← Table of contents
Lotgevallen van een jeugdigen natuuronderzoeker

XXXIV.

A. Nuyens translation

VERTREK.—DE SAVANNE.—DE DRAAGBAAR.—VERDWIJNING VAN DEN ENCUERADO.—WIJ LATEN JAUNET EN VERDET AAN HUN LOT OVER.—MEESTER JOB WORDT TER DOOD VEROORDEELD.

De Encuerado liet ons een gat in den dag slapen. Het den vorigen dag gedoode wild, door de roofdieren half afgeknaagd, gaf reeds een weinig aanlokkelijken geur af; maar de Indiaan was op de kreeftenvangst gegaan en de opbrengst was voldoende om ons te verzadigen. Nu werd de moeilijke vraag over het vertrek opgeworpen. Sumichrast wilde eene schuinsche richting inslaan, om te trachten prairieën te bereiken waar het gras minder hoog was dan dat, hetwelk wij voor oogen hadden en waar de aanwezigheid van heesters den marsch minder eentonig zou maken. De Encuerado was van een tegenovergesteld gevoelen; volgens hem moesten wij maar flinkweg de Savanne in de geheele lengte doortrekken; dat was wel een moeielijke marsch van drie of vier dagen het hoofd bieden, maar men zou althans het doel bereiken, want over het algemeen worden de prairieën van 't Noorden naar 't Zuiden smaller. Ik deelde het gevoelen van den Indiaan en onze bewijsgronden overtuigden onzen metgezel.

Zoo zonder beschutting en beladen als wij waren onder de stralen van een loodrecht staande zon te loopen, zou eene zinneloosheid zijn geweest. Ik besloot derhalve dat wij eerst tegen den avond zouden opbreken en dat wij slechts des nachts zouden reizen. Lucien was daarover in de wolken.

De Encuerado maakte lange staken, die, in den grond gestoken zijnde, dienen moesten om de huiden op te doen rusten en zoo eene soort van tent te vormen. De bagage werd gelijkelijk verdeeld en alle nuttelooze ballast weggedaan; ik telde onze maïskoeken, die ons eenig voedsel zouden uitmaken. Zonder ons al te zeer op rantsoen te moeten stellen, hadden wij gelukkig nog voor acht dagen levensmiddelen. Het water maakte ons het meest bezorgd. De waterflesschen werden tot aan den hals gevuld en luchtdicht gesloten. De Encuerado stelde toen voor nog wat kreeften te vangen; die dieren hebben een taai leven en vijf of zes dozijnen waren voldoende om ons twee of drie maaltijden te verschaffen.

Het voorstel van den Encuerado werd met algemeene stemmen aangenomen; hij bracht ons op den oever der beek, op een plek, waar hij 's morgens stukken vleesch had neergeworpen. De kreeften hadden zich in menigte om dit lokaas verzameld; Lucien en zijn vriend vingen er eene groote hoeveelheid van. Een tatoe, door Sumichrast gedood, kwam in den pot, waar de rijst reeds kookte; daarna ging men in de schaduw liggen om zich tot den eersten dagmarsch voor te bereiden.

Tegen vier uur werden wij door den Encuerado geroepen. Het middagmaal werd zeer vroolijk gebruikt; men sprak over niets anders dan over de thuiskomst; het was, alsof wij reeds aan ons einddoel waren. Ik bood den gasten een druppeltje cognac aan, dat op mijne gezondheid gedronken werd—welke beleefdheid ik moest beantwoorden door opnieuw de kostbare flesch te ontkurken. Als men ons zoo over de doorgestane beproevingen hoorde praten, zou men een oogenblik hebben kunnen meenen, dat Orizava achter den heuvel lag, welke boven de beek uitstak. De ondergaande zon riep ons tot de werkelijkheid terug. Iedereen nam zijne vracht op en Sumichrast trad het eerst tusschen het hooge gras, van nabij door Lucien gevolgd.

»Welnu, meester Zonnestraal, nu zijt gij even goed verborgen achter deze dorre halmen als in een woud. Zijn uw laarzen goed ingesmeerd? Gij weet dat wij gedurende een paar weken door deze vlakten moeten marcheeren.”

»Waar zijn dan de wilde stieren en paarden?”

—God geve, dat wij ze spoedig mogen ontmoeten; in de eerste plaats omdat zij ons den weg naar de poelen en rivier zullen wijzen, waar zij hunnen dorst lesschen en ten tweede, omdat zij ons, zoo noodig, eene goede schotel zouden bezorgen.

—Valt er dan in de Savannen niets te jagen?

—Niet als het gras zoo hoog is. De dieren wagen zich niet in deze eenzaamheid, tenzij een boschje hen mocht aantrekken.

—En de vogels?

—Die zullen niet te voorschijn komen voor en aleer het gras kort bij den grond zal groeien, uitgezonderd de roofvogels, die misschien boven ons zullen zweven als boven eene prooi.

Gringalet, die verplicht was in het pad te blijven, dat door Sumichrast gemaakt was, scheen geheel teleurgesteld, dat hij niet als naar gewoonte links en rechts kon rondspringen. Ik merkte op dat hij van tijd tot tijd jankte en achterwege bleef.

»Is de Encuerado dan aan 't hoofd van den troep?” vroeg ik mijn vriend.

—Neen, ik open den marsch.

—Ohé! Ohé! riep ik.

—Hioe, hioe, antwoordde in de verte de stem van den Indiaan, die na vijf minuten weer bij ons was en door Gringalet met liefkoozingen werd overladen.

—Zijt gij van plan om te verdwalen? Wat is er gebeurd?

—Niets, Tatita niets; dat wil zeggen, dat gij 't wel zult zien...., als 't lukken wil...

—Wat?

—Dat zult gij wel zien,” hernam de Indiaan, knipoogende en bij zich-zelven lachende.

Hij ging nu weer achter Lucien loopen.

Gedurende meer dan een uur werd er geen woord gewisseld; wij liepen in een halfdonker voort en onze stemmen, waarmede wij beurt om beurt Gringalet riepen, bewezen ons, dat wij allen bijeen waren. De maan kwam uit de wolken te voorschijn; maar verloren tusschen het reusachtig gras, liet de beperkte horizon ons niet toe, de wonderbare lichteffecten, die zij moest voortbrengen, te aanschouwen.

Jaunet en Verdet werden twee- of driemaal wakker en begonnen te keuvelen; zij werden zoo luidruchtig dat Sumichrast zich omkeerde.

»Wat drommel vertellen uwe papegaaien toch?” vroeg hij den Indiaan.

—Ik heb het maar half verstaan,” antwoordde de Encuerado »maar wat zouden zij anders kunnen zeggen, dan dat wij moesten slapen, in plaats van in de maneschijn te wandelen?

—En zegt gij hun dan niets terug?

—Waartoe zou dat dienen? Ik heb hun gisteren alles aan 't verstand gebracht,—des te erger voor hen als zij 't niet begrepen hebben.”

De marsch werd voortgezet; meester Job, die op mijn arm sliep opende slechts de oogen om van plaats te veranderen.

Illustration from Lotgevallen van een jeugdigen natuuronderzoeker

Lucien begon hen opnieuw de namen van Hortense en Emile voor te zeggen. (blz. 305)

»Sla een weinig rechts af! Tatita Sumichrast,” riep de Encuerado eensklaps uit.

—Waarom dat?

—Zie maar eens achter u.

Ik keek om, en in de verte bemerkte ik het schijnsel van een groot vuur. De Indiaan had van onzen slaap gebruik gemaakt om op den top van den heuvel eene groote houtmijt op te richten en bij het vertrek was hij in gebreke gebleven haar in brand te steken. Lucien zag, op den schouder van Sumichrast gezeten, een zwaren rook ten hemel stijgen; plotseling schoten heldere vlammen te voorschijn en weerkaatsten zich, zonderling genoeg voor ons, als op de oppervlakte van een meer. Onze marsch werd, dank zij dit richtpunt, zekerder; maar allengs verminderde het vuur en weldra zagen wij niet meer dan eene rookzuil die, daar er geen wind was, recht omhoog steeg.

Wij marcheerden zonder ophouden gedurende meer dan vijf uren; ik stelde eene halt voor. Wij behoefden ons slechts op het gras uit te strekken om een zacht bed te vinden, en Lucien sliep spoedig in. Lang voor het aanbreken van den dag wekte de Indiaan ons, en na goed zijne richting te hebben genomen, voerde hij ons aan. Niettegenstaande de half geuite klachten van Lucien, werd de marsch met kracht hervat. Bij den eersten zonnestraal klom ik op de schouders van Sumichrast, om den horizon te onderzoeken. Rechts bespeurde ik de blauwachtige, door den vulcaan beheerschte bergen; en verder om ons heen eene effene vlakte, die door den morgenwind bewogen werd. De in den grond gestoken staken ondersteunden de aaneen bevestigde tijgervellen. Er werd eene groote oppervlakte ruim gemaakt en een in den grond gemaakt gat diende voor haard. Onze kreeften waren goed versch gebleven. Terwijl de Encuerado ze in het gat roosterde, bewaakte ik met Sumichrast de richting van de vlam, want voor onze veiligheid moesten wij zorg dragen de Savanne niet in brand te steken. Door onze waakzaamheid gelukte het ons het vuur binnen zijne perken te houden, maar de half verkoolde kreeften smaakten zoo naar den rook, dat ik dacht, dat wij ze niet zouden kunnen eten. Een weinig piment hielp evenwel om ze door te slikken, en toen het uur van rusten daar was, werd het vuur zorgvuldig uitgedoofd.

Ik werd tegen den middag wakker, half geblakerd door de zon, die de schaduw had verplaatst. Ik schudde mijne makkers wakker, opdat zij van plaats zouden veranderen, en Lucien, die de opvoeding zijner papegaaien niet wilde verwaarloozen, begon hun opnieuw de namen van Hortense en Emile voor te zeggen. De warmte deed ons bijna stikken en ik raadde den knaap aan, opnieuw te gaan slapen.

Bij het ondergaan der zon vatte de Encuerado zijne mars weer op en nam de voorhoede in. Deze tweede nacht ging evenals de eerste voorbij en wij hadden minstens acht mijlen afgelegd. Lucien kon niet meer, zoodat wij een weinig voor het aanbreken van den dag moesten kampeeren. De gerookte kreeften maakten andermaal onzen maaltijd uit; Jaunet en Verdet beklaagden zich, naar het zeggen van den Encuerado, dat zij niets anders dan palmnoten te knabbelen kregen. Meester Job nam zonder tegenstand de kreeften aan en peuzelde ze op, zonder ze van de schaal te ontdoen.

De derde nachtmarsch, door vijf of zes halten onderbroken, werd tot den ochtendstond voortgezet.

Bij de eerste schemering onderzocht ik opnieuw den gezichteinder;—nog altijd de blauwachtige bergen aan de rechterhand, en verder overal de eenzame, doodsche vlakte. Dien dag moest men zich met maïskoeken tevreden stellen; maar de hoop, dat wij eindelijk het bosch zouden bereiken, beurde zelfs onzen kleinen reisgezel op. »Nog een nacht,” herhaalden Sumichrast en de Encuerado, »en rust en overvloed wachten ons.”

De vierde marsch was veel moeielijker, vooral voor den armen Lucien, die soms hinkte. »Wij zullen spoedig boomboschjes en kudden ontmoeten,” sprak Sumichrast tot hem; »'t is onze laatste beproeving. Na zoo dapper de groote wouden doortrokken te zijn, zult gij u toch zeker niet door de savannen willen laten overwinnen.”

—»Neen,” antwoordde de wakkere knaap; »ik zou zelfs vlugger willen vooruitkomen als ik kon; ik weet dat ik mijne lieve moeder zal weerzien; maar mijne voeten doen zoo'n pijn.”

—He, Chanito, gij hadt niet gedacht dat de savannen zoo groot waren?

—»Noch zoo droevig,” antwoordde Lucien.

De dag brak aan. Ik peilde opnieuw den gezichteinder, zonder iets anders te zien dan hemel en gras. »Ik vrees, dat wij op een verkeerden weg zijn,” sprak ik tot den Encuerado, »God geve, dat wij niet gedurende drie dagen op goed geluk af ronddraaien.”

—Neen, Tatita, de vulkaan is altijd rechts.

—»Op den afstand, waarop wij er ons van bevinden, kunnen wij twintig mijlen afwijken, zonder er erg in te hebben.”

De Indiaan klom op zijne mars en onderzocht nauwkeurig de gedaante van de bergen.

»Wij zijn op den goeden weg,” sprak hij met overtuiging, »de savanne is lang, dat is alles.”

De verzekering van den Encuerado stelde mij slechts ten halve gerust. De voeten van Lucien kwamen vol blaren; hij kon niet langer de groote marschen volhouden, die wij verplicht waren te doen. Dat loopen in de eenzaamheid en de duisternis vermoeide hem buitengewoon. Een weinig voor het aanbreken van den nacht, maakte ik den armen jongen wakker en nam hem bij de hand; hij kon zijne voeten nauwelijks neerzetten. Eensklaps bemerkte ik, dat hij schreide; ik nam hem op mijne armen en daar viel hij in slaap.

Het was nauwelijks tien uur in den avond; ik kon er niet toe besluiten een nacht te verliezen en onder de stralen van een rechtstaande zon konden wij niet op den dag marcheeren. De Encuerado maakte met behulp van de riemen en staken, die dienden om onze tent te ondersteunen, een draagstoel van eene nieuwe soort, waarop wij den knaap lieten zitten. Sumichrast vatte de stokken, teneinde mij onzen lieven reismakker te helpen dragen. Dien nacht verrichtten mijn vriend en ik wonderen, wij moesten honderdmaal stilstaan, om de verdooving uit onze armen te verdrijven, maar wij hadden verscheidene mijlen afgelegd. De dageraad brak nauwelijks aan, of ik ondervroeg weer den gezichteinder:—helaas! er was niets veranderd; ik bemerkte slechts troepen zwarte gieren en hunne tegenwoordigheid scheen mij niets goeds te voorspellen.

Sumichrast, die de staken in den grond had geslagen, om de tijgerhuiden er over te hangen, wierp zijn machete naar den kant van de mars toe. Bij het neervallen stiet de punt van het wapen tegen de reserve-waterflesch, die barstte, zoodat de inhoud er uitvloeide. De Encuerado uitte een kreet en zag ons met vertwijfeling aan,—dit ongeval maakte onzen toestand bijna wanhopig. Sumichrast ging met het hoofd in de handen zitten en scheen zoo terneergeslagen, dat ik hem trachtte op te beuren.—Ik ging naast Lucien liggen, wiens voeten hoe langer zoo meer opzwollen; na eene korte rust genomen te hebben, stelde ik voor den weg te hervatten en de zonnestralen te trotseeren; maar deze onzinnige onderneming moesten wij weldra opgeven.

Bij de eerste schaduw de beste nam de knaap weer op de draagbaar plaats. Treurig omdat hij zich niet op de been kon houden, leed hij onder onze inspanning en omhelsde hij ons telkens, als wij staan bleven om adem te scheppen. Wij drukten hem in onze armen en omhelsden hem; deze liefkoozingen hernieuwden onzen moed. Niettemin was deze nacht nog moeielijker dan de vorige; de dorst kwelde ons, en het voedsel, waartoe wij veroordeeld waren, herstelde slechts ten deele de verloren krachten. Evenals den vorigen dag, werd de gezichteinder met koortsachtigen angst onderzocht en ook nu nog bespeurden onze blikken niets dan de uitgestrekte vlakte.

Wij hielden raad; helaas! er bestond slechts één redmiddel om uit onzen toestand te geraken: n.l. loopen.

»Zullen wij dan verplicht zijn meester Job op te eten!” had de Encuerado gevraagd.

Lucien had zijne armen naar het ongelukkige dier uitgestrekt, als om het te beschermen. Ik had het voorstel van den Indiaan ook verworpen; maar ik moest bij mij zelven bekennen, dat wij binnen vier en twintig uren tot dat uiterste zouden gedwongen zijn.

Het was de 21 Juni, juist twee maanden nadat wij Orizava hadden verlaten en op het punt waren van thuis te komen. Toen wij meenden van alle ernstige ongevallen bevrijd te zijn, kwam die eindelooze savanne hare woeste vlakte voor ons uitbreiden. Wij werden zichtbaar mager en het water, dat ons overbleef, werd druppelsgewijze door Lucien opgedronken. Nog één dag, en onze maïskoeken zouden op zijn en wat hielp ons onze rijst zonder water? De vermoeidheid overwon onze bezorgdheid en wij sliepen in.

Ik werd tegen vier uur in den middag wakker; ik klom op de mars om de ruimte te overzien en riep daarna den Encuerado. Weldra voegden de stemmen van Sumichrast en Lucien zich bij de mijne, om den naam van den Indiaan te herhalen,—vergeefsche moeite, ons schreeuwen bleef zonder antwoord. Ik klom op de schouders van Sumichrast; voor mij was het gras door eene voor doormidden gesneden. Dat was de weg, dien onze makker zich gebaand had, die, wij konden er niet meer aan twijfelen, van onzen slaap gebruik had gemaakt om zich met Gringalet te verwijderen.

»Dat is onmogelijk!” riep ik uit, op eene zwijgende ondervraging van mijn vriend antwoordende; »neen, de Encuerado kan ons niet in den steek hebben gelaten!”

De geheele nacht ging in wachten voorbij, de Indiaan had zijn geweer meegenomen en ik begon te vreezen dat hij, bij het zoeken naar een buit, in de vlakte verdwaald was geraakt. Wij luisterden zonder ophouden toe; ik schoot herhaalde malen mijn revolver af; maar de knal stierf zonder echo weg. De dag brak aan.

Gedurende twee uren beschreef ik groote kringen om ons kamp, vreezende dat de Encuerado misschien in een gat kon gevallen zijn; maar in dat geval zou het blaffen van Gringalet ons gewaarschuwd hebben. Een vlug besluit was onvermijdelijk. Lucien, die twee dagen had uitgerust, moest, het kostte wat het wilde, loopen. De bagage werd op goed geluk af op eenen hoop bijeengezet; ik gaf Jaunet en Verdet de vrijheid, en liet den armen vogels den zak rijst, dien wij niet konden medenemen. Daarna maakten wij ons, met onze geweren en helaas! bijna ledige veldflesschen beladen, gereed om ons te verwijderen, zonder dat wij den moed hadden Lucien, die meende dat wij zijn vriend te gemoet gingen, uit de dwaling te helpen. Na den horizon onderzocht te hebben, plaatste ik meester Job op mijn schouder en opende ik voor mijne makkers den weg.

Illustration from Lotgevallen van een jeugdigen natuuronderzoeker
Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings