XXXV EERLIJKHEID *
Reading edition
XXXV EERLIJKHEID *

Het is een eenig figuurtje onder de andere kinderen, mooi en gracieus. Er gaat een bekoorlijke invloed van het kleine meisje uit, die aanstekelijk werkt. Waar Til verschijnt is animo. Daarom wordt ze veel op kinderpartijtjes uitgenoodigd. Ze speelt mooi piano, draagt parmantig voor en bij de moeilijkste spelletjes gaat ze met het prijsje strijken. Til wordt er niet om benijd, maar gefêteerd, het popje.
Vreemd lijkt 't mij, dat dit kind, ondanks haar onhandigheid—ze is wat spierzwak—ook bij de verschillende behendigheidsspelletjes steeds no. 1 is.
Stel u mijn ontstemming voor, als ik op een middag, toen ik wat te vroeg voor de pianoles kwam, zie, dat onze tienjarige Tilly bezig is, zich te oefenen in de verschillende kunsttoeren als: een lepel waarop rollende aardappelen, met een flinken pas veilig naar den overkant brengen, of een boordevol glas water zonder morsen vlug op een andere plaats zetten.
„Maar kìndje!” roep ik teleurgesteld uit.
Begrijpend, bloost ze hevig en ze verontschuldigt zich met: „Een voetballer oefent zich toch ook. Dat doet elke sportsman. Wanneer hij het beste speelt verdient hij den eersten prijs.”
„Maar dan weten de mededingers, dat hij zich geoefend heeft”, werp ik tegen.
„Ieder kind heeft er toch het recht toe,” houdt ze nog aarzelend aan.
„Maar Til, ze denken er niet aan. Bovendien is de verdienste hier te beschouwen als die, van de oplossing van een raadsel, de berekening van een som uit het hoofd, dus „het meten van den aangeboren aanleg”. De een is sierlijk, een ander is slim, een derde behendig. Zoo heeft elk mensch een of andere gave, die hem voordeel aanbrengt.”
Ze fronst het voorhoofd.
„Hoe zou je het vinden, wanneer je vanmiddag voor Moeder, een beeldig bloemvaasje, in een winkel duur betaalde. Je merkt echter onderweg dat er een barst in is en je hoort later, dat de winkelier dat geweten heeft, toen hij het je verkocht. Jij geeft toch ook niet de werkelijke waarde voor den prijs.”
„Zul je noòit aan iemand vertellen, dat ik geoefend heb,” smeekt ze opeens bleek van hartstocht.
—De dwaling die erkend wordt, is op den weg der waarheid.—
Haar plotselinge hevige angst gaf me de overtuiging, dat eerst nu het verkeerde van hare handeling bij haar was doorgedrongen.
„Ik wil er over nadenken, wat we verder doen zullen, Til.”
—Dat was niet gemakkelijk, daar het kind al goed geoefend was in de spelletjes. Haar te zeggen „doe maar eens niet je best”, dat was olie in het vuur werpen. Ze moest eerlijk handelen. Haar te laten bekennen aan de kinderen, dat ze zich geoefend had, dat was te veel verlangd van haar gevoel van eigenwaarde.—
We spraken af, met Til's volkomen instemming dat ze haar best zou doen als vroeger en de eventueel behaalde prijsjes bestemmen zou voor het St. Nicolaas-schoolfeest.
„Ik had bij het voornemen, me te oefenen, hier wel iets naars gevoeld,” ze wees op haar hart, „maar toen U zoo opeens zei „Maar kindje!” kreeg ik een pijnlijken steek,” biechtte ze.
„Ik zal voortaan voorzichtig nadenken over elke lichte waarschuwing,” beloofde ze uit eigen beweging.
Onze kinderen zondigen vaak ernstig, terwijl ze de portée van hun daad niet juist kennen.
De opvoeder hoede zich er voor, hier met heftige verwijten in te grijpen. Waar je het kind, het vergrijp in haar wezen, liefdevol doet inzien, lijdt de correctie zelden échec en opvoeder en kind winnen slechts.
De opvoeder(ster) mag het kind niet het goede opdringen, maar moet trachten hem er toe te inspireeren.
