: „voor mij ook een boterhammetje a. u. b.”

De kinderen zullen met Juf naar een speeltuin gaan. Herbert pakt allerlei dingen in zijn tasch. Treesje vraagt roerend lieftallig, „mijn springtouw en bal mogen er ook wel in, Heppie?” Dan behoeft zij weer niets te dragen. Wanneer de zusjes en broertjes reeds beneden zijn om naar school te gaan, vindt Moeder het toch beter, dat ze jas en mantel aantrekken. Het weer valt niet mee. „Kareltje breng je mijn mantel ook mede”, hooren we dadelijk. Het zijn kleinigheden, ja! Maar begint het daarmede niet bijna altijd? Heftige verontwaardiging van Treesje, wanneer een van de anderen in een korzelige bui, het eens waagt haar fleemend bevel te negeeren. Dan springt Moeder dadelijk bij en sust: „het zou je toch ook niets gehinderd hebben, je ging toch naar boven.” Ze overreedt soms zoover, dat Treesje's gezant—heel onrechtvaardig trouwens—het werk nog eens gaat doen. Ik zie het kind steeds verergeren. Ze heeft het beste plaatsje aan tafel, wordt het eerst door Juf 's morgens geholpen, palmt elk jaar den mooisten kalender in, die Vader toegezonden wordt, haar bedje staat vlak voor het raam, het gezelligste plaatsje in de kamer, ze pikt altijd den mooisten boezelaar uit het waschje enz. enz. Treesje is lang niet gelukkig. De volksmond zegt: Doet de een er wat bij, dan doet een ander er wat af. Verschillende huisgenooten en bekenden houden niet van Treesje om haar voorrechten. Moeder begint nu wel in te zien, dat haar schipperen, voor Treesje even onrechtvaardig is als voor de anderen. Om het kind geen ingrijpend verdriet te doen, nemen we ons voor, wanneer Treesje niet gewoon medegaat, voorloopig den zak in plaats van het ezeltje te slaan.

We zitten aan tafel.

—Moeder heeft er voor gezorgd, dat er nog maar een boterhammetje in de trommel is.

Het gewone tooneeltje volgt.

Karel hoeft bij zijn terugkeer niet te deelen.

Het is zoo dun.

Zoodra Treesje wil gaan huilen, hoort ze: „Ja, kindje, die het eerste komt, het eerst maalt. Moet je verder zorgen, dat je er bij bent.”

Ze weet niets tegen te werpen.

Den volgenden middag verschijnen ze tegelijk met hun boterhammetje aan tafel.

Zus Molly, haar hartediefje, is wat verkouden. Wanneer Treesje 's middags uit school komt, ziet ze haar bed verplaatst. En dat blijft zoo, zegt Moeder gedecideerd. Vader vindt het beter, dat Molly voorloopig aan den zonnekant slaapt. Treesje zou zich wel schamen, daartegen te pruttelen.

Zoo worden alle reeds begane fouten handig hersteld en nieuwe met beleid voorkomen. Het kind voelt de strengheid van de opvoedster niet. Dat is voor beiden, de meest prettige wijze van correctie.

Treesje uit haar veeleischendheid niet meer, omdat ze geen gelegenheid heeft, ze ingewilligd te krijgen. Zoo heeft ze er langzamerhand routine in gekregen hare bovenmatige verlangens weg te cijferen.

Dat is noodzakelijk, wijl de maatschappij later ook geen rekening houdt met des vreemden hinderlijke fouten. Ze zou als „outsider” een treurig lot moeten lijden.

We mogen reeds bij „het kleine kind” geen slapheid toonen.

Het kind, dat van natuur te veel eischt, moet reeds vroeg de rechten van anderen leeren billijken, vooral ook zich leeren schikken in het terzijde stellen van zijn eischen ten opzichte van de omstandigheden, waarin het geplaatst is.

Illustration from Paedagogische Overwegingen
Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings