XXV MUZIEK LEEREN *
Reading edition
XXV MUZIEK LEEREN *

Keesje wil graag leeren pianospelen. Als kindje van anderhalf jaar luisterde hij reeds met gespannen aandacht naar de liedjes, die ik voor hem zong en speelde. En, hij houdt veel van mij, zijn muziekonderwijzeres, want al kan hij mij niet als zijn suikertante waardeeren, toch wel als zijn suikertjestante, daar ik gewoonlijk de feesten, als, zijn verjaardag, St. Nicolaas, vacantiepretjes onder mijn presidium heb.
Mijn taak lijkt gemakkelijk.
Keesje wil graag leeren pianospelen. Maar kan de stakkerd het helpen, dat Moeder genoodzaakt is, de piano, zoover mogelijk verwijderd van Vaders kantoor, te plaatsen, juist aan de zijde van zijn paradijs?
Zijn paradijs! Een zeldzaam groote stadstuin, waarvan het voorgedeelte door de volle zon beschenen, den aanblik levert eener keur van bloemen en planten. Daarin een afgescheiden tuintje voor Keesje. Het einde van de laan, zoo mag ik waarlijk den langen tuin noemen, een lommerrijk plekje onder de eeuwenoude kastanje-, eike- en vruchtboomen. En last not least ... het duivenpaleis, dat een woning biedt aan verschillende soorten, wel dertig. Dààr is voor Keesje het „al”. Ieder der beestjes, heeft naar aard en uiterlijk een naam van hem gekregen. Hij laat ze in zijn fantasie heel wat beleven. Geestdriftige verhalen krijg ik steeds te hooren over zijn uitverkorenen.
Maar Keesje wil graag leeren pianospelen. En daar gaat het dan toch maar, vol moed. Eéne, tweéë, driéë, éene, tweéë, driéë, dat al gauw in een lijzig, verveeld accent overslaat. Eìne, twèie, drèie, èìne, twèie, drèie......
Plots wordt mijn hals half omgedraaid, onder den uitroep: „kijk us, tàntetje, grijs doffertje is alleen uitgevlogen!”
„Gedeelde vreugde is dubbele vreugde”. Ik heb Doffertjes behouden Heimkehr medegenoten.
Langzaam, hem vriendelijk toelachend, draai ik mijn Keesje, door middel van de pianokruk weêr op zijn plaats.
Na een diepen zucht voor het doffertje en een hartelijken kus aan mij, hoor ik weêr gauw „Eéne, tweéë, driéë, éene, tweéë, driéë......”
„Leelijk beest!” „Fort!” „Weg!” Rood van opwinding en met gebalde vuistjes is Keesje naar het andere venster gestormd, toen hij het schrikbarende tumult hoorde. Aan zijn kant had ik reeds geprobeerd het gordijn neer te laten. Verbeeldt u toch, daar staat buurpoes met gekromden rug uit alle macht te blazen, tegen de angstig kirrende jongen, die door hare moeder in de til waren achtergelaten. Buurmans waakhond versterkt het orkest.
Ik stel Keesje gerust, door hem er aan te herinneren, dat de til zoo geplaatst is, dat de duifjes onmogelijk door een hond of een poes te bereiken zijn.
Nog grimmende onder den indruk van zijn pas ondervonden woede, laat het kind toe, dat ik hem, met mijn arm om zijn lijfje geslagen, op de kruk terugbreng.
Meteen zeg ik bij ingeving: „Nu benoem ik jou tot hoofdofficier”. Gauw hebben we de vingers naar mindere grootte, in afdalende rangen ingedeeld. Het wordt nu voor Keesje een eerezaak, dat niemand deserteert of zelfs uit den pas gaat. Binnen korten tijd hebben de vingertjes onder zijn, door mij beïnvloed commando, de verplichte houding aangenomen. En na eenige weken speelt Keesje „die Wacht am Rhein”—stukje uit een Liederkrans voor pasbeginnenden—zonder fout, met alleraardigste voordracht, uit het hoofd. Door het voortdurend inspecteeren van zijn troep, gingen de oogen maar steeds van het blad op de vingertjes. Zoo oefende hij zich in 't van het blad lezen, en uit het hoofd spelen.
De lessen werden voor Keesje een verheugenis. Kort daarop haalde ik hem van een partijtje bij een zijner vriendjes. „Wat speelde Keesje vanmiddag kranig het Duitsche volkslied. Zoo heelemaal zonder fout uit het hoofd!” De gastvrouw kwam me reeds in de gang tegemoet om haar opgetogenheid te uiten.
„Dat moet u Jan ook eens trachten te leeren. Hij is vandaag zeven jaar geworden en wil nu ook graag beginnen met muziekles te nemen.” Ik beloofde het de Moeder. Ik kon dat met goed vertrouwen doen.
Kees is een concertliefhebber.
Ik heb uit den aard der zaak van niet vele leerlingen „een pianist(e)” kunnen maken. Maar ik heb ze toch alle, behalve een paar abnormale uitzonderingen, muzikaal ontwikkeld. Dat is de opvoeder(ster) verplicht tegenover zijn (haar) pupil, om te voorkomen, dat deze, ouder geworden zijnde, een levensgenot zou missen, een tijdpasseering, die hem voor geestelijke en moreele afdwalingen zal kunnen behoeden.
Bij het onderricht geven is het noodig, dat men bij het kind belangstelling wekt voor de onvermijdelijke, vaak eentonige oefeningen. En daartoe is hèt middel, gebeurtenissen aanknoopen aan hunne persoonlijke waarnemingen en idealen.
