← Table of contents
Paedagogische Overwegingen

XXXIV LIEFDE *

Reading edition

XXXIV LIEFDE *

Illustration from Paedagogische Overwegingen

„Ik heb Nicht Tina vanmorgen beloofd, dat je Lotje voorloopig elken Zaterdagmiddag komt halen om met haar te wandelen. Ze mag dan bij ons blijven eten.” „Goed Ma,” antwoordde ik uit de volheid van mijn hart.

Lotje was het oudste, kreupele dochtertje van Tina, Moeders petekind, dat in de week van haar geboorte ouderloos geworden was. Moeder had zich als jonge tante, ze was zelve toen nog maar dertien jaar, het lot van het weesje bijzonder aangetrokken.

Na haar huwelijk was Tina in Den Haag gaan wonen en twaalf jaar later kwam zij zich in Amsterdam vestigen.

Haar elfjarig dochtertje Lotje, een meisje van mijn leeftijd, was dus voor ons een vreemde.

„We krijgen morgen weer een nieuwertje in ons clubje, een achternichtje van me,” zoo kondigde ik Lotje 's middags bij mijn vriendinnetjes aan.

„Een leukerd?” vroeg bazige Ro dadelijk.

Eerst toen werd me de moeilijkheid bewust van mijn instemming met Moeders belofte.

Geprikkeld kaatste ik terug: „Ze is mank, maar ze wordt tòch lid.”

„Kan ze dan een verre wandeling doen? En meê krijgertje spelen en stuivertje wisselen?” Spelletjes die we gewoonlijk als halve wilden uitvoerden.

„Dan doen we eens wat kortere wandelingen. In Artis kan ze op een bank zitten terwijl wij om haar heen spelen. Dat is gezellig voor het kind.”

„O, voor haar, maar ik vind het suf door zulk een stumperd aan banden gelegd te worden. Hoeft ze dan lid van een club te zijn?... Wat gaat jou dat vreemde kind aan?... Je moet haar toch niet meênemen van je Ma?... Bespòttelijk!”

Ro's woorden wonden me steeds meer op.

Meer suggestibel dan een ander kind, begon ik nu toch ook wel iets onrechtvaardigs te vinden in Moeders eisch: een dergelijke opoffering voor een dartel kind.

Heel ontstemd ging ik naar huis, onderweg steeds nijdiger repeteerende: Ik heb Nicht beloofd... ik heb nicht beloofd... ik heb nicht beloofd... Zou Ma gaarne met Lotje wandelen?, vroeg ik me heftig af. Mijn opstand werd al wilder tegen Moeder's afspraak tot... ik bij het binnentreden van onze huiskamer plotseling door een gevoel van wijding werd bevangen.

De sabbathlichten brandden, de ceremonieën waren voorbereid en Moeder trad me in de met bloemen versierde feestkamer als Gods beeld van liefde en zachtheid tegemoet. Met een van blijde aandoening trillende stem, fluisterde ze me als een zoet geheimpje toe. „Jij moogt dit mooie naaikistje zelf aan Lotje brengen morgen, ze is geslaagd voor de industrieschool.”

Heerlijk! Die arme Nicht Tina heeft de hulp van de kinderen zoo noodig, nu haar man ziekelijk is.

Mijn opstand was overwonnen. Ik zou niet één woord van ontheiliging in die liefdevolle zaak, niet één woord van tegenspraak, niet één woord ter verdediging van eigen belang meer hebben kunnen te berde brengen, omdat... de gedachten er aan eenvoudig uit mijn hart verbannen waren. Na eenige malen bedekte spotzucht en onwil bij Ro tegenover de arme Lotje te hebben bemerkt, sloot ik als Presidente met algemeen goedvinden, Ro buiten ons clubje „Om der vriendschaps wille”. En sedert dien tijd nam ik het zachte Lotje in het slot van mijn Nachtgebed op:

„Dat wensch ik Ma, Pa, Aal, broer, de zusjes, Lotje...” en ik bleef mijn woord in daad getrouw. Het kreupele kind mocht nog meer in mijn liefde deelen, dan ze ooit zonder mijn vuurproef zou hebben gedaan.

We kunnen niet iedereen helpen. Maar wanneer het lot ons met misdeelden tezamen brengt en een wensch tot steunen in ons harte opwelt, mogen we niet versagen, welken tegenstand we ook te overwinnen hebben. Dat moet ook het kind leeren.

Waar het beeld der broederschap wordt verlevendigd als in Moeders gezin, zal het kind nimmer versagen.

Elke Moeder wil haar kinderen die kracht bijbrengen.

Illustration from Paedagogische Overwegingen
Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings