← Table of contents
Paedagogische Overwegingen

XXIX HET KORTE WOORD *

Reading edition

XXIX HET KORTE WOORD *

Illustration from Paedagogische Overwegingen

Een fiere jongen, onze oudste... 'n „Baasje” eigenlijk. Het is de eenige bijzondere aanmerking, die we op het kind maken. Misschien tilt Moeder hem wel wat over het paard, door hem reeds in vele ernstige zaken in te wijden.

Piet is heel verstandig, maar toch pas tien jaar. Hij spreekt zijn meestal goed oordeel te beslist uit en Moeder hecht er veel waarde aan. Wat hij merkt.

Rrrrrrrrrt...... gaat de bel, zoolang tot er opengedaan wordt. Een opgewonden troepje stormt binnen.

„En een penkalapotlood van Rob, een fleschje kleurinkt van Bert, een pak chocolade van...” alle kinderen schreeuwen door elkaar. Op een verjaardag wordt door ons veel getolereerd. De twee prentbriefkaarten, die hij van zijn onderwijzer gekregen heeft zijn voor Piet wel het meest waardevolle geschenk. Hij ziet er gemeenlijk niet naar om, maar deze kaarten streelen zijn eigenwaarde.

„Nu komt nog de lekkerste verrassing”, grapt Moeder in haar vreugderoes. Het maakt de kinderen gulzig. Ze vallen haast aan, op het groote stuk taart, dat de ledige boterhammetjes, tot een koningsmaal verhoogt. „Zie toch eerst eens hoe leuk”, zegt Moeder argeloos en nadat Piet het opschrift van de taart gelezen heeft—Aan den jarigen zoon van mijn Dokter, uit dankbaarheid, Bakker N., in sierlijke suikerletters als gecalligrapheerd op het plateau—is hij doodsbleek en roept gekrenkt uit:

„Maar ik had ze zelf mogen deelen, de taart is van mij!”

Moeder, uit het veld geslagen, verweert zich (zeer onhandig) met „van jou is niets, ik heb over alles te beschikken.”

Piet loopt weg met tranen in de oogen, nog driftig uitstootende „ik wil niets van de taart eten!”

Hij spoedt zich naar zijn kamertje.

Moeder, wij allen, zijn ontdaan.

—Toen Vader vanmorgen bij een zijner patiënten binnenkwam, liep het jarige kind met een feeststrik op den schouder rond. Het ventje was pas hersteld van een ernstige ziekte. Hé, vertelt de dokter, mijn oudste jongen viert vandaag ook zijn geboortedag. De Vader van het patiëntje grijpt blijde de gelegenheid aan om zijn dokter te verrassen.—

„Ga jij eens met hem spreken. Je kunt hem wel kalmeeren”, stelt Moeder me voor.

„Nu liever niet! Met een opgewonden kind is niet te praten. Hij kan best een maaltje overslaan. Piet gaat stellig op tijd naar school. Daar zal hij kalm worden. Ik zal hem vanmiddag aan de deur opwachten.”

„Dag tante”, zegt Piet gemaakt vroolijk, als hij 's middags uit school komt. „Is er al bezoek in de huiskamer?”

„De tantes zijn er en Mevr. X.”...... Hij aarzelt......

„Je kunt het toch wel zacht tot Moeder zeggen, dat het vanzelf sprak, dat zij de taart zou verdeelen. Dat is haar taak!” Wanneer ik als huisgenoote een taart krijg, zou ik ze immers ook door Moeder laten deelen.

„Maar hij is tòch van mij”, streeft hij tegen.

„Nu ja... krijg jij een geschenk van iemand die je heelemaal niet kent?... Waarvoor is bakker N. je zoo dankbaar?... het was een attentie aan Vader bewezen, het gezin ter eere van je verjaardag te tracteeren, dat voel je nu wel. Zoo vatte Moeder het op.”

Als uit een droom ontwaakt, kijkt Piet me met opengesperde oogen verhelderd aan.

„Maar Moeder zei dan toch, dat zij altijd over alles beschikken mocht en ik nooit zelf iets mocht bezitten.”

„Je deedt Moeder onrecht en daarnaar antwoordde ze. Heb je ooit ervaren, dat Moeder iets van je weggenomen heeft! Je moogt de chocolade, die je krijgt, toch altijd zelf deelen. Heeft Moeder ooit zonder je toestemming een ander kind met je speelgoed laten spelen?”

Verruimd vliegt Piet naar Moeder en maakt het voorgevallene op zijn eigen innemende wijze bij haar goed.

Het was treffend, 's middags aan tafel, terwijl hij het bijzondere portie taart zat te smullen, Piet te hooren uitroepen: „Lekker Moes!”... „dank U vriendelijk!”... „fijn Moes!”...

Allen waren heel tevreden en opgewekt. Moeder, Vader, Piet, de zusjes en broertjes en... ik niet het minst.

Geen lange redeneeringen, waarbij het kind altijd wel iets vindt, om zijn inzicht te verdedigen. Met het korte woord, dat aansluit aan zijn innerlijke ervaring heb ik altijd mijn opvoedelingen tot een juist inzicht weten te brengen. Dat woord moet slechts aangebracht worden wanneer het kind kalm is.

Naschrift. De geachte inzendster schrijft mij hierbij nog het volgende: „Ik heb het geval als „beschreven” behandeld. Daarna debatteerden we er nog met velen over, w.o. medici en juristen. De moraal verlangt natuurlijk, dat we aan de waarheid niets toevoegen of veranderen om voor haar te getuigen. Wat ik tot het kind zeg omtrent den bezitter van de taart is wel juist, maar juridisch is de taart zeker van het kind. In dat geval had Moeder wel kunnen wachten tot het kind thuis is en dan zeggen: „Nu, je vindt het zeker wel goed, dat ik ze verdeel” of zoo iets. Bij mijn redeneering tot het kind laat ik weg, dat de taart van hem is. Ik zeg wel: „nu ja...” waarmede ik bedoel: „de taart is wel van jou, maar eigenlijk van Vader”. Is mijn redeneering, die hier succes had, uit een paedagogisch-moraal oogpunt juist?” En dan vraagt zij mij, hoe ik er over denk en wat ik c.q. zou gezegd hebben.

Mijn antwoord is: als ik iets op dit verhaaltje aan te merken heb, dan is het zeker niet op de redeneering, waarmede Piet overwonnen werd. Want die acht ik volkomen juist. Eerder zou ik twijfel kunnen koesteren of Piet's gedrag wel volkomen historisch juist is voorgesteld. Want een zoo sterk juridisch begrip van eigendom is bij kinderen zeldzaam. Zij hebben wel een zeker begrip van eigendom, maar juridisch getint is het niet. Het is veel naiever, veel ruimer, hoe zal ik zeggen? veel vloeiender. Ook al gebruiken zij, bij gebrek aan andere, daarvoor dezelfde woorden, die wij voor den juridischen eigendom gebruiken. „Dat hoort van mij” beteekent in hun mond zoo iets als: „daarop heb ik een bijzondere betrekking, meer dan iemand anders. Daarover heb ik dus ook meer te zeggen dan iemand anders.” Wanneer er op een verjaardag een taart op tafel komt, dan gevoelt de jarige al heel licht daarop zulk een bijzondere betrekking, ook al staat er geen opdracht aan hem op. Een betrekking van juridischen eigendom is dat echter niet; mogelijk evenwel, dat het feit, dat er een opdracht op staat, er een ietwat meer juridischen tint aangeeft, vooral bij een kind, dat daarvoor aanleg en temperament heeft. Maar, de hoofdzaak is toch altijd, dat de taart in nauwere betrekking staat tot hem dan tot één van de anderen. Aan dat gevoel zal in de meeste gevallen voldaan zijn, wanneer bij de verdeeling de jarige het eerste stuk krijgt, wat geloof ik iedereen van zelf zal doen, zoo natuurlijk is het. Voor zelf-uitdeelen komt een taart uit den aard der zaak niet in aanmerking. Dat is goed voor een doos flikjes of confituren, die het kind op zijn verjaardag krijgt. Die is inderdaad „van hem” en daarvan deelt hij dan uit; dat is een deel—en als het goed is, niet het kleinste deel—van het genot, dat hij ervan heeft. Maar een taart in stukken deelen behoort niet tot de functies van een kind, en bovendien, wat belangrijker is: een taart is per se bestemd om te dienen als een tractatie voor de gansche familie. Dat weet ieder kind heel goed en daarom kan er ook geen sprake zijn van een juridisch eigendoms- en verdeelingsrecht over een taart, ook al staat er honderdmaal een opdracht op, en een kind, dat daarop aanspraak maakt, heeft m.i. ongelijk. In het onderhavige geval kwam er bij, dat de taart feitelijk een dankbetuiging was aan den vader, zooals dan ook zeer terecht Piet onder het oog wordt gebracht.

Dat alles neemt niet weg, dat Piet, in den bovenbedoelden zin, een zekere bijzondere betrekking had op de taart, en in zooverre is ongetwijfeld,—indien werkelijk (het verhaal is op dit punt niet overmatig duidelijk) de taart nog vóór dat die bijzondere betrekking tot haar recht was gekomen, reeds door moeder was in stukken gedeeld—een inbreuk gemaakt op het kinderlijk gevoel. Niet echter op het eigendomsgevoel (ook al gebruikte Piet zulke uitdrukkingen) maar op het gevoel, dat bij kinderen, gelijk Mej. Asscher ook weet, bijzonder sterk ontwikkeld is en altijd met verstand ontzien moet worden: het gevoel van recht en gerechtigheid.

Er is dan zeker een fout begaan, die verergerd werd door Moeders onhandig antwoord (als ook dit historisch is). Maar dat gaf Piet natuurlijk niet het recht om op te spelen. Nu hij het toch deed, moest hij terecht gebracht worden. Hoe? Wel, daarvoor zou ik geen betere manier weten dan de hier geschilderde, die m. i. in de slotopmerking ook volkomen juist wordt gemotiveerd.

Illustration from Paedagogische Overwegingen
Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings