XXII.
A. Nuyens translation
DE GALWESPEN.—EEN AFGROND.—DE KAPPERS.—SALADE VAN PORTULAC.—DE BEDROGEN JAGERS.—GRAFGRAVENDE INSECTEN.—DE ZANDKEVERS.—CACTUS EN COCHENIELJE. DE MEXICAANSCHE WIJN.—AFSCHEID VAN ONZEN GASTHEER.
Zoodra de morgenstond aanbrak riep ik Sumichrast en Lucien. De Encuerado sliep zoo rustig na zijne heldendaden van den vorigen dag, dat ik zijn slaap eerbiedigde. Mijn plan was den geheelen dag te gaan jagen, ten einde de ledige ruimte in de kisten, welke Torribio naar Puebla zou brengen, te vullen. Ik voerde mijne gezellen naar het benedengedeelte van de vallei; alles sliep nog in de hutten en Gringalet kon met opgerichten staart voorbij zijne soortgenooten gaan.
Na verloop van twintig minuten bevonden wij ons in een nauw pad, omzoomd met guapaques—(ostrya mexicana)—een boom behoorende tot de familie der cupuliferen of beker dragende boomen, en die door zijn uiterlijk aan onzen eik, zijn verwante, herinnert.
»Zie eens, papa,” riep Lucien uit; »men zou zeggen dat die bladeren met vruchten beladen zijn.»
—Dat zijn uitwassen, veroorzaakt door het steken van een insect, tot de orde der huidvleugeligen (hymenoptera) behoorende en hetwelk de geleerden cynips noemen.
—Hoe kan een insect die fraaie, ronde, met stekels bezette balletjes maken?
—De buik van de cynips of galwesp bevat een hollen angel, waarvan de kanten gewapend zijn met tandjes, die de gedaante van eene pijlpunt hebben. Het insect bedient zich van dat werktuig om in de planten, waar aan het zijne eieren toevertrouwt, te steken; de uittreding van het sap veroorzaakt die wratten, die men vooral aan rozelaars, vijgeboomen en eiken opmerkt. Een der galwespen van den eikenboom geeft het ontstaan aan de galnoten, eene zelfstandigheid, die zeer rijk aan looistof is en waarvan men zich bedient bij de bereiding van schrijfinkt.
—Als een van die insecten mij in de hand stak, zouden er dan ook zulke bollen ontstaan?” vroeg Lucien.
—De galwespen hebben het slechts op planten voorzien,” hernam mijn vriend; »maar zij hebben neven—de sluipwespen bij voorbeeld,—die hunne eieren in de lichamen van sommige rupsen leggen. Zoodra de larven uitgekomen zijn, beginnen zij aan het dier, dat ze draagt, te knagen, zonder het evenwel te dooden.
—'t Is gelukkig, dat die dieren ons sparen.
—Er zijn er ook ten onzen gerieve: denkt gij dan niet aan de moyocuile, die vlieg, die zoo goed hare familie onder onze huid weet te herbergen; zonder nog te spreken van de niqua, die onder onze nagels een huis graaft, dat zij met eieren opvult?
—En de schurftmijt,” hernam ik, een heel klein diertje, dat eene zeer leelijke en lastige ziekte veroorzaakt.
Ik had van Coyotepec vernomen, dat het ravijn op ongeveer drie mijlen van zijne woning plotseling eindigt en dat het water der beek zich daar in een afgrond verliest. Ik richtte mij dan naar dat punt, nu eens voorafgegaan, dan weer gevolgd door Gringalet, die er vermaak in vond de kleine rivier over te zwemmen en in het gras te rollen.
Het kronkelige pad voerde ons in een grooten door groen omzoomden trechter; na een honderd schreden kwam men aan rotsen, in den vorm van pyramiden en ondersteund door de reusachtige wortels van een kleinen boom met schaarsch gebladerte. Het water gleed zonder geraas over de steenen en verdween onder een laag gewelf, dat achter lischplanten met gele en roode bloemen verborgen was.
Lucien, over den afgrond gebogen, wilde weten waar dat water bleef.
»Misschien wordt het opgeslorpt door de zandige bodems, waarop het valt,” zeide ik; »misschien komt het weer in de valleien te voorschijn, waar het terrein even laag wordt als zijne bedding.”
—Gebeurt het dikwijls dat de beken zoo onder den grond gaan?
—Ja; vooral in Mexico, waar die onderaardsche monden, den naam van Sumidero dragen. Dicht bij Chiquihuite, ongeveer vijf mijlen van den weg, die van Vera-Cruz naar Cordova voert, verdwijnt eene breede rivier in een grot, die meer dan een mijl lengte heeft.
—Wat zou ik zulk een fraai schouwspel gaarne willen zien.
—Uw wensch zal vervuld worden, als wij niet te veel in het Warme Land verdwalen.
Sumichrast had ons verlaten om in de struiken te kruipen. Er viel een schot en de jager keerde terug, een prachtige vogel, wiens rood gevederte gouden en purperen weerschijnen had, in de hand houdend.
»Dat is een fraai heer, dien hebben wij nog niet ontmoet,” riep Lucien uit.
—Het is de prachtigste onder de vinkvogels van Amerika,” gaf ik ten antwoord, »'t is de ampelis pompadora(33); maar zijn schitterend gewaad duurt niet lang. Binnen weinige dagen zouden die veeren, die zoo levendig schitteren, uitgevallen zijn en vervangen worden door een dof en donker gewaad. Deze rui, die veel vogels eigen is, heeft meer dan eens de ornithologen op een dwaalspoor gebracht, daar zij als eene nieuwe soort beschouwden wat slechts een voorwerp was, dat door eene verandering in het gevederte onkenbaar was geworden.
Een lang vertoeven bij den Sumidero stelde ons in 't bezit van een twaaftal vogels van verschillende soorten, onder andere verschillende Tangaras, die alleen aan Amerika eigen zijn, en van een paar fraaie koekoeks van eene geelachtig bruine kleur en met een waaiervormigen staart, die op deze plaats op den trek waren.
»Waarom?” zoo vroeg Lucien, »zegt gij dikwijls, dat een vogel uit Brazilië, uit Guyana of uit Peru is, terwijl gij hem toch in Mexico vindt?
—Omdat veel vogels op sommige tijdstippen van het jaar trekken,” antwoordde mijn vriend, »en men ze op groote afstanden aantreft van de landen, waar ze geboren zijn. Deze fraaie merel, bijvoorbeeld, verschijnt slechts tegen de lente in Mexico, weshalve men hem den naam van primavera, eerste van de lente, heeft gegeven.
—Zie toch eens die fraaie gele bloemen, papa, zij verbergen zoo volkomen den stam van den boom, dat men zou meenen, dat hij ze voortbrengt.
—Dat zijn de bloemen van den tropoeolum of wilden kapper, die zijn naam te danken heeft aan het in den vorm van een monnikskap verlengde kelkblad. De kapper is in Europa aangekweekt, waar men de in azijn ingelegde vruchten eet en met de bloemen de sla toebereidt.
—Kennen de Mexicanen ze dan niet? ik heb er bij hen nooit op tafel gezien.
—Dat is waar, en toch zou de prikkelende smaak van de bloemen van den tropoeolum hun wel behagen; misschien vinden zij dat de smaak te flauw is, omdat zij te veel gewoon zijn aan het piment.
—»Gij hebt de kruiderijen, ik de salade,” riep mijn vriend eensklaps uit.
Hij liet ons een handvol planten zien, die men portulak noemt.
Deze plant, die in alle vochtige bodems in overvloed groeit, geeft roode bloemen, die zich des avonds sluiten, om des morgens opnieuw open te gaan. Ik verzamelde de vleezige bladen, terwijl Sumichrast, die een plant vol met zaad had gezien, aan Lucien de ronde gleuf (portula), die zij bezitten, toonde en waaraan de plant haar familienaam van portulaceeën (portulakken) te danken heeft.
Maïskoeken en onze salade verschaften ons een landelijk ontbijt, dat aan den oever der beek werd voorgediend. Lucien smulde in dit eenvoudige maal en ik moest zijn eetlust, die door de prikkelende bloemen nog werd opgewekt, matigen.
Toen onze maaltijd afgeloopen was, poogde Sumichrast tegen den wal op te klimmen; maar de grond zakte telkens onder hem in en hij viel twee- of driemaal op zijn neus. Ik liet Lucien aan zijn lot over, want het vallen leverde niet het minste gevaar op. Minder zwaar dan wij, bereikte hij zonder moeite den bovenkant van de vlakte en lachte zeer oneerbiedig over onze pogingen.
»Pas op je ooren,” riep mijn vriend hem toe; »als ik bij je kom zullen ze mij tot steunmiddel dienen.
Aldus schertsende zocht hij tevergeefs naar een beter beklimbare plek; wij maakten ons boos en onze onmacht vermaakte Lucien. Eindelijk ontdeed ik mij van mijn geweer en weitasch en zoo opgelicht gelukte het mij eindelijk naar boven te komen.
»Dat is alles goed en wel,” sprak Sumichrast, zich vastklampende en waggelende, »maar hoe zal ik nu bij u komen, nu ik twee geweren en twee weitasschen te dragen heb.
—»Wacht een weinig!” riep Lucien uit.
En naar de helling ijlende verdween hij weldra. Ik hoorde hem spoedig daarop met zijne machete een tak afkappen en kort daarna kwam hij weer met een bamboestengel boven.
»Wij zullen mijnheer Sumichrast visschen;” zeide hij, nog geheel buiten adem.
Op den wal zittende stak ik mijn vriend den stok toe; hij pakte hem vast en won zoo wat terrein en bracht allengs ons jachtgereedschap omhoog. Na mij geweren en weitasschen te hebben aangereikt kwam hij zelf ook bij ons. In plaats van meester Zonnestraal bij zijne ooren te pakken, omhelsde hij hem, om hem voor zijn uitmuntend denkbeeld te bedanken.
Het ravijn liep ongeveer tweehonderd passen verder ten einde en wij bevonden ons te midden der cactussen. Lucien deed zijn best om hagedissen te vangen; maar Gringalet, die zeker dacht heel slim te doen, liep altijd voor hem uit en verjoeg zoo de diertjes. Toch slaagde de jonge jager er in om eene mooie groene hagedis te vangen, een Anolis, die, driester dan de gewone hagedissen, in de vingers, die haar vast hielden, zocht te bijten, en de keelhuid, die doorschijnend is als een vlindervleugel, vol toorn opblies.
Eensklaps begon Gringalet onrustig te blaffen; een scherp gefluit antwoordde er op en daarna de stem van den jakhals. Ik riep den hond terug en met den vinger aan den trekker van mijn geweer, ging ik voorzichtig voorwaarts, mijn vriend op den voet volgende en Lucien bevelende naast mij te blijven. Onze stille gang verraste eenige gladslangen, die in de zon lagen te slapen. Daar weerklonk het geroep van den nachtuil. Ik wisselde met mijn reisgezel een blik van verwondering; het was noch het uur, noch de plaats om dien vogel te ontmoeten. Een nieuw gejank en een nieuw blaffen deden zich hooren; maar ditmaal zoo dicht bij, dat ik staan bleef. Gringalet sprong voorwaarts en daar verschenen vier kinderen, die Gringalet cactusbladeren als een schild voorhielden.
»Drommels, drommels!” sprak Sumichrast, »als ik mij niet vergis zijn dat de uil, de jakhals en de hond, die ons zoozeer in spanning hebben gehouden.”
Mijn reisgezel vergiste zich niet; de jonge Indianen brachten levensmiddelen aan hun ouderen broeder, die belast was met het hoeden van een troep geiten; en om de eentonigheid van den weg wat te verkorten hadden zij zich vermaakt met het geluid van verschillende dieren zoo volmaakt na te bootsen, dat wij er door misleid werden.
Tegen drie uren verliet mijn vriend, die de vogels, welke bij gedood had, wilde bereiden, ons om de woning van Coyotepec te bereiken. Ik vervolgde mijne wandeling in gezelschap van Lucien en bleef staan bij het lijk van eene muis, welke eenige doodgravers bezig waren te begraven.
De insecten, vijf in getal, groeven de aarde om de muis op, ten einde die er onder te stoppen. De doodgravers, die zoo druk aan 't werk waren, hadden eene taak ondernomen, die zij niet in minder dan vierentwintig uren ten einde konden brengen; twee der aardwerkers lichtten het lijk aan eene zijde op, terwijl de andere met hunne pooten de aarde er onderuit haalden. De kleine mijnwerkers haalden zonder tusschenpoozen den grond onder hunne prooi uit.
»Welk doel hebben zij toch met die muis te willen begraven?” vroeg Lucien mij.
—Zij denken aan hunne kinderen. Zij zullen hunne eieren onder het begraven dier leggen en als de larven geboren worden zullen deze zich voeden met de overblijfselen van het lijk, in welks nabijheid de voorzorg der ouders hen geplaatst heeft.”
Ik stoorde de ijverige doodgravers, die, tot hun ongeluk, tot eene niet veel verspreide soort behoorden. Hun voelsprieten, die den knotsvorm vertoonden, eindigden plotseling in een knopje en hun dekvleugels, die schitterend zwart waren, werden door eene gele streep doorsneden. Ik mocht den grond en de prooi zooveel omkeeren als ik wilde, ik vond er maar vier.
Op een pad, dat de nabijheid van het dal aankondigde, vertoonden zich zandkevers. Lucien maakte er jacht op, maar de vlugheid der insecten stelde zijne pogingen te leur.
»Wat zijn die vliegen slim,” riep hij uit, »ik kan er geene enkele vangen.”
—Dat zijn geen vliegen maar kevers en verwant met de loopkevers. Geef mij uw net.
Lucien wilde nog eens beproeven om een zandkever te vangen en hij kreeg er inderdaad twee. De schoone metaalglans van hunne bruine, met gele puntjes bezaaide dekschilden bekoorden hem, maar de insecten ontsnapten, na hem gebeten te hebben.
»Welke kaken,” zeide hij, zijn vinger schuddende; »gelukkig dat die beestjes maar heel klein zijn. Leven de zandkevers dan niet in 't bosch?”
—Zij vertoeven bij voorkeur op droge en zandige plaatsen; zij loopen en vliegen zeer snel; maar het is niet moeielijk ze te vangen, want, zooals gij ziet, vallen zij weer spoedig op den grond. Deze fraaie kever bezit eene buitengewone vraatzucht; daar is er een, die eene groote vlieg heeft gevangen en die hij bezig is te verscheuren. De grillige vlucht van een hertskever voerde ons op den rand van het ravijn: terwijl wij het pad, dat talrijke door struikgewas beschaduwde zigzaglijnen vormde, volgden, kwamen wij voor eene hut terecht. Voor de deur was eene jonge vrouw, die ik als eene der danseressen van den vorigen avond herkende, bezig een stuk katoen te weven. Het weefgetouw, dat de schering bevatte en aan den eenen kant aan een boomstam was bevestigd en aan den anderen kant om het middel van de arbeidster was gerold, was tegelijkertijd eenvoudig en samengesteld, zooals alle oorspronkelijke gereedschappen. Lucien zag met nieuwsgierigheid toe, en ziende hoe de weefster telkens de kleur van haar garen veranderde, begreep hij hoe de Indiaansche vrouwen beneden om hare rokken die zonderlinge teekeningen vervaardigen, die hare verbeelding uitdenkt.
Tegenover de hut groeiden nopales-cactussen.
»Kijk die planten, waarvan het zien den Encuerado zeker zou aandoen, want men vindt ze overal in zijn land, eens goed aan, sprak ik tot Lucien. »De talrijke bruine puntjes, die gij op de bladeren bemerkt, zijn halfvleugelige insecten van de familie der galwespen, cochenieljes, zooals men ze gewoonlijk noemt. Zij hebben geen vleugels en leven op kosten van de cactussen, waaruit zij met hun zuigsnuit het sap zuigen. Alleen de mannetjes kunnen zich bewegen, de wijfjes zijn veroordeeld om te sterven, waar zij geboren zijn. Op een gegeven oogenblik zullen die kleine insecten duizenden eieren leggen en hun lichaam zal met een wolachtig mos bedekt worden, dat tot beschutting voor de jonggeborenen moet dienen. Men oogst de cochenielje als zij rijp is, om eene uitdrukking der Indianen te bezigen, door de plant met een lang, buigzaam mes af te schrappen, waarna de insecten levend in een ketel met kokend water worden gedompeld. Zoodra ze dood zijn worden zij er uit gehaald om in de zon te drogen. Die kleine korreltjes bedekken zich nu met een zilverkleurig huidje en worden dan in zakken van geitevel ingepakt en naar Europa verzonden, waar men ze gebruikt om stoffen te verven en carmijn te maken, dat zulke fraaie rose kleuren aan het suikergoed geeft.”
Een weinig verder bevond ik mij tegenover een maguey—agave mexicana—eene soort aloë, waaruit men de pulque bereidt. De maguey bloeit alle vijfentwintig of dertig jaren en de steel, die de bloemkroon moet dragen, groeit in twee maanden ongeveer vijf à zes meters. Deze steel draagt niet minder dan vier à vijfduizend bloemen aan zijn top en de plant verteert al hare kracht met ze voort te brengen, want zij sterft spoedig daarop.
In de plantages van de vlakten van Apam, waar de maguey op groote schaal wordt gekweekt, belet men het bloeien. Zoodra de kegelvormige knop, waar de stengel uit voortkomt, zich vertoont, snijdt men dien af en men graaft er met een grooten lepel eene cilindervormige holte in uit, die vijftien of twintig centimeters diep is. In deze holte hoopt zich het sap op; men schept het er twee of driemaal daags met eene langwerpige kalebas, waarvan de Indianen zich in plaats van hevel bedienen, uit. Men berekent dat eene krachtige plant in vierentwintig uur ongeveer drie liters van een suikerachtig vocht—agua miel—zonder reuk en van een zuurzoeten smaak moet leveren.
Het agua miel wordt in ossenhuiden, die bij wijze van troggen op vier paaltjes zijn geplaatst, opgevangen. Er bezinkt eene witachtige stof, de vloeistof gist en na verloop van tweeenzeventig uren levert men het aan de liefhebbers, onder welken men een groot aantal Europeanen kan rekenen, af. Een Maguey-plant kan gedurende twee of drie maanden bewerkt worden.
De pulque is een dronkenmakende drank, waarvan de smaak afwisselt naar mate van den graad van gisting; men kan hem vergelijken bij een goeden appel- of perewijn; men zegt, dat degenen die er veel van gebruiken, vet worden.
Ik bereikte de hut van Coyotepec, waar Lucien reeds voor mij was aangekomen. Sumichrast had zijn werk af, en de Encuerado, te midden van een hoop gedroogde bladeren van den waaierpalm gezeten, bood mij een prachtigen hoed met breede randen aan.
De twee volgende dagen werden met jagen doorgebracht; weldra waren onze kisten vol en dichtgemaakt. Ik verklaarde aan Torribio, die met het aanbreken van den dag op reis dacht te gaan, op welke manier hij ze behandelen moest; vervolgens gaf ik hem brieven mede, die onze spoedige thuiskomst meldden. Lucien had aan zijne lieve Mama en zijn zusje Hortense geschreven en hij moest zijn brief wel twintigmaal opnieuw openen om er de post-scriptum's bij te voegen, die de Encuerado hem voorzegde.
Reeds des avonds namen wij afscheid van onzen gastheer. Door zijne welwillendheid hadden wij onzen voorraad rijst, koffie, suiker en maïskoeken vernieuwd. In plaats van zwarte peper, namen wij roode piment mede, maar de kostbaarste koop bestond in het kruit en de hagel, die wij tegen den verrekijker hadden ingeruild.
Vrijdagmorgen vernam ik, dat Torribio reeds op weg naar Puebla was. Hij was tegen middernacht op reis gegaan, teneinde de vlakte niet op het warmste van den dag te moeten doortrekken. Ik verhaastte ons eigen vertrek. Wij hadden goede hoeden, onze kleeren, met zacht leer versteld, gaven ons het uiterlijk van zindelijke bedelaars, waar wij ons evenwel weinig het hoofd om braken. Mijne schoenen en die van Sumichrast, stevig en bijna netjes opgelapt, waren evenveel waard als nieuwe en Lucien bezat nog een paar reserve-sandalen. Gringalet blafte vroolijk bij het zien van de toebereidselen, die wij maakten.
De kleine kolonie, die zich in gelid had geschaard om ons te zien vertrekken, begroette ons met hare zegewenschen. Ik drukte de handen, die mij werden toegestoken en vergezeld door den kindertroep, die den jongen reiziger omringde, begon ik het pad op te klimmen, dat ons in deze gastvrije oase had gevoerd. Op den top van den oever aangekomen, zwaaide ik met mijn hoed om Coyotepec opnieuw te groeten; de Encuerado schoot bij wijze van afscheidsgroet zijn geweer af en wij drongen den doolhof van cactussen in, ons in rechte lijn naar het Oosten richtende.
