← Table of contents
Lotgevallen van een jeugdigen natuuronderzoeker

XXI.

A. Nuyens translation

BLANKEN EN ZWARTEN.—WIJ WORDEN SCHRIJNWERKERS.—DE ENCUERADO GAAT PREEKEN.—DE WAAIERPALMEN.—DE ADVOCAATBOOM.—DE KOESKOES.—DE GIER.—EENE MOEIELIJKE ONDERHANDELING.—DE ENCUERADO BAL-ONDERNEMER.

De woning, zoo edelmoedig te onzer beschikking gesteld, was eene ruime loods, door wanden van bamboe in drie vertrekken verdeeld. Op den grond uitgespreide matten dienden voor bed; het verdere huisraad bestond uit twee bankjes. De Encuerado veegde eene der kamers uit en richtte voor ons eene slaapstede in, veel zachter dan wij sedert een twintigtal dagen hadden gebruikt. Een troep kinderen van beider kunne, in 't kleed der onschuld gehuld, maakte een kring om ons en volgde onze bewegingen met verbaasde blikken. Ik heb nog vergeten te gewagen van een half dozijn honden, bij welke de tegenwoordigheid van Gringalet in den beginne eene soort van razernij had opgewekt; maar weldra vergenoegden zij zich nog maar met brommen, als de indringer in hunne nabijheid kwam.

Toen ons goed in de loods was gebracht, ging ik op eenige schreden van de hut op eene hoogte zitten, van waar men de beek overzag. Sumichrast vervoegde zich bij mij, met eene uit tabaksbladeren gerolde sigaar in den mond. Langzamerhand begon de zon lager te staan, de kinderen begonnen in onze nabijheid te spelen en plasten in het kristalheldere water. Ik spoorde Lucien, die van begeerte verging om eveneens te doen, aan hen na te volgen. Nauwelijks had hij zich ontkleed, of de jonge Indianen, die hem met eene zichtbare nieuwsgierigheid hadden aangestaard, barstten in lachen uit en kakelden onder elkander als jonge papegaaien.

»Waarom lachen zij toch zoo hard, als zij mij aanzien?” vroeg Lucien aan den Encuerado.

—Om uwe blanke huid; wat wilt gij er aan doen? Zij hebben er nooit eene van die kleur gezien.

—Vinden zij die dan zoo belachelijk? vroeg Sumichrast op zijne beurt.

—»Een beetje,” hernam de Indiaan, »maar maak u daar niet ongerust over, Chanito; 't is in elk geval uwe schuld niet.

Ons lachen paarde zich toen aan dat der jonge Indianen en was oorzaak, dat er zich tusschen Sumichrast en mij een lang gesprek ontspon. De Encuerado, dien wij meenden dat ons om onze blanke huid benijdde, beklaagde ons dus, evenals hij door de Nubiërs beklaagd zou worden, omdat hij slechts eene koperkleurige huid bezat.

»Maar,” sprak Lucien, die bij ons was gekomen op het oogenblik toen het gesprek begon, »waarom hebben niet alle menschen dezelfde kleur? Waar ligt dat aan, mijnheer Sumichrast.”

—Aan den invloed van het licht, dat het pigment meer of minder kleurt, mijn vriend.

—Het pigment.

—Ja, eene bruine zelfstandigheid, die zich onder de huid bevindt en die haar eene meer of minder donkere tint verleent.

—Dan hebben de Europeanen zeker geen pigment?

—Zij bezitten het, evenals alle andere menschenrassen; slechts is het bij hen niet over het gansche lichaam verspreid. De bruine vlekken of zomersproeten, die het gelaat en de handen van sommige personen bedekken, worden voortgebracht door het pigment, dat door de huid heenkomt.

—»Beteekent dat dan dat de negers in Europa wit zouden worden,” gaf Lucien ten antwoord.

—»Neen,” antwoordde ik lachende, »de zon schijnt in Europa even goed als in Amerika, en hare inwerking, hoe zwak die ook zijn moge, is voldoende om het pigment donker te kleuren.”

—»Maar als men hen in de schaduw grootbracht,” riep de Encuerado uit.

—Daartoe zou eene volkomen duisternis gevorderd worden en dat is onmogelijk.

Op dit oogenblik riep onze gastheer ons. Op eene kreupele tafel, met een klein katoenen tafellaken gedekt, dampte eene magere soep van maïskoeken en tomaten, waaraan iedereen eer bewees. Deze schotel werd opgevolgd door eene kip, toebereid met eene saus van piment en in 't vet gebraden bruine boonen; daarna spreidden pataten—Convolvulus batata—de levendige kleuren van hun meelachtig vleesch ten toon, te midden van eene siroop, waarvan de Encuerado en Lucien smulden. Een groote kom koffie voerde onze tevredenheid ten top. In plaats van brood aten wij versch bereide maïskoeken. Misschien had nooit een maaltijd ons zoo heerlijk toegeschenen. Het wild, dat sedert ons vertrek ons gewoon voedsel uitmaakte, begon ons te vervelen; wij vergastten ons het meest aan de boonen en aan de koeken, welke men tortillas noemt.

Toen de maaltijd geëindigd was, nam Lucien zijne plaats in 't midden der kinderen weer in, die, op den oever der beek gezeten, bladeren van den waaierpalm vlochten.

Een hunner maakte een sprinkhaan, die zeer goed geslaagd mocht heeten, en de jongens, verrukt over den lof van hunnen gast, wedijverden in vindingrijkheid. Zij schonken hem een stier, eene kip, een korfje en andere voorwerpen, die zeer aardig waren, vooral wat de gebruikte stof en de bekwaamheid der uitvoering betreft.

Lucien was over deze geschenken verrukt. Daar hij vond, dat onze bewondering de zijne niet evenaarde, wendde hij zich tot den Encuerado, die als een kenner zijn oordeel uitsprak over de voorwerpen, die men hem vertoonde.

»Kunt gij dan ook de bladeren van den waaierpalm vlechten?

—Ja, Chanito, ik kan ook sprinkhanen, paarden en zelfs vogels maken.

—En gij hebt er nooit een voor mij gevlochten.

—Daarin vergist gij u; toen ge nog klein waart, maakte ik uwe wieg er vol mee. Als u dat vermaak kan doen, zal ik u leeren er zelf te vlechten.

Bij het aanbreken van den nacht verdwenen de kinderen, en onze gastheer kwam ons goeden nacht wenschen. Ik sprak hem over het vuur, dat wij den vorigen dag gezien hadden.

»Dat is Juan,” zeide hij.

—Wie is dat, Juan?

—De oudste van mijne kleinzonen; hij bewaakt in de vlakte een troep geiten, die ons toebehoort.

Den volgenden morgen werd ik gewekt door de stem van den grijsaard en ik stond terzelfder tijd als Sumichrast nog geheel droomerig op; zoo goed had ik geslapen. Lucien en de Encuerado, die eerder wakker waren dan ik, hadden reeds, door de jongste kinderen geleid, het ravijn onderzocht; de oudste waren reeds naar hunne krachten aan den arbeid, hetzij om hout te sprokkelen of om op het veld te werken.

Onze eerste zorg bestond in het uitpakken der insecten en vogelhuiden, die wij sedert ons vertrek bereid hadden. De geheele kolonie omringde ons en de Hemel weet hoeveel vragen ons gedaan werden. Tot onzen grooten spijt konden wij slechts de merkwaardigste van onze vondsten bewaren. Tot dusverre hadden de huiden in de mars de plaats ingenomen van de verbruikte levensmiddelen; maar toen ik de lijst van onze schatten opmaakte, begreep ik, dat, als wij onzen voorraad vernieuwd zouden hebben, de Encuerado onmogelijk met zulk eene vermeerdering zou kunnen loopen. Wij begonnen derhalve een groot getal voorwerpen, onder talrijke uitroepingen van leedwezen, ter zijde te leggen, toen het mij eensklaps inviel om Coyotepec over de jaarlijksche reis van zijn zoon te ondervragen.

»Hij vertrekt binnen een veertien dagen,” antwoordde de oude man.

—Alleen?

—Neen, hij neemt drie van de grootste jongens en zes ezels mede.

—Zijn de ezels beladen?

—Ja, maar de jongens vertrekken met ledige handen.

Na verloop van een uur (want een Indiaan neemt nooit overhaast een besluit) kwam ik met mijn gastheer overeen, dat hij twee kisten, waarin wij onze schatten zouden bergen, naar Puebla zou doen overbrengen en dat zijn zoon zijne reis eenige dagen zou vervroegen.

Dit buitenkansje maakte ons weer opgeruimd; het zou ons in staat stellen onze verzamelingen te bewaren, in plaats van er een gedeelte van langs den weg te werpen, zooals wij reeds dikwijls hadden moeten doen.

Wij moesten kisten hebben, maar Coyotepec bezat noch zaag, noch hamer, noch spijkers. Hij stond mij eenige ruwe planken af en zoo waren wij in schrijnwerkers veranderd.

De Encuerado en Sumichrast maakten het hout met een houthakkersbijl gelijk en ik vervaardigde houten pennen. Wij werkten zonder ophouden tot den volgenden avond door. Een weinig voor het ondergaan der zon hadden wij twee groote en vrij lichte doozen gereed, een werk dat veel moeielijker is dan men wel denkt, eer men er aan begint.

De volgende dag, Pinksterzondag, vond ons vol bewondering voor onzen arbeid staan. De Encuerado had juist gedaan met het vlechten van eenige matten, die de kisten omhullen moesten, teneinde den inhoud voor vocht te vrijwaren. Tegen elf uur verzamelde de familie van onzen gastheer zich voor de woning; de vrouwen en jonge meisjes waren gekleed in roode en blauwe jurken, de borst was bedekt met een hemdje van geborduurd katoen, de jonge knapen hadden eene soort van kiel zonder mouwen aan. De oude vrouw verscheen het laatst, zij droeg om den hals een snoer paarlen van groote waarde. De vrouwen hadden sieraden van ruw koraal en de vingers waren bedekt met zilveren ringen.

»Wij vereenigen ons des Zondags op het uur der godsdienstoefeningen om gezamenlijk ons gebed te doen en God te danken, die de vruchten aan de takken der boomen hangt en ons in gezondheid bewaart,” sprak Coyotepec.

—Wij zijn Christenen als gij,” antwoordde ik.

Iedereen ging knielen, de grijsaard bad eene litanie en vervolgens een aantal Ave Maria's. Een der jonge meisjes zong vervolgens een lofzang, waarvan het refrein door de aanwezigen in koor herhaald werd. Nauwelijks had de zangster haar lied geëindigd of de in geestdrift geraakte Encuerado verzocht het gehoor niet op te staan en hief toen een zijner geliefkoosde lofzangen aan. Hij hield ons zoo een half uur in de zon, toen ik, vermoeid van het knielen, hem een teeken gaf om op te houden. Vergeefsche moeite, mijn dienaar scheen mij niet te bemerken; zijn gebaren en kreten nog vermeerderende, herhaalde hij, tot driemaal toe, hetzelfde vers.

»Amen!” riep ik, opstaande, uit.

Men volgde mijn voorbeeld en vrij geworden verwijderde ik mij, terwijl de Indianen den Encuerado omringden om hem geluk te wenschen.

Ik had nog geen bezoek gebracht aan het ravijn, dat te midden van het Koude Land de voortbrengselen van het Warme Land bevatte. Ik riep Sumichrast en Lucien, en geleid door Torribio den ezeldrijver, die elk jaar de reis naar Puebla onderneemt, ging ik den loop der beek op. De Encuerado, daartoe door de vergadering uitgenoodigd, dreunde een nieuwen lofzang op.

Onze gids geleidde ons eerst naar zijne hut, die door latanias of waaierpalmen omgeven was. Deze fraaie boom, tot de familie der palmen behoorende, heeft een zonderling en tevens aangenaam voorkomen. Uit den top ontspringen lange bladstelen, aan welker uiteinde een breed blad slingert, dat eerst opgevouwen is, maar later, als het zich opent, op een met punten bezetten waaier gelijkt. De Indianen snijden deze bladeren aan reepen, om er matten, petates genaamd, van te maken, die in Mexico een groot handelsartikel zijn. Bovendien worden zij gebruikt om er korfjes, bezems, blaasbalgen en een aantal andere voorwerpen van te maken.(32)

De hut van Torribio bestond slechts uit een enkel vertrek; de haard was buiten onder een afdak; deze woning van de allereenvoudigste soort had noch stoelen, noch tafels, noch banken; Sumichrast bewonderde dezen eenvoud, dien ik een weinig te landelijk vond; maar mijn vriend vond, terwijl hij het leven der beschaafde menschen, voor wie de weelde eene menigte behoeften heeft in 't leven geroepen, vergeleek met dat van deze lieden, die alles weten te ontberen, dat het geluk slechts voor hen bestaat.

Nauwelijks waren wij de hut uit of ik bemerkte aan mijne linkerhand een prachtigen advokaatboom—persea gratissima—waarvan de vrucht een moes geeft, dat de naam van plantaardige boter draagt. De advokaatvrucht ahuacate der Indianen, heeft den vorm van eene groote peer; het vleesch, van eene lichtgroene kleur, is boterig, met een aangenamen smaak, die aan alle tongen behaagt. Men eet haar ontoebereid of wel toebereid met zout, olie en azijn; Gringalet was er evenzeer op verlekkerd als zijn jonge meester.

»Heeft de advokaatboom dan geen verwanten?” vroeg Lucien glimlachende.

—Zeer zeker; hij behoort tot de familie der laurierboomen, waarvan geen enkel ander lid eetbare vruchten oplevert; zijne verwanten zijn evenwel van groot belang voor het huishoudelijk gebruik. In de eerste plaats hebben wij den edellaurier—laurus nobilis—waarvan de bladeren in de keuken onmisbaar zijn, en welks vruchten eene olie opleveren, die in de geneeskunde aangewend wordt. Vervolgens komt de kamferboom—laurus camphora—uit welks bladeren men den kamfer trekt; dan hebben wij den kaneelboom—laurus cinnamomum—waarvan de bast de kaneel oplevert, en eindelijk den sassafras, waarvan het aromatisch hout zeer geprezen wordt als zweetverwekkend geneesmiddel.

Onze gids voerde ons door een veld met Turksche tarwe of maïs. Dit kostbare grasgewas, dat Europa aan Amerika te danken heeft, vervangt bij de Asteken het koren. Zij maken er hun gewoon brood of tortillas van, een soort pannekoeken, welke vooral de Indiaansche vrouwen uitstekend weten te bereiden. Voor zij geheel rijp is wordt de maïs gekookt of geroosterd gegeten; in Mexico vervangt zij de gerst en de haver als voedsel voor paarden en hoornvee.

Toen Torribio in zijne beplanting was binnengegaan brak hij eenige stengels door, zonder ze evenwel van den hoofdstam te scheiden.

»Waarom worden die arme planten zoo geknakt? Ze zullen zoo dood gaan,” riep Lucien uit.

—Ja, maar in de eerste plaats omdat het jaarlijksche planten zijn en onze gids verhaast hun dood maar met enkele dagen; bovendien zijn de aren, die hij afbreekt, rijp en zullen ze aan den stengel, die ze draagt, drogen. Deze methode, die even eenvoudig als afdoende is, kan slechts aangewend worden in landen, waar de winter in werkelijkheid slechts eene lente is.”

Achter het maïsveld bevond zich eene haag, overdekt met lange goudgele vezels. Deze vezels, die geheel en al zonder bladeren waren, omgaven de struiken als met een dikken mantel.

»Wat is dat toch voor eene zonderlinge plant?” vroeg Lucien.

—Een Sacatlaxcale, antwoordde Torribio.

—Een soort koeskoes,” hernam Sumichrast; eene plant uit de familie der convolvulaceeën of winden. In Europa vernietigt men de daar bestaande soort, die zich om de planten slingert en ze verstikt; hier laat men de Sacatlaxcale groeien, want men weet er goed gebruik van te maken.

—Wat kan men dan toch wel met die teere stengeltjes, die onder mijn vingers breken, doen?

Men kneust ze en droogt ze in de zon, hernam Torribio. Als men nu iets zwart of geel wil verven, behoeft men ze slechts met ijzer of aluin te koken.”

Terwijl wij de oevers van het ravijn afklommen, kon Lucien niet nalaten van zulk eene fraaie gelegenheid gebruik te maken om zich de hand mooi geel te verven. Toen wij op eene zekere hoogte waren aangekomen, strekten wij ons op het gras uit. Met een enkelen oogopslag overzagen wij de oase. De beek kronkelde voort, overschaduwd door de groene boomen; hier en daar ontdekte men tusschen boschjes waaierpalmen de onregelmatig verspreide hutten. Mijne blikken zochten de hut van onzen gastheer op, en door mijn kijker zag ik den Encuerado nog altijd aan 't preeken. Hij had zeker gedaan met zingen, want zijne toehoorders zaten op den grond gehurkt om hem.

Lucien had den kijker genomen en nu merkte ik op, dat Torribio zeer verlangend was om er ook eens door te zien. Ik zeide dus aan Lucien, dat hij hem dien zou leenen. Toen onze gids zag, dat de boomen nader bij hem kwamen, wist hij zich eerst geen rekenschap van dat gezichtsverschijnsel te geven. Ik richtte de glazen zoo, dat hij de groep voor de hut kon zien; nooit heeft een menschelijk gelaat zulk eene verwondering uitgedrukt. De Indiaan, die geheel verbazing was, verloor weldra al zijne deftigheid. Telkens als het hem gelukte eene hut te ontdekken, gaf hij zich nauwelijks den tijd haar te onderzoeken, maar rolde hij zich over den grond en schaterde van 't lachen. Twee of drie malen stak ik de hand uit om mijn kijker weer in mijn bezit te nemen; maar Torribio drukte hem aan zijne borst, als een kind, hetwelk men een stuk speelgoed wil ontnemen. Eindelijk gaf hij hem terug en het speet mij waarlijk dat ik er geen tweeden had, om hem dien te kunnen schenken.

Sumichrast ging voorop, om het ravijn om te loopen. Plotseling namen de vogels, die op den oever der beek keuvelden, de vlucht; in de lucht zweefde een havik. De vogel schoot naar omlaag en kwam onder het bereik van onze geweren; er viel een schot en de getroffen vogel viel, al ronddraaiende, op twintig schreden afstand neer. Lucien ging hem opzoeken.

»'t Is een valk,” riep hij ons toe.

—Gij hebt gelijk,” antwoordde Sumichrast; »'t is de havik van Cayenne, herkenbaar aan zijn met aschkleurige veertjes bedekten kop, aan zijn bruin lichaam en aan de zwarte staartpennen.

»Gaat u hem afstroopen?

—Zeker, mijn beste Zonnestraal; in de eerste plaats is deze roofvogel niet zeer algemeen en bovendien moeten wij, gedurende de enkele dagen, die wij hier zullen vertoeven, er voor zorgen dat de kisten, die wij met zooveel moeite gemaakt hebben, vol komen.”

Op dit oogenblik ging een goudvink met rood, wit en bruin gevederte in onze nabijheid zitten.

't Is de pyrrhula telasco, sprak mijn vriend, eene soort, die door den beroemden ornitholoog Lesson ontdekt is op zijne reis naar Lima. Och, als wij maar niet zoo zuinig op ons kruit moesten zijn....

—Ik heb kruit,” mompelde Torribio.

—Hebt gij kruit?” riep ik uit, »wilt gij er ons van verkoopen?

—Neen,” antwoordde de Indiaan kortweg.

—Waarom niet?” hernam ik. »Zijt gij dan een jager? Ge gaat toch immers weldra naar Puebla en dan kunt ge uwen voorraad weer vernieuwen.

—Ik verkoop mijn kruit niet.

—'t Is goed, dan zullen wij er maar niet meer over spreken.

Een boom, die van den eenen oever tot den anderen was gegooid, diende als brug over de beek. Weldra hield de zon op het ravijn te vergulden. Wij bevonden ons tegenover de woning van den ouden man, waarbij eene hut stond, gelijk aan die van onzen gids. De hemel had eene bleekblauwe kleur; wij zagen even de eentonige vlakte, bezaaid met sombere cactussen, terwijl boven ons zich die frissche oase ontplooide, die door de groote tegenstelling nog bekoorlijker scheen. De vogels zongen in de struiken en vlogen de een vóór en de andere ná weg om den boom te bereiken, in wier takken zij misschien geboren waren. Er woei een lauw koeltje; ik stond op om te vertrekken.

»Ik heb kruit,” herhaalde eensklaps Torribio.

—Maar ik weet ook, dat gij het niet verkoopen wilt.

—Neen, dat wil ik ook niet.

—Het kruit behoort mij reeds toe,” dacht ik, en na een twintigtal schreden gedaan te hebben, hervatte ik:

—Als uw kruit van goede hoedanigheid is, zal ik het niet van u koopen; neen, ik weet dat een man slechts een woord heeft. Evenwel, als gij wildet, zou ik u een ruil voorslaan.

—Wat zoudt gij mij dan wel willen geven?” antwoordde Torribio, met eene gemaakte onverschilligheid; »ik heb uwe vogels niet noodig en mijn geweer is zoo goed als het uwe, al is het ook niet zoo mooi.

—Dat is waar ook, laat ons er niet meer over spreken.

En ik volgde steeds mijn gids, die zeer langzaam liep.

Hij keerde zich nogmaals om.

»De tooverglazen,” bracht hij er met moeite uit.

—»Komaan, eindelijk zijn wij er!” mompelde Sumichrast.

—Dat is afgedaan; als uw kruit althans goed is.

—»Zoudt gij ze me geven?” riep de Indiaan uit, wiens oogen schitterden.

—Mannen hebben slechts éen woord.

Torribio versnelde zijne schreden zoozeer, dat Lucien ons hard loopende moest bij houden. Toen wij de beek over waren bracht onze gids ons weer in zijne hut en toonde ons vier bussen Amerikaansch kruit, en in goeden staat, benevens vijf of zes pond verschillende soorten van jachthagel.

Deze vondst verheugde mij buitengewoon; maar ik hield mij even bedaard als mijn gastheer, die op den grond neerhurkte en zijn kin op de knieën liet rusten.

»Daar hebt gij den kijker,” sprak ik.

Zijn trekken bleven onwrikbaar; maar zijne oogen flikkerden en zijne hand beefde een weinig, toen hij het voorwerp zijner begeerte vasthield. Ik legde hem uit, hoe hij er zich van moest bedienen en hoe hij het instrument moest schoonmaken; daarna ging ik, beladen met de kostbare bussen en gevolgd door mijne metgezellen, naar de hut van Coyotepec terug.

»Waarom heeft Torribio niet dadelijk gezegd, dat hij zijn kruit tegen den kijker wilde ruilen?” vroeg Lucien.

—Omdat een Indiaan zooveel mogelijk zijne begeerten en hartstochten verbergt.

—Maar u, waarom heeft u hem dan niet terstond het instrument aangeboden?

—»Als ik mij te begeerig had getoond, zou hij den ruil misschien geweigerd hebben, en een Indiaan komt zeer moeielijk op het eens uitgesproken woord terug.”

Ik riep den Encuerado, die verbluft stond toen hij zag, dat onze jachtmunitie verdriedubbeld was. Lucien vertelde hem den koop, dien ik met Torribio gedaan had.

»De kijker diende tot niet heel veel,” sprak de Indiaan, »terwijl dit kruit ons toelaat menig mooi schot te doen, zonder dat je er een verwijt van wordt gemaakt.” Nauwelijks was het middagmaal afgeloopen of ik hoorde de tonen van een guitaar; na des morgens zijne toehoorders gesticht te hebben, had mijn dienaar ze door een zeer behendige toespraak weten te overtuigen, dat de dag met een bal moest besloten worden. Het voorplein van de woning van den grijsaard kon, goed aangeveegd zijnde, uitstekend voor balzaal dienen. Twee knetterende haarden vervingen de lusters en de waskaarsen. Weldra vertoonden de vrouwen zich in groot toilet, dat wil zeggen, de haren vol bloemen. De Jarabe, het volkslied, weerklonk; dansers en danseressen trippelden op de maat af; Lucien, die zich bij de kinderen had aangesloten, wilde aan de kleine Indiaansche meisjes de polka en de mazurka leeren; Sumichrast lachte, dat hij schaterde. Het werd nog erger toen wij onze blikken op den Encuerado sloegen; nog nooit had ik hem zulke kuitenflikkers zien slaan. Hij zong, kraste op den guitaar en sprong ter zelfder tijd. Tegen tien uur nam ik Lucien mee om hem te noodzaken zich ter ruste te begeven. Hij sliep in, niettegenstaande al het geraas van den guitaar en het zingen.

Ik spreidde de houten van het vuur uiteen en raadde iedereen aan om te gaan rusten. Men kuste mijne handen, omhelsde mij zelfs, maar gehoorzaamde ook en de kleine vallei viel weldra in diepe stilte. Toen ik bij mijn bed kwam, snurkte de Encuerado, met het hoofd op den rug van Gringalet rustende, reeds.

Illustration from Lotgevallen van een jeugdigen natuuronderzoeker

Notes in this chapter

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings