XVIII OP HET KLEINE KIND VALT NIMMER TE REKENEN *
Reading edition
XVIII OP HET KLEINE KIND VALT NIMMER TE REKENEN *

Het is met groote Hansen lastig kersen eten, maar met kleine kinderen niet minder.
Corrie is bijna drie jaar, een slimmerdje. Ik ben bij het kleine meisje gelogeerd.
Volgens Moeder leert ze alles met een merkwaardig gemak.
„Corrie kan dit jaar nu wel zonder hulp kersen eten, ik doe er de pitten niet meer voor haar uit.”
Theoretisch zoo mooi.
Ze leert haar: Steeltje in de hand nemen, daarna de kers in den mond brengen, voorzichtig de helft der vrucht van de pit eten, de kers uit den mond halen, het steeltje er uit doen en op het schoteltje leggen, de ontvleeschde pit in het handje nemen en de rest oppeuzelen. Moeder doet het eenige malen voor en Corrie zegt het keurig na.
—Moeder is blijkbaar nog niet doordrongen van het groote onderscheid tusschen kennen en kunnen. Ze schijnt ook niet te weten dat het een verkeerd en dus ongeoorloofd middel is, kinderen door bang maken, tot een juiste handeling te brengen, anders zou ze stellig haar volgend commentaar achterwege hebben gelaten.—
„Je moogt de pit nooit in den mond hebben zonder ze vast te houden en ook niet afzuigen, nadat je de vrucht ervan hebt gegeten, want ze kan naar binnen glijden en dan gaat er een kerseboom in je buikje groeien”, plaagt ze.
Corrie zet een onverschillig en tegelijk ernstig gezicht. Ze gelooft er niet zoo heel veel van, maar...... Moeder zei het zoo rustig...... Moedertje weet het altijd wel, dat had ze ervaren.
„En groote menschen dan, Moedertje, die doen toch ook de kers in den mond zonder haar vast te houden.”
„Als je groot bent, dan kun je dat ook!”
—Moeder liet haar eenige kersen eten, ging weer aan het werk in de kamer en liet Corrie zich oefenen, in wat Moeder haar reeds eigen dacht.—
En...... Corrie probeerde...... de hartstochtelijke begeerte van „het kind” te bevredigen: ook groot te zijn, met het haast natuurlijke gevolg, dat de pit, den slokdarm binnenvloog.
Ze schreeuwde het uit, doodsangst beving het kind, ze wilde wegvluchten, maar werd door Moeder tegengehouden.
Het was aangrijpend het kind in die hevige opwinding te zien, die Moeder niet tot bedaren wist te brengen. Ze had het immers zelf verklaard „er zou een kerseboom in haar buikje groeien.”
Bij ingeving liep ik op het kind toe met een kers in de hand, slikte die in één oogenblik met de pit naar binnen, uitroepende „lekker gefopt, dom kind, lekker gefopt!!” en begon uitbundig te lachen.
Mijn comediespel bracht plotseling de gewenschte reactie. Corrie lachte zenuwachtig mede.
Daarna bracht ik het kind, door het af te leiden, spoedig tot geheele kalmte.
Laten opvoeders(sters) altijd bedenken, dat ze zelfs op het meest intelligente kleine kind in ernstige zaken nooit rekenen mogen vanwege het ongelijkmatige, het onverwachte, het impulsieve, dat elk kind in meerdere of mindere mate eigen is.
We moeten het kind bewaken van oogenblik tot oogenblik en bovenstaande leering, waar we dit kunnen, vooral de Moeders „uit het volk” trachten bij te brengen. Vele ongelukken, in onbewaakte oogenblikken, zouden niet meer plaats vinden, wanneer het bovenstaande door haar bedacht werd, door deze Moeders, die het kind als alle Moeders liefhebben.
Naschrift. Ik vind in dit schetsje het schrikaanjagen en dan nog wel met zoo'n ouderwetsch middel, het ergste. Een kersepit doorslikken is zoo verschrikkelijk niet. De kinderen altijd en overal bewaken, kunnen we eenvoudig niet. Maar wie het kind wat leeren wil, moet altijd iets wagen. Taak van den opvoeder is, te weten wat hij (zij) waagt en of dat niet te veel is.
Voorts komt het mij voor dat moeders misrekening vooral daarin school, dat zij niet genoeg rekening had gehouden met de natuurlijke zucht van het kind om „groot” te worden en al vast „groot te doen”, en niet begrepen had, dat zij door haar domme vermaning die zucht juist opwekte en prikkelde.
