XXX SNOEPEN *
Reading edition
XXX SNOEPEN *

Vermicellitaart was nu eenmaal een zwak van Prop en hij mocht er maar weinig van hebben, omdat de jongen te zwaar werd.
Waar de hartstocht spreekt, zwijgt het weinige verstand van het kind. Het handelt verkeerd.
Als regel is bij ons de provisiekast niet gesloten. We hebben betrouwbare dienstmeisjes, die reeds vele jaren bij ons in betrekking zijn. Nooit werd nog iets vermist.
Toen de vermicellitaart voor den tweeden middag op tafel kwam, vertoonde ze duidelijke sporen van sabotage. Moeder schrikte er van.
Prop's hevig protest, terwijl niemand hem beschuldigde, was voor allen een duidelijke aanwijzing, dat hij het delict gepleegd had. Met klem herhaalde hij steeds: „ik heb de taart sedert gisteren niet gezien!”
Daar we er kat noch hond op na houden, beslis ik, met den blik van verstandhouding, die gezinsleden onderling zoo goed verstaan, „Moeder, de muizen hebben stellig ervan gesnoept, gooi de taart maar weg”; en terwijl ik doe alsof ik de daad bij het woord wil voegen, grijpt Prop mijn arm en roept schreiend uit: „Ik ben er aan geweest, en ik zal het nooit, nooit weer doen!”
—De begeerte naar de taart, had het schaamtegevoel verdrongen.—
„Ik zal de taart toch maar tot morgen wegzetten, nu heeft er zeker niemand lust in”, stelde ik voor, ten einde tijd te winnen om te overdenken, hoe Prop moest aangepakt worden.
We waren nauwelijks met ons beiden alleen of het jonge moedertje riep wanhopig uit: „maar die ontdekking is vreeselijk, Prop oneerlijk!”
„Ze is heelemaal niet vreeselijk”, stel ik gerust. „Prop is pas zes jaar. Hij heeft zich niet beheerscht. We zullen hem nog moeten leeren weerstand te bieden aan een dergelijke verzoeking. Zijn leugen was een gevolg van de vrees niets meer van de heerlijke taart te krijgen, als zijn vergrijp ontdekt werd. Dat bleek toen hij bekende.”
„Maar ik heb als kind toch niet gesnoept”, jammert Moeder voort.
„Misschien herinner je je het niet meer.”
„O vast niet, ik werd er zelfs om geprezen.”
„Zie je wel, dat het niet snoepen bij een klein kind als bijzonder wordt aangemerkt.”
„Hij mag nu van de taart niets meer hebben.”
„Ik zou hem wel wat geven. Het kind heeft beterschap beloofd, laten we hem vertrouwen.”
„En dan voortaan alles angstvallig te moeten afsluiten.”
„Juist alles openlaten, als vroeger. Je taak is toch niet het kind het snoepen te beletten, maar hem er toe te brengen, het snoepen te laten. Ik geloof sterk in de macht van het vertrouwen. Door hem het vertrouwen te ontzeggen, vervalt hij van kwaad tot erger. Dat leert de ervaring.”
Ik kreeg het patiëntje in behandeling.
Eenige dagen later zitten we samen gemoedelijk zijn „Humpty Dumpty” te spelen.
Niet zoo gauw valt de domme August van zijn paard, of een clown rijdt er op weg.
„Hier”, beveelt Prop. „Ik zal je wel helpen”, troost Prop August en wipt hem meteen weêr op zijn eigendom, terwijl hij den dief in het zand doet tuimelen.
„Mag de clown ook niet eens rijden?”
„Ja-e, maar niet op August zijn paard!”
„Maar Pierre heeft er geen.”
„Dan moet hij August vragen of hij mag.”
Zijn overtuigd oordeel is zeer aanmoedigend voor mijn voorgenomen experiment.
„Wat hoest je”, merkt Prop op.
„Jammer, dat ik mijn witte dropjes heb vergeten mede te nemen”.—Prop versmaadt ze lang niet.—Ik aarzel... „Wil jij het doosje misschien voor me uit mijn kast halen? Zou je het kunnen? Maar breng vooral den sleutel weêr mede, en draag het doosje heel voorzichtig, dat de dropjes niet op den grond rollen. Je bent nu wel groot genoeg om zoo iets klaar te spelen.”
Met majestueuze langzaamheid, het sleutelbosje voor zich uit houdende, stapt hij weg.
„De kast is goed gesloten. Ik heb het doosje stevig dichtgedrukt en er nog een papier om heengedaan”, stelt Prop me gerust.
Als een slotvoogd aan zijn „Heer en Meester”, zoo plechtig overhandigt Prop me de sleutels weer. Wij blijven allen in Prop bijzonder vertrouwen stellen. Juist hem worden de gewichtige postjes opgedragen. Hij heeft zich sedert vier jaar niet vergrepen.
Prop zal later, even als zijn Moeder, kunnen uitroepen: „Men heeft mij er zelfs om geprezen!”
