XVI SCHAAMTE IS EEN MACHTIGE HULP TOT VERBETERING *
Reading edition
XVI SCHAAMTE IS EEN MACHTIGE HULP TOT VERBETERING *

Reeds een paar jaar lang geef ik Riekje Zondagmorgen van elf tot twaalf pianoles. Op verlangen van de beide kinderen, mijn leerlingetje van tien jaar en een driesten knaap van ruim zeven, blijf ik dan bij hen koffiedrinken. Daarna gaan we „en familie” naar Artis. Dat vinden we allemaal echt genoegelijk. Vader is een ingewijde. Hij leert ons de belangrijkste kleinigheden omtrent de daar aanwezige dieren en planten. En op zoo een gezellige wijze. Het eene dienstmeisje, dat dan niet haar vrijen dag heeft, mag toch 's middags een paar uren uitgaan. De familie eet maar wat later dan gewoonlijk en meestal eenvoudig. Een kind met „thuis blijven” te straffen is dus niet mogelijk, zonder een ander eveneens te treffen. Dat doorvoelt ons baasje heel goed. Hij vreest dien dag niets en neemt het waar. Hij doet heelemaal zijn best niet.
Huug is een robbedoes. Wanneer het weer het maar eenigszins toelaat, is hij 's morgens in den tuin. Hij leeft daar geheel vrij. Hij klimt in den boom, spit, wroet, harkt in zijn tuintje, en is dan geen goede kleeren nut.
Voor de koffie frischt Moeder hem zóóver op, dat hij daarna nog zelf op zijn kamer andere kousen en schoenen heeft aan te doen en zich in het wandel-matrozenpak moet steken, werk, dat een flinke jongen als hij, keurig in tien minuten verrichten kan.
Ik ben nu reeds zes Zondagen getuige geweest van de moeite, die de jongen den ouders veroorzaakt.
Allen staan gelaarsd en gespoord bij de voordeur als Huug gewoonlijk nog bezig is met zijn toilet.
Dreigen, straffen, niets heeft geholpen.
„Ik kàn heusch niet gauwer”, verdedigt hij zich met een overtuiging, die een ander kan doen gelooven, dat het hem nooit zou lukken.
Moeder zegt nu voor het eerst, dat hij bij Johanna thuis moet blijven, wanneer hij niet binnen vijf minuten klaar is.
Huug gelooft er blijkbaar niets van. Hij gaat zich quasi haasten, maar schiet niet op.
Ik ben op Moeder's verzoek in de kamer bij hem gebleven. Ze hoopt, dat ik het op eene of andere manier met hem zal klaar spelen.
„Arme jongen! Je moet je zoo haasten. Ik geloof wel, dat je je werkelijk niet gauwer kùnt aankleeden. Weet je in hoeveel tijd ònze Nol zich verkleedt na de koffie?” vraag ik.
Hij, nieuwsgierig: „nu?”
„Zonder te wasschen, in vijf minuten. Maar Nol is ook al acht. Jij bent nog maar zeven en een half. Jij bent nog maar een kleine jongen. Neen, je kunt het nog niet.”
„In hòèveel”, vraagt hij verachtelijk, „in vijf minuten? Peuh! Ik kan het wel in vier.”
Na vier minuten geniet ik het voorrecht Huug, „tiré à quatre épingles”, Moeder en Vader bij de voordeur te presenteeren.
Daarna houdt Huug aan mijn arm, onderweg een kleine nabetrachting.
„Acht, en zeven en een half is eigenlijk even groot niet waar, net eendere jongens?”
„Ja, dat heb ik vandaag nu ook gemerkt. Den vorigen Zondag geloofde ik het nog niet. Ik hield je nog voor klein.”
„Dat vond ik zóó naar, want ik kòn het toch wel. Het was alleen maar vervelend je zoo te haasten.”
Ook door zijn verdere vragen en opmerkingen kreeg ik de stellige overtuiging, dat zijn eigen minderwaardigheidsgevoel, gewekt door mijn verontschuldigend medelijden, Huug veel dieper getroffen had, dan de verwijten en straffen door anderen hem toebedeeld.
Hij voelde zich gekleineerd, iets wat een flinke jongen niet dulden kan.
We hebben daarna geen enkelen Zondag meer last met hem gehad.
Schaamte is een machtige hulp tot moreele verbetering.
De opvoeder zij er voor gewaarschuwd, dat, voor het toepassen van de bovengenoemde behandeling noodig is, dat het kind beschikt over de kracht, tot het uitvoeren van de hem opgelegde taak en het niet-voldoen er aan, uitsluitend op onwil, ongehoorzaamheid, wilszwakte, kortom op zijn onmacht berust. Anders zou het kind, door op zijn minderwaardigheid te worden gewezen, zich ontmoedigd kunnen gaan voelen dat tot mindere inspanning leidt, of het zou door de zucht om net zoo te zijn als de geprezene, tot naijver kunnen geprikkeld worden en zich daarom bovenmatig gaan inspannen. Het middel zou dan erger zijn dan de kwaal.
