XVII.
A. Nuyens translation
EEN GEFORCEERDE MARSCH.—DE ZWEMVOGELS.—DE KRUISDRAGENDE BLOEMEN.—PLANTAARDIGE ZEEP.—EEN SCHOTEL VAN DEN ENCUERADO.—DE SCHERMDRAGENDE BLOEMEN.—DE BLOEDZUIGER.—EEN ONVERWACHTE GAST.
De regen bleef bijna den ganschen nacht doorvallen, en tegen vier uur in den morgen werd ik bibberend wakker. Het was Hemelvaartsdag, en alvorens hij het vuur aanstak, hief de Encuerado een gezang aan en sprak een gebed uit. De koffie versterkte ons een weinig, en ieder nam zijne vracht op, om den voet van den berg te bereiken. Alvorens ik in het woud trok, wierp ik nog een blik op de nauwelijks doorzochte grot, waar zoovele geologische wetenswaardigheden bedolven bleven.
De zon vertoonde zich slechts bij tusschenpoozen door de grijze wolken, die door den Oostenwind met kracht werden voortgedreven. De grond, doorweekt door een regen, die reeds vier-en-twintig uren aanhield, maakte onzen marsch zeer moeielijk. Een ijzerhoudende en glibberige klei deed ons telkens vallen. Dit moeielijke terrein voerde onze kwade luim ten top, en besmeurde onze kleeren met groote roode vlekken; ik voor mij, verwenschte inwendig het reizen en vooral den regen.
Bij het verlaten van dit akelig ravijn, rolde Gringalet, die ongetwijfeld een wildspoor geroken had, zich woedend over den grond. Wij waren reeds ver toen hij bij ons terug kwam, overdekt met eene laag rooden oker, die hem het zonderlingste uiterlijk gaf, wat men zich slechts kan voorstellen. Het goede dier liep van links naar rechts, sprong en blafte, als of hij zich ten taak had gesteld ons te vermaken. Hij slaagde er ook in, en onze stap werd vlugger. Eene kleine vlakte, waar de zon ons met hare stralen overstroomde, bracht onze goede luim weer terug; onze kleeren droogden op en met de vochtigheid vervloog ook het onaangename gevoel, waaraan wij ten prooi waren.
Wij waren op het punt andermaal onder de hoornen te gaan, toen de Encuerado staan bleef.
»Wat beweegt zich daar?” vroeg hij.
—Herten,” antwoordde ik, na door mijn kijker gezien te hebben.
Iedereen ging zich achter de heesters verbergen, in de hoop dat een der fraaie dieren onder het bereik van een kogel zou komen. De Encuerado wilde herhaalde malen de vlakte omtrekken, maar ik verzette er mij tegen; de afstand was te groot. Een uur vervloog met naar de dieren te zien, die graasden, dartelden, elkander likten, zonder dat een enkele zich in onze nabijheid waagde. Ongeduldig over deze rol, trad Sumichrast uit zijn schuilhoek te voorschijn, en zoodra zij hem zagen, namen de herten de vlucht. Eigenlijk was deze halt niet nutteloos geweest; dank zij de hitte van de zon, was de grond meer begaanbaar geworden, en al neuriënde nam mijn vriend de taak op zich, ons verder te voeren.
De tijd voor het opslaan van het bivak was sedert lang voorbij en nog liepen wij door. Wij gingen over een vlakken bodem, die niet veel goeds voorspelde; het water uit de grot, waarmede wij onze veldflesschen gevuld hadden, had zulk een flauwen smaak, dat wij vurig verlangden eene bron te ontmoeten.
Daar ik den horizon niet kon onderzoeken, gelastte ik den Encuerado in een zeer hoogen boom te klimmen. De Indiaan bereikte den hoogsten tak, liet zijne oogen overal rondgaan en kwam vrij treurig naar beneden, want hij had niets bespeurd. De vermoeidheid dwong ons halt te houden. De hut werd gebouwd, het vuur aangestoken, en de pot met water en rijst gevuld. Geen onzer bezat den moed om op de jacht uit te gaan. De nacht brak trouwens aan, en Lucien begon te slapen. Een uur na het ondergaan der zon lagen wij naast elkander; de Encuerado had zijne aardnoten vergeten, en was ingeslapen, zonder het aangevangen gezang te kunnen ten einde brengen.
Ik werd wakker door het geschreeuw der zevenkleurige tangaras, eene soort vliegensnappers(29), die in troepen leven. Lucien beklaagde zich, even als wij, over een weinig stijfte in de gewrichten, een gevolg van onzen te langen marsch van den vorigen dag. De karavaan ging hinkende op weg, maar de aanwezigheid der vogels kondigde de nabijheid van een ravijn aan. Langzamerhand verdween de verdooving uit onze ledematen, wij trokken langs eene zachte helling naar omlaag, en de plantengroei nam een meer tropisch karakter aan. Onder het voortloopen merkte ik eenige peperstruiken op, daarna kwamen er heesters, waaruit duizenden kardinalen opvlogen. Door deze fraaie vogels met hun rood gevederte geleid, kwam ik onverwacht aan den oever eener beek, die zonder geraas over een bed van wit zand voortvloeide.
In een oogwenk verhief de haard zijne vlammen hemelwaarts. Vlinders, waterjuffers en vogels vlogen om de bloeiende struiken. Het was een waar concert van gegons en gekweel, een licht windje speelde door het gebladerte en verfrischte de lucht. Aan ons geluk ontbrak nog slechts een stuk wild. Nauwelijks waren wij gaan zitten om wat adem te scheppen, of eene vlucht eenden streek dicht bij ons neer. Een pletonsvuur verwelkomde hen, en vier slachtoffers bedekten den grond met hunne witte, bruine en blauwe veeren.
»Dat zijn de eerste zwemvogels, die wij ontmoeten,” sprak Sumichrast. »'t Zal niet lang duren of wij plassen in de moerassen.”
—Aan welke vogels zijn de eenden verwant?” vroeg Lucien.
—Aan de zwanen en ganzen, meester Zonnestraal,” antwoordde mijn vriend. »Alle vogels van deze orde hebben, zooals de naam van palmipeden(30), dien de natuurkundigen er aan geven, aanduidt, de teenen door een zwemvlies verbonden. De eenden, waarvan men in Mexico een groot aantal verscheidenheden kent, hebben een platten snavel; hun korte en naar achter geplaatste beenen maken dat zij waggelend loopen, maar met des te meer gemakkelijkheid zwemmen.
—Maar hoe kunnen zij met zulke voeten op de boomen zitten?
—De eenden gaan niet op boomen zitten, zij brengen den dag door met in het water te plassen, en slapen achter het riet verborgen.
—Dan moeten zij altijd nat zijn.
—Toch niet; de natuur heeft de veeren van de zwemvogels met een soort olieachtig vernis overdekt, dat ze ondoordringbaar voor water maakt. De eenden vereenigen zich tot groote vluchten, vliegen met groote gemakkelijkheid, en gaan, al naar de jaargetijden, van het eene gewest in het andere over. Zij zijn zoo talrijk op de wateren, die de stad Mexico omringen, dat de jagers ze aan de Indianen overlaten.”
Terwijl de Encuerado het middagmaal gereed maakte, nam ik mijne makkers mee naar den oever der beek. Weldra ontdekten wij waterkers, eene gelukkige vondst voor reizigers, wien het vleesch begint te vervelen. Lucien onderzocht de witte kruisvormige bloemen van de kostbare plant, welke vorm aan de geheele familie den naam van kruisbloemigen (cruciferen) heeft verschaft; deze gewassen bevatten eene scherpe en vluchtige olie, die haar tegen de scheurbuik doet gebruiken. De kool (brassica oleracea), de raap (br. rapae), de radijs (raphanus sativus) en de mosterd (sinapis alba), zijn bladen, wortels of zaden van kruisbloemige planten. Bij deze lijst zou men nog kunnen voegen de rammenas en de colza, waarvan het zaad eene goede lampolie oplevert, de steenraket of zangerskruid, een volksgeneesmiddel, in Frankrijk tegen de verkoudheid aangewend, de herdersbeurs, waarvan de Mexicanen een afkooksel maken om wonden mede te wasschen, het lepidum piscidium, door de inboorlingen van Oceania gebruikt om de visschen te verdooven, ten einde zich er gemakkelijker meester van te kunnen maken.
—Gij vergeet het lepelblad, zoo nuttig voor de zeevarenden, ter bestrijding van de scheurbuik,” voegde Sumichrast mij toe.
—Gij hebt gelijk, maar ik geloof dat ik er genoeg van gezegd heb, om meester Zonnestraal de kruisdragende planten niet meer te doen vergeten.
Eenige schreden verder deinsde Lucien, die een heester genaderd was om insecten, die onder de bladeren verborgen konden zijn, te zoeken, verbaasd terug, toen hij zag dat de heester bedekt was met fraaie boomkikvorschen (hyla viridis). In plaats van in het water te gaan, vluchtten zij het bosch in. Sumichrast verklaarde aan den jongen jager, dat de boomkikvorschen, waarvan de teenen in slijmachtige schijven eindigen, zich door deze inrichting aan de bladeren en zelfs aan gladde voorwerpen kunnen vasthouden.
»In Europa,” voegde hij er bij, »doet men ze in flesschen, die half met water gevuld zijn, en de boeren beweren dat het dier goed of slecht weer voorspelt, naar gelang het buiten het water blijft of er zich indompelt. De boomkikvorsch, evenals hare zuster, de waterkikvorsch, begraaft zich des winters in het slijk en blijft daar in verdoofden toestand. Deze soort van slaap, die haar in de koude luchtstreken voor den honger moet vrijwaren, moet in Mexico, waar zij altijd haar voedsel vindt, eene andere oorzaak hebben. De huid van den boomkikvorsch scheidt een vergif af.
—Kom eens hier,” riep Lucien eensklaps, »daar staat een appelboom.
Ik liep naar hem toe, en vond er een heester van ongeveer vier meter hoogte, bedekt met geelachtige, roodgevlekte vruchten, zooals de api-appeltjes. Ik herkende den boom, dien de Mexicanen zeepboom noemen. De ontdekking kwam goed van pas en Sumichrast hielp ons de vruchten te verzamelen, die ons in staat zouden stellen, om onze kleeren eens goed te wasschen. Lucien wilde de kleine appels, die doorschijnend zijn als vruchten van was, proeven, maar de samentrekkende smaak beviel hem niet, zoodat hij ze vol afkeer weg wierp.
Een kwartier later lagen wij op den boord der beek geknield, en wieschen wij om 't best ons linnengoed. De vruchten van den zeepboom geven een overvloedig schuim, en de wasch laat niets te wenschen over. In het Gematigde Land vervangt een wortel, amoli genoemd, de zeep; in het Warme Land bedient men zich van een knolgewas, amolito geheeten, in het land der Misteken of de provincie Oajaca vinden de arme lieden eene natuurlijke zeep in de schors van de quillaja saponaria, een boom uit de familie der roosachtige gewassen.
Europa bezit ook eene plantaardige zeep, de Saponaria of het Zeepkruid, een klein plantje, dat aan de anjelieren verwant is en waarvan de roode bloempjes langs de kanten van sloten staan. De huisvrouwen bedienen er zich van om zijden stoffen te wasschen, en de verlepte kleuren weer helder te maken.
Uitgerust en opgefrischt, gingen wij bij het vuur liggen, met een stuk gebraad met waterkers en eene eend met rijst, door piment gekruid, in 't verschiet. Bij het eerste hapje trok ik een leelijk gezicht, waaraan Sumichrast, door eene soortgelijke betuiging, beantwoordde. De rijst had een ongenietbaren aromatischen smaak. De Encuerado zag ons zegevierend aan.
»Wat drommel hebt ge toch in het eten gedaan?” riep ik uit.
—Niet waar, Tatita, dat is lekker?
—'t Is afschuwelijk, ge hebt ons vergeven.
Ik had den reuk van eene soort van koriander, waarmede de Indianen, als zij er toe in de gelegenheid zijn, hunne spijzen kruiden, herkend. Sumichrast was, evenals ik, in de eerste beet blijven steken; Lucien evenwel, die een weinig de voorkeur van den Encuerado voor de culantro deelde, smulde. Ons maal bestond derhalve slechts uit een gerecht; ik liet aan de twee vrienden de in rijst gekookte eend over en vergenoegde mij met het gebraad.
De Indiaan, die meende dat wij liever de versche plant hadden dan de andere, die door het kooken veel van haar geur verloren had, bood ons er eenige stengels van aan. Hij was evenwel slechts ten halve schuldig; wij aten dikwijls met genoegen van zijne nationale keuken en onze tegenzin voor de kruiderij, die door zijne landgenooten het meest op prijs wordt gesteld, mocht hem dan ook met het volste recht verbazen.
Gringalet raakte de gekookte rijst met de punt van de tanden aan en rolde zich woedend over de takjes koriander, die op den grond waren blijven liggen, waardoor zijn fraai toilet wel wat bedorven werd. Ik nam mijne makkers mede naar den oever der beek, en bracht ze weldra te midden van een geheel boschje van het stinkende gewas. Ik nam de vlucht. Sumichrast, moediger dan ik, gunde zich den tijd om aan Lucien te verklaren, dat deze talrijke familie, die men schermdragende planten (umbelliferae) noemt, omdat de bloemen als een scherm (umbella) geplaatst zijn, de selderie, de peterselie, den wortel, de pastinake, de anijs, de angelica en twintig andere planten omvat, waarvan de reuk alleen voldoende is om de verwantschap te herkennen. Door insnijdingen te maken in de stengels van twee schermdragende planten, verkrijgen de inboorlingen den opoponax en het galbanum, twee gomsoorten, waarvan zij pleisters maken tegen de maagpijn.
De Assa-foetida of het duivelsdrek, waarvan de reuk zooveel aantrekkelijks heeft voor de Indianen der beide halfronden, is ook een voortbrengsel van een schermdragend gewas.
Dicht bij het water gezeten, zagen wij, dat eene kleine baai zich met visschen vulde. Lucien ging het vlindernet halen en de Encuerado trachtte ze er mee te vangen. Hij kreeg evenwel maar vier of vijf kleine vischjes, die hij weer in het water wierp, benevens een anderen visch, van een aanhangsel aan den staart voorzien, waar wij met al onze wetenschap niet uit wijs konden worden. Ik beschouwde hem langen tijd; het lichaam, dat eene bruine kleur had, door twee gele strepen geteekend, was doorschijnend. Ik zou aan eene afwijking van den gewonen vorm gedacht hebben, ware het niet dat verscheidene, geheel gelijke voorwerpen, op dezelfde plaats rondzwommen. Ik wierp het half doode dier weer in 't water, het zonk, kwam weer naar boven, bewoog zich een weinig en was op 't punt weer weg te zwemmen, toen een dikke bloedzuiger zich aan zijne zijde vasthechtte.
Sumichrast ving het vischje opnieuw op en pakte den bloedzuiger, eene geelachtige soort en van gemiddelde grootte, vast.
»Onder welke dieren zoudt gij dezen rangschikken? vroeg hij aan Lucien.
—Onder de kruipdieren, waarop hij in 't klein gelijkt.
—Dan zoudt ge u vergissen; hij behoort tot de anneliden of geringde dieren. Merk wel op, dat het lichaam uit ringen gevormd is, zooals dat van den aardworm. De bloedzuiger heeft aan elk der uiteinden van het lichaam eene zuignap, waardoor hij zich stevig aan de voorwerpen, welke hij ontmoet, kan vastzuigen. Eene dezer zuignappen, die van den kop, welken hij op 't oogenblik lang uitstrekt, is van binnen van drie scherpe tanden voorzien, die hem in staat stellen om de huid te doorboren van het dier, waaruit hij het bloed wil zuigen. Al zwemt de bloedzuiger ook met veel snelheid en golvend, zooals de slangen, zoo merkt gij toch op, dat hij op uwe hand alle levendigheid verloren heeft. Hij kan niet vooruitkomen, dan door zijne twee uiteinden bijeen te brengen en de tijd, dien hij daartoe noodig heeft, veroorlooft hem buiten het water slechts langzaam vooruit te komen.
—In mijn land,” zeide de Encuerado, »vangt men de bloedzuigers in de moerassen. Zij, die zich op deze vangst toeleggen, wroeten in het slijk en komen er dan gewoonlijk uit, het lichaam geheel met bloedzuigers bedekt.
—Laten zij zich dan steken?
—Neen, Chanito, althans niet vrijwillig, want de steek van deze bloedzuigers laat eene jeukte na, die minstens vier-en-twintig uren duurt.
—Daarom hebben rijke lieden er ook niets op tegen, om de Europeesche bloedzuigers, die niet dezelfde onaangename eigenschap hebben, duur te betalen,” antwoordde ik.
De zon begon lager te staan; honderden vogels verzamelden zich op den oever der beek. Gele, blauwe, groene en roode vleugels zwierden in alle richtingen door de lucht. Wij keerden naar het bivak terug, telkens staan blijvende om de groote verscheidenheid in gevederte en gezang te bewonderen. Daar waren goudvinken van een violetkleurig zwart, met oranjen buik en den kop en wangen met blauwe veertjes versierd; dikbekken, met goudkleurige keel; meesjes met azuurblauw en wit getooid, welke de Mexicanen primeveren (eerstelingen van de lente) noemen. Een troepje centzontles—duizendstemmen—kweelden liederen, die een nachtegaal waardig zouden zijn.
De zon, achter gouden wolken verborgen, overgoot de boomen en struiken met een zacht licht. Allengs zwegen de stemmen; de beek alleen murmelde, terwijl vogels over ons heen vlogen om de bergen te bereiken. Het werd duister in 't Oosten; de sterren begonnen éen voor éen aan den donkeren hemel te schitteren, en levende vonken glinsterden in de struiken. De nacht was reeds aangebroken en nog meende ik een geruisch van vleugels, gebladerte en stemmen te hooren; onbestemde geruchten, die het oor bekooren, terwijl het oog overal stralen ziet, die den geest tot God verheffen.
Ik sliep reeds meer dan twee uren, toen het geblaf van Gringalet mij plotseling deed opspringen. Ik was even spoedig als mijne makkers, die verontrust waren door eene beweging in het gebladerte, op de been. Het werd weer stil en ik begon reeds aan een valsch alarm van den hond te denken, die evenwel niet ophield met grommen. Ik wilde opnieuw gaan liggen, toen Sumichrast mij zijne hand op den schouder legde; de kop van eene monsterachtige slang gleed over den grond, en het lichaam, dat ongeveer vijf meters lengte had, ontrolde zich langzaam voor den haard.
Ik herkende de zwarte slang der suikerplantages, alleen te vreezen om hare grootte, en die de planters op hunne velden lokken, welke zij van schadelijke knaagdieren zuivert. De nabijheid van zulk een gast had niets opbeurends, want degene onzer, dien hij in zijne kronkels had genomen, zou zonder veel moeite plat gedrukt zijn. Wij wisten niet al te goed wat te doen; terugtrekken zou wellicht den vijand aanlokken zijn en als wij schoten, zonder hem doodelijk te verwonden, zou onze onhandigheid ons aan de grootste gevaren bloot stellen. Ik hield Gringalet tegen, want het zien daarvan kon de lust van de slang opwekken, terwijl de Encuerado zonder geraas de hut verliet. De slang hief den kop op en haalde hare ringen nauwer aan, sloeg haar flikkerend oog, waarin de vlam van het vuur weerkaatste, rond, en wendde zich naar onzen kant toe. Sumichrast maakte zich gereed te schieten, toen een schot weerklonk; ik meende een vreemden, onmogelijk te omschrijven kreet te hooren, daarna stortte het dak van de hut onder vreeselijke schokken ineen.
Er ontstond een oogenblik van verwarring; de gewonde slang was over ons heengegaan. Ik maakte mij zoo spoedig mogelijk uit de takken los, terwijl ik den verbaasden Lucien beschermde en achteruit trok. Toen ik mij omkeerde, zag ik Sumichrast naar den Encuerado toegaan, die, nog met zijn machete in de hand, de slang in drie stukken had gehouwen. Het ware gevaarlijk geweest deze stukken, die over den bebloeden grond wentelden, en waarvan er een in den haard terecht kwam en dien uitwierp, te naderen. De jager stelde alle pogingen in 't werk om de afgesneden deelen te beletten weer bij elkander te komen; hij meende, zooals trouwens alle Indianen doen, dat de brokstukken van het dier zich van zelf weer tot een geheel vereenigen. Ik beken, dat men geneigd zou zijn aan dit volksbijgeloof waarde te hechten, als men ziet, hoe twee gedeelten van eene slang zich ineenrollen, tegen elkander wrijven, zich omkronkelen, alsof een geheim instinct het dier aanspoorde om eene verbinding te zoeken, welke het leven er aan moest teruggeven.
Door hunne blinde bewegingen verdwenen de brokstukken van de zwarte slang eindelijk in het struikgewas. Ik onderzocht Gringalet van kop tot teen; onze waakzame reismakker had, even als wij, eenige kleine kneuzingen van weinig beteekenis.
»Drommels, drommels! riep Sumichrast. Wij hebben ons niet zeer moedig gedragen. In plaats van ons bang te maken, hadden wij stilletjes moeten blijven liggen, de slang zou ons niet aangevallen hebben en ons dak zou ons nog beschutten.
»Eind goed al goed, hernam ik lachende; maar ik moet toestemmen dat wij aan meester Zonnestraal, die in 't vervolg voor alle slangen bevreesd zal zijn, een beter voorbeeld hadden kunnen geven.
Toch niet, zeide Lucien, als ik ze maar niet alleen tegenkom. En met de zorgeloosheid aan zijne jaren eigen, sliep hij weer in. Alvorens dit voorbeeld te volgen, wakkerde de Encuerado het vuur wat aan en maakte hij een compliment aan Gringalet, die hem in 't gezicht likte. Deze vrijmoedigheid haalde hem eene les in de beleefdheid op den hals, waarvan ik het einde niet hoorde.
