← Table of contents
Lotgevallen van een jeugdigen natuuronderzoeker

IX.

A. Nuyens translation

DE ZUIDENWIND.—DE ORKAAN.—EEN SLECHTE NACHT.—DE ONTWORTELDE BOOM.—DE SALSAPARILLE.—GRINGALET ONTDEKT EENE BRON.—BIVAK.

De voorspelling van den Encuerado scheen zich te zullen verwezenlijken. Tegen drie uur in den ochtend maakte een dof geraas ons wakker; de boomen sidderden; toen nam het geluid af en verdween, om weldra met meer geweld weer los te breken. Ik verhaastte zooveel mogelijk het gereedmaken van de koffie; de tusschenpoozende windvlagen verspreidden twee of driemaal de brandende stukken hout van den haard, waarvan de warme asch ons bijna blind maakte. Dit ongeval hadden wij te wijten aan de nabijheid der lichting, vanwaar de wind woedend en toomeloos naar ons toe kwam.

Nauwelijks was de dag aangebroken of ik voerde, ongerust over den toestand van den dampkring, mijne makkers onder de boomen. De ruw dooreen geschudde hooge toppen wierpen eene hagelbui van kleine takjes en doode bladeren op ons. Het geraas van de tegen elkander slaande takken maakte ons doof; wij liepen treurig en zwijgend voort, geen enkel insect, geen vogel bespeurende en zeer ongerust over ons middagmaal.

Tegen den middag ging de wind liggen; stroomen van warmte, die van uit den grond schenen op te komen, verstikten ons. Lucien sprak geen woord; maar in spijt van onze waarschuwingen bracht hij herhaalde malen zijne veldflesch aan de lippen, welke handelwijze zijne dorst nog slechts kon vermeerderen. Gringalet volgde ons met hangende ooren en staart stap voor stap, zonder als naar gewoonte te springen. Ik geloof, dat wij op dat oogenblik de eenige wezens waren, die onder deze, in een oven veranderde schaduwen, in beweging waren.

Het ontmoeten van eenige rotsen deed ons besluiten den pas te versnellen, want wij rekenden er op, dat wij eene beek zouden ontmoeten. IJdele hoop;—de rotsen verdwenen en maakten plaats voor een doolhof van boomen. Als er wat gras geweest was, dan zouden wij zeker er toe zijn overgegaan, om onze hut op te slaan, zoozeer bemoeielijkte de droge warmte, die door den Zuidenwind werd aangevoerd, onzen marsch.

Andermaal vertoonden zich rotsen, maar zoo groot en zoo dicht tegen elkander, dat zij de nabijheid van een berg aankondigden.

»Aio, Aio Chanito! riep de Indiaan verheugd uit, vooruit, vooruit! wij komen aan den eindpaal onzer kwellingen.”

De knaap glimlachte en nam den versnelden pas achter zijn gids aan, terwijl Sumichrast zijn stappen langer maakte, zoodat hij mij vooruitkwam. Weldra kwam ik in 't gevolg mijner makkers op eene dorre vlakte, tegenover een steilen wand uit.

Na een weinig adem te hebben geschept, gaf ik als mijne meening te kennen, dat wij de vermoeidheid moesten overwinnen en den berg opklimmen; maar niemand maakte aanstalte om op te staan.

Mijn arme Lucien lag hijgende, met drogen mond, bloedende lippen en hoogrood gezicht op de steenen; hij had gedacht, dat de dagtaak voltooid was. Zoodra hij evenwel zag, dat wij weer op marsch gingen, stond hij op en volgde ons zonder eene enkele klacht te uiten. Ik wilde zijne vracht verlichten; maar hij weigerde heldhaftig en regelde zijn pas naar dien van den Encuerado. Gringalet liet zijn tong buitengewoon lang hangen en ging onophoudelijk zitten—dat was zonder twijfel zijne manier om te getuigen, dat hij gaarne een verandering in de lengte van den weg zou hebben voorgeslagen.

»Wij hebben ongelijk gehad over de schaduw te klagen, sprak Sumichrast; hier, op deze opene vlakte, is de warmte nog ondraaglijker dan onder de boomen. De zon steekt alsof hare stralen van naaldepunten voorzien waren.

—Niet drinken, Chanito, niet drinken!.. riep de Encuerado Lucien toe.

De arme jongen liet zijne veldflesch weer langs zijne zijde hangen en sloeg zulk een bedroefden blik op mij, dat ik hem in mijne armen sloot.

»Laat ons stil houden, sprak mijn vriend, terwijl hij onder een reusachtig rotsblok ging zitten, ik verklaar mij overwonnen.”

Het was eene groote verlichting voor ons, toen wij voelden dat wij zaten en van onze vracht ontlast waren; maar in plaats van ons, als naar gewoonte, te haasten om hout te sprokkelen, den haard gereed te maken en eene hut te bouwen, bleven wij onbeweeglijk zitten en zonder een woord te wisselen den horizon aanstaren. Aan onze voeten strekte zich, zoover wij zien konden, de toppen van een onmetelijk bosch uit. Wij hadden den vulkaan van Orizava achter ons gelaten; aan onze rechterhand staken de zwarte uitsnijdingen van de toppen van de Cordilleras tegen de roode lucht af; beneden ons vlogen eenige uruba- of raafgieren rond, de eenige levende wezens, die wij sedert den vorigen dag gezien hadden.

Het was ongeveer vier uur; een brandende wind zweepte ons gelaat en gaf hetzelfde gevoel, dat men ondervindt, als men voor een heeten oven staat, waarvan de mond plotseling geopend wordt. De Zuidenwind begon op nieuw te blazen. Weldra volgden dan ook de windstooten elkander op, en de top van het woud golfde als eene vloeibare vlakte.

Ik poogde tevergeefs te worstelen tegen de zenuwachtige neergedruktheid, die zich van mij had meester gemaakt. Met brandende oogen, gekloven lippen en een zwaar hoofd, dacht geen onzer er aan te eten; alleen de dorst maakte het ons lastig en wij moesten Lucien bewaken, ten einde hem te beletten zijne veldflesch ledig te drinken. Wij lieten hem op een stukje maïskoek knabbelen, dat hij, met evenveel moeite als wij, kon doorslikken; daarna zagen wij, achter de rots beschut, vol angst hoe de reuzen, die ons omringden, bogen en den grond met hunne dikke takken veegden.

De zon ging bleek en zonder stralen onder, en als verzonken in geelachtige wolken, die niet veel goeds voorspelden. De wind hijgde en blies bij stooten. Een oogenblik van verpoozing liet ons toe in alle haast wat kruiden bijeen te garen; daarop zagen wij, naast elkander gezeten, een somberen, droevigen nacht zonder sterren naderen. Eene betrekkelijke koelte kwam een oogenblik onze uitgeputte longen wat verlichting brengen. Lucien sliep in; Sumichrast en de Encuerado poogden zijn voorbeeld te volgen; Gringalet, die bij hen neergekropen was, scheen bevreesd te zijn om zich van ons te verwijderen. Weldra was ik nog maar alleen wakker. Welk een nacht! tegen negen uur barstten de windvlagen met een ongehoord geweld los; zonder onze steenen schuilplaats zouden wij opgenomen zijn geworden. Uit het woud rees een geraas op, gelijk aan dat der opgezweepte golven tegen het strand; de takken braken met een geluid, dat aan onophoudelijke losbrandingen deed denken, en woest voortgejaagde bladeren bedekten ons met hunne overblijfselen. Van tijd tot tijd vervulde een dof, onverklaarbaar en steeds toenemend geraas mijne ziel met schrik. Ik leende vol angst met ingehouden adem het oor; het geraas scheen vol ongekende gevaren te naderen; daarna hoorde men eensklaps een scheuren, dat alle andere geluiden overheerschte, gevolgd door schokken en een gekraak, dat door de echo's werd weerkaatst; het was een eeuwenoude boom die, door den orkaan overwonnen, neerviel. Dan weer zou men gezegd hebben, dat eene menigte menschen in die duisternis, waar het oog niet kon doorboren, met elkander worstelden; men hoorde de wanluidende kreeten van het gevecht, de klagende stem der gewonden; dan deed een verschrikkelijke schok de aarde beven en overstemde dien onmetelijken doodskreet.

Toen, ik beken het, betreurde ik het bitterlijk, dat ik Lucien had meêgenomen: ik herinnerde mij dat men mij de gevaren, waarmede de toorn der natuur ons nu bedreigde, had voorspeld. Bij het hooren van die onheilspellende geluiden van den storm, in die duisternis, die op zich zelf reeds een gevaar was, gevoelde ik dat mijn voornemen begon te wankelen, en ik dacht er ernstig aan den volgenden dag den terugweg naar Orizava in te slaan.

Tegen middernacht bedaarde de storm een weinig en gaf ik aan de vermoeidheid toe.

Maar nauwelijks had ik de oogen gesloten, of ik sprong plotseling op, verbijsterd alsof honderd donderslagen te gelijk weerklonken. De duisternis bleef altijd even diep, de wind was nog toegenomen en nauwelijks zweeg de echo van een neergevallen boom of een andere woudreus waggelde, om op zijne beurt neer te storten. Mijn makkers waren allen wakker geworden.

—Wat is dat, mijnheer Sumichrast? vroeg Lucien heel zachtjes.

—Een orkaan, mijn vriend.

—Men zou zeggen, dat een reus al schreeuwende en fluitende en op zijn doortocht alle boomen brekende, door het woud rent.

—Als het dat nog maar was! antwoordde Sumichrast, maar 't is erger, 't is de zuidenwind, de sirocco van de Mexicaansche kusten.

—Zou hij ons meesleuren?

—Ik hoop van neen, dank zij de rots, die ons beschut.

Een boom stortte in onze nabijheid om, en zijn val overdekte ons met stof. Tegen elkander aangedrukt, ondervonden wij telkens een nieuwen schrik. Wij durfden elkander onze indrukken niet mededeelen, uit vrees van onzen kleinen makker, die zich tegen mij aandrukte nog meer te beangstigen. Te midden van deze algemeene verwoesting zou een tak, door een windvlaag meegevoerd, voldoende geweest zijn om ons als zandkorreltjes weg te vegen. Ik was van meer dan een orkaan getuige geweest, maar die, van dezen afgrijselijken nacht, overtrof alles wat men zich kan voorstellen.

Eindelijk brak de dag aan; de zon kwam als bestoven op en verlichtte de onheilen van dezen verschrikkelijken nacht. Overal lagen gebroken, ontwortelde en half aan de slingerplanten, die in de takken verward waren, hangende boomen, op den grond of slingerden heen en weer, even als die reusachtige krijgstuigen, welke de ouden stormrammen noemden. Lucien bleef sprakeloos voor het schouwspel, dat zich aan zijne blikken vertoonde. Een gekraak weerklonk; een waggelende woudreus helde langzaam over, beschreef een snellen boog en verbrijzelde zijne takken tegen den grond: tien seconden hadden het werk van eeuwen vernietigd.

De Encuerado wilde een pas of tien buiten de rots doen, maar door een windvlaag overvallen, had hij nog slechts den tijd om zich op den grond te werpen. Er moest een besluit genomen worden; er viel niet aan te denken om vuur aan te maken en toch gevoelden wij, na het vasten van den vorigen dag en na een slapeloozen nacht, de behoefte aan een versterkenden drank. Onmerkbaar werden de windvlagen minder veelvuldig, maar zonder nog iets in kracht te verliezen. Eene diepe stilte volgde bij wijlen op de duizend geluiden van den storm, de bladeren bleven onbeweeglijk, men zou hebben kunnen meenen, dat de orkaan bedaard was. Plotseling kwam het verschrikkelijk geraas op nieuw op, een onzichtbare ademtocht ging voorbij en overdekte de aarde andermaal met verbrijzelde takken.

Wij begonnen een weinig stoutmoediger te worden, toen een verschrikkelijk gekraak zich plotseling boven onze hoofden deed hooren; een reusachtige pijnboom, die honderd voet boven ons op den berg stond, waggelde, stortte neer en rolde met een vreeselijk geraas de helling af. De Encuerado had, snel als de bliksem, Lucien beetgenomen en ging met hem langs de rots op den grond liggen; ik had nauwelijks den tijd om hem na te volgen. De terneergeworpen reus daalde met snelle sprongen naar beneden, alles wat hij op zijn doortocht ontmoette verbrijzelende en rotsstukken achter zich meesleepende. Hij stiet tegen onze schuilplaats, die een dof geluid gaf maar toch den schok weerstond, overschreed met een grooten sprong den hinderpaal en rolde den berg af, waarvan wij slechts halverwege waren, terwijl een stortvloed van steenen ons dreigde te verpletteren.

Ik stond geheel ontdaan op. Het gevaar was zeer ernstig geweest. Het reusachtige blok, waaraan wij ons behoud te danken hadden, was verscheidene strepen voortgeschoven. Als dit geval in den nacht ware gebeurd, zou de angst ons onze schuilplaats hebben doen verlaten en dan waren wij verloren geweest. Ik dankte eerst God en toen den Encuerado, die, het dichtst bij Lucien zijnde, zich gehaast had dezen met zijn lichaam te beschermen. De knaap viel hem om den hals.

»Ik zal aan Mama vertellen, dat gij mij het leven hebt gered,” riep hij uit, hem omhelzende.

De Encuerado wilde antwoorden; maar ontroerd door de liefkoozingen van zijn lieveling, kon hij hem slechts in zijne armen drukken, terwijl twee tranen langs zijne wangen rolden.

»Uwe Heerschap is wel goed zich zooveel moeite te geven om ons hare kracht te laten zien,” zeide de Indiaan, den wind toesprekende om zijne ontroering te verbergen; »wat een fraai mirakel om een pijnboom te ontwortelen, die bijna van ouderdom gestorven was en hem langs de helling van een berg af te rollen! Ik zou met mijn machete evenveel kunnen doen, als ik er lust toe had. Ja, blaas maar, blaas maar, en gooi ons nog maar eens een boom op den rug, opdat wij wel verzekerd zouden zijn dat de Booze uw meester is.”

Niettegenstaande al den ernst van het oogenblik, was Gringalet de eenige, die dit gesprek zonder glimlachen aanhoorde; hij wreef zelfs met zijn neus tegen het been van den redenaar, als om zijne instemming met diens redevoering te betoonen.

De orkaan bedaarde; maar hij kon tegen den avond weer in kracht verdubbelen; het verstand raadde ons derhalve aan van de kalmte gebruik te maken, om ons te verwijderen. De Encuerado nam zijne mars op en goed rondziende, ging hij ons op den berg voor. Ik hield Lucien bij de hand; want het stond te vreezen, dat een waggelende boom plotseling weer zou neerstorten en onzen weg schoonvegen. De warmte, die ons bij voortduring lastig viel, maakte onzen marsch zeer moeielijk. De lippen van onzen kleinen reisgezel waren geheel en al gebarsten; hij kon met moeite spreken. De dorst kwelde ons; men moest haar evenwel verduren, en het weinigje water, wat in onze veldflesschen was, besparen. Wij bereikten de plaats, waar, een uur te voren, de boom had gestaan, die ons met den ondergang had bedreigd. Een onmetelijk, gapend gat, liet ons de afgescheurde wortels van den reus zien; de aarde was reeds opgedroogd. Weldra was de helling weer met hout begroeid. Wij kwamen met veel moeite, uitgeput, hijgende en uitgehongerd vooruit, want sedert den vorigen dag hadden wij niets dan maïskoeken gegeten. Onze roode en opgezwollen oogen maakten ons onkenbaar.

—Vader, ik ben erg vermoeid, sprak Lucien zacht.

—Wij ook, lieve jongen; maar moed gehouden, laat ons nog wat doorloopen, ons leven is er meê gemoeid.

—Ik heb dorst, vader, en het water in mijne veldflesch is lauw.

—'t Is beter dat gij niet drinkt; want twee of drie teugen water gedurende het loopen genomen, maken de huiduitwasemingen gemakkelijker en vermeerderen de dorst, in plaats van haar te stillen.

De kleine jongen zuchtte en zocht eene toevlucht bij zijn vriend, die hem aanraadde op een keisteentje te zuigen, een middeltje om de dorst te bedriegen, door de speekselafscheiding op te wekken.

Niettegenstaande al onze inspanningen, kwamen wij slechts weinig vooruit en een overvloedig zweet putte ons nog meer uit. Gelukkig toonde alles het einde van den storm aan. De Encuerado ging vooruit, zigzaglijnen beschrijvende, als iemand die eene gedachte in 't hoofd heeft en met den neus in den wind naar iets snuffelt. Ik zag hem zich eensklaps van zijne vracht ontdoen, onder het struikgewas verdwijnen en weldra terugkomen, de handen vol met eene soort van moerbeziën, de vruchten van de salsaparillaplant, welker zuurachtige smaak Lucien weer wat opfrischte. De gangen van den Encuerado waren alzoo opgehelderd. Wij volgden den Indiaan. Hij had een boschje van deze struiken gezien, maar ons, uit vrees voor teleurstelling, eerst zijne ontdekking verborgen. Ik kan onmogelijk zeggen, hoeveel genoegen ons deze, zoo onverwacht gevonden bessen, deden. De struik, die kruipende en doornachtige stengels had, groeide in overvloed op de steile helling. Daar Gringalet geen deel kon nemen aan onze smulpartij, gaf Sumichrast hem een kalebas met water, dat hij gretig opslurpte.

Wij hervatten, dank zij deze zoo ter goeder uur gevonden wijnachtige bessen, met meer moed onzen marsch. De Encuerado vulde zijne muts met de gevonden vruchten, en liep moedig blootshoofds vooruit. Een half uur klimmens voerde ons buiten het woud. Ik bemerkte dat Gringalet verdwenen was; ik riep hem herhaalde malen en nu kwam hij met opgeheven staart en vochtigen snuit van onder een boschje struikgewas te voorschijn. Sumichrast ging op ontdekking uit en riep ons met vroolijke stem toe:

»Eene bron!”

Men liep, wie er het eerst komen zou. Onder een dicht boschje van Salsaparille ving onze reisgezel in zijne naast elkander geplaatste handen een dun straaltje helder water op, dat tusschen twee rotsen doorsijpelde. Hij begoot met welgevallen zijn gelaat en armen; ieder onzer volgde deze heilzame wasschingen na. Ik spoorde vervolgens tot het vertrek aan; de onheilspellende geluiden van den orkaan gonsden nog in mijne ooren, en er bevond zich in onze nabijheid geene enkele schuilplaats. Na onze veldflesschen gevuld te hebben, hervatten wij onze opstijging, opgebeurd door de gesprekken van den Encuerado, die Gringalet met zijne vondst gelukwenschte en hem eene heele reeks lekkere maaltijden beloofde.

Lucien had een weinig van zijne opgeruimdheid teruggekregen; hij zocht beziën of plukte de geelachtige bloemen van de Salsaparille en onderzocht de plant, waarvan hij de vezelachtige wortels kende, die de Indianen op de markten verkochten.

Het uur, waarop wij vreesden dat de windvlagen weer met verdubbeld geweld zouden losbreken, naderde, het werd dus zaak naar eene schuilplaats uit te zien. De mossen en vlechten bedekten de rotsen met een veelkleurig kleed en naar gelang wij hooger kwamen, verlichtte een frisschere lucht onze longen. Ten slotte eindigde onze klimmerij op eene bergvlakte, waar hier en daar een korte, door den wind en de stormen gebogen boom groeide. Tegenover ons, maar ver genoeg om er niets van te vreezen te hebben, verhieven zich nieuwe toppen. Er bleef ons nu nog slechts over om eene plaats voor het bivak te vinden.

Sumichrast bleef bij drie reusachtige steenen staan, die zoodanig geplaatst waren, dat zij tusschen elkander eene ruimte overlieten, groot genoeg om er als in eene vesting te kampeeren. Daar konden wij de windvlagen trotseeren; maar de toestand van den dampkring liet ons hopen, dat wij niets meer van den orkaan te vreezen hadden. Wij gingen er allen op uit om brandstof te zoeken en weldra verheugde een groot vuur ons door zijn schijnsel, maar herinnerde ons tevens, dat wij niets te braden hadden.

De zon zond ons, bij haar ondergaan, de schitterende lichtbundels harer laatste stralen toe. De hemel was blauw, de lucht frisch—ik had mijn denkbeeld om terug te keeren laten varen.—De nacht brak aan en een fijne regen zuiverde den dampkring en de vochtige grond wasemde gezonde geuren uit. Door de vermoeidheid overmand en in onze dekens gewikkeld, vielen wij weldra in een diepen slaap.

Illustration from Lotgevallen van een jeugdigen natuuronderzoeker
Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings