XLIV DOORZETTEN
Reading edition

Onze zesjarige Nan is een wildebras. Het meisje is te zorgeloos. De stemming in het gezin lijdt er evenzeer onder als het kind. Nan is altijd een nummer op het programma van onze ernstige overwegingen.
Nu is zorgeloosheid wel een trek der kinderen eigen, die langzamerhand terecht komt. Maar is een of andere eigenschap meer dan gewoon bij onze opvoedeling aanwezig, dan dienen we daartegen bijzondere maatregelen te nemen.
Bij Nan uit zich de zorgeloosheid in schier al haar handelingen. In een wip is de eerste boterham met al het lekkers opgesmuld. Daarna zit ze vol spijt de leege boterhammetjes te kieskauwen. Ze werpt pardoes haar wassen popje in het heete bad, voor haarzelf bestemd. Tot haar groot verdriet smelten onmiddellijk de trekken uit het aangebeden gezichtje en verdwijnen de roode wangetjes. In een plotselinge liefdesopwelling beurt ze poes van den stoel, die, zijn zonnekoestering verkiezende, het kind snoode krabt. Gaan er van het zusje hoogstens drie boezelaars per week in de wasch, Nan lukt het met veel moeite, ze tot zeven te beperken.
„Maar kijk toch eerst uit,” „denk toch eerst na,” dit is schering en inslag. Ze ondervindt wel vaak de nadeelige gevolgen van haar verkeerd gedrag. Maar haar diepgaande zorgeloosheid doet haar elk leed weer gauw vergeten. De strijd is zoo moeilijk voor een kind. Toch moet ze veranderen.
Invroolijk trekt het gezin 's morgens naar het pension in Baarn. Voor, een prachtige tuin aan een rustigen weg. Ideaal voor onze wildzangen. We kunnen gemakkelijk het oog op hen houden. We zijn nauwelijks aangekomen of ons vijftal is in frisch buiten-ornaat aan het stoeien. Levendige Nan niet het minst.
„Pats,” daar ligt ze in den eenigen modderplas, dien er te bespeuren valt.—Een verstopt gootje, zijwaarts het huis, had haar dat onheilsplekje bezorgd.—
„Dat kan ik nu toch heusch niet helpen,” jammert ze, angstwekkend.
Om Vaders vacantie-stemming niet dadelijk te bederven, trek ik haar schoone kleertjes aan. Dat was 's morgens halftien.
„Daar is de slager! Daar is de slager!” galmt ze even later door den tuin.
„Geef mij maar de mand om naar de juffrouw te brengen.” Vol smerige vlekken van het bloederige, vette hengsel, dat ze tegen zich aan had gedrukt, betreurt ze al gauw haar gedienstigheid.
Er volgt een ernstige vermaning van Vader, en... de tweede schoone jurk.
Daarna gaat ze met den knecht kersen schudden.
Ze klimt argeloos tegen den boom op en komt van onder tot boven met vochtig mos besmeurd naar beneden. De onvermijdelijke schoone jurk No. 3 wordt haar aangetrokken.
Op het punt van vertrek voor onze groote middagwandeling, ziet ze er zoo schandalig uit, dat ze gewoon belachelijk was.—Ze had Broer zijn fiets helpen schoonmaken met olie en pommade.—
„En zoo gaat ze mede,” zegt Vader streng. Wanhopig snikt het kind het uit.
Doorzetten! Het valt Opvoeders vaak moeilijk. Vooral Moeders. Deze behandeling is Vader, met zijn teeder hart, volkomen toevertrouwd. Hij zorgt er wel voor, een eenzamen weg te kiezen, waar we geen kans hebben iemand te ontmoeten. We mogen het kind niet tegenover vreemden vernederen, als we 't willen opheffen.
De overige kinderen zijn keurig gekleed.
Den geheelen middag loopt de gemerkte met neergebogen hoofd slenterend achter ons aan. Ze is daarna veel verbeterd. Ze is zelfs minder onbezonnen dan de andere kinderen.
„Ik houd er stellig voor,” zegt het lieve nog zeer jonge meisje, dat juist bij mij op bezoek is, „dat ik mijn tegenwoordige gewichtige betrekking aan die behandeling te danken heb.”
Ze is chef in een belangrijke zaak.
Het boven beschrevene is haar als een levendige herinnering bijgebleven.
