← Table of contents
Lotgevallen van een jeugdigen natuuronderzoeker

XXVII.

A. Nuyens translation

DE ENCUERADO EN DE PAPEGAAIEN.—GRINGALET BRENGT EEN GAST MEDE.—DE PUMA OF AMERIKAANSCHE LEEUW.—DE RIVIER.—DE PALMBOOMEN-VILLA.—SCHILDPADEIEREN.—DE IBIS EN DE REIGERS.

De papegaaien, die men hoorde babbelen, dienden ons tot wekkers. De zon rees rood en glansloos op; onmiddellijk werd hare verschijning door een concert begroet. De chachalacas lieten hun diep geklok hooren, en vogels van allerlei soort begonnen om ons heen te vliegen. Lucien, die met de maagdelijke wouden verzoend was, kon niet genoeg de verscheidenheid van boomen, heesters en struiken en het oneindig aantal gevederde bewoners, die ze bevolkten, bewonderen. Wij daalden langzaam in de vlakte af; de warmte drukte reeds op ons en het was onmogelijk lange marschen te doen.

Eene vlucht gekuifde kardinalen dartelde om ons en zette zich op eene magnolia neer, die daardoor als met purpere bloemen bedekt scheen. Een weinig verder begroetten papegaaitjes, die weinig grooter waren dan eene musch, ons met hun luidruchtig geschreeuw. Na verscheidene malen het hoofd opgericht en de schouders te hebben opgetrokken, bleef de Encuerado eindelijk staan om hen te antwoorden.

»Kom haar dan halen,” riep hij uit, »kom haar dan halen, en toont dat gij meer kunt dan een man.”

—Wat biedt ge den papegaaien toch aan?” vroeg Lucien.

—Ze spotten met mijne mars, Chanito; een troep luiaards is het, die allen te zamen nog niet in staat zouden zijn haar te bewegen!”

Sumichrast drong in het woud door en sloeg met zijne machete de lianen weg, om ons een pad te banen. In minder dan een uur waren wij vijf of zes opene plekken doorgetrokken. Eensklaps bemerkte ik, dat Gringalet verdwenen was. Ik riep hem en een verwijderd geblaf gaf mij antwoord.

»Zou hij eene rivier ontdekt hebben?” vroeg Sumichrast.

Ik ging in de richting van waar het geluid van onzen viervoetigen makker kwam; eensklaps kwam hij woedend blaffende uit het kreupelhout, vervolgd door een jongen puma, die, zoodra hij mij zag, staan bleef. Sumichrast snelde toe, waarop het roofdier in het bosch verdween.

»Waar heb je dien kameraad toch vandaan gehaald, Gringalet?” vroeg de Encuerado hem vol ernst. »Stel maar niet te veel vertrouwen in die mooie kennissen; het zou je terdege kunnen opbreken; de leeuwen kunnen niet liefkoozen of zij moeten iets breken.

—Was dat dan een leeuw?” vroeg Lucien.

—Ja, maar een Amerikaansche leeuw of puma,—de felis puma der geleerden.

—Wat zou ik hem gaarne hebben willen zien! Had hij manen?

—Neen, de puma heeft geen manen.

Wij trokken juist opnieuw eene opene plaats door, toen Gringalet ons tusschen de beenen liep. Ik keerde mij om—de leeuw was ons in stilte gevolgd.

»Drommels, drommels!” sprak Sumichrast, „zou die knaap ons willen bewijzen, dat de puma vaak menschen aanvalt.”

De Encuerado, die zich van zijne mars ontdaan had, had reeds op het dier aangelegd.

»Schiet niet!” riep ik hem gebiedend toe.

De puma kwam niet verder; hij doorboorde ons als 't ware met zijne gele oogen; zijn staart sloeg met een gelijkmatigen tact tegen zijne zijden; hij geeuwde, toonde ons eene rij vreeselijke tanden en ging eensklaps, als om te spelen, op den grond liggen.

Lucien kon op zijn gemak de fraaie bruingele kleur van het roofdier, welks ooren en staart aan de uiteinden zwart getint waren, beschouwen. Het dier keek ons met zulk een bedaarden en zachten blik aan, dat het tot de karavaan scheen te behooren; het dreef de vertrouwelijkheid zelfs zoover, dat het onder onze oogen zijn toilet begon te maken, door zijn pooten te likken en er dan mede over zijn snuit te wrijven.

Ik gaf bevel den marsch te vervolgen; de Encuerado gehoorzaamde met tegenzin. Ik plaatste Lucien, die blijde was het fraaie dier van zoo nabij gezien te hebben, in 't midden van den troep.

»Als men den leeuw niet eet, eet hij u,” herhaalde de Indiaan; »al hadden wij hem ook maar gewond, dan zou hij toch aan zijne soort verteld hebben, dat het niet raadzaam is in de nabijheid van ons vuur te komen.”

—Welnu, als hij terugkomt, moogt gij schieten.

—Ha! 't Is zijne eigene schuld!” riep de Encuerado; »houd stil Tata Sumichrast; houd uw geweer gereed, Chanito, gij moogt het eerst schieten.”

Wij waren in een groep gaan staan en mijne blikken zochten tevergeefs naar het roofdier.

»De rekel is ons vooruitgegaan,” hernam de jager.

»Wij zullen hem ook eens vreemd laten opzien! Kom hier, Chanito, maar niet hard loopen en niet omzien. Ziet gij dien boom daar voor ons uit? Zie eens wat vreemde vrucht hij draagt.”

—De leeuw!” riep de knaap uit.

—Drommels, drommels!” mompelde Sumichrast, »zitten er ons dan twee puma's op de hielen.

—Neen, neen, Tata Sumichrast, 't is dezelfde. Mik tusschen de oogen, Chanito, vuur, vuur!”

Twee schoten knalden bijna terzelfder tijd en het dier viel op den grond, zonder een geluid te geven.

»Niet zoo gauw, Chanito,” vervolgde de Indiaan, »dat is geen waterhond; laten wij eerst eens te weten komen of de vijand wel dood is, voor en aleer wij ons onder zijn bereik wagen.”

Gringalet waagde het, om al blaffende om het dier te draaien, ik hield mij gereed om te schieten, terwijl mijne gezellen voorzichtig naderden. De puma, in het voorhoofd getroffen, ademde niet meer. Hij was bijna een meter lang en zijn haar, dat op sommige plaatsen nog gekroesd was, verried zijne jeugd. De Indiaan hief den zwaren kop van het roofdier op.

»Komaan,” zeide hij, »gij verdiendet als een dappere te sterven. Gij zijt de eerste van uw ras, die zich zoo dicht bij mijn geweer gewaagd heeft. Woudt gij dan Chanito verscheuren?”

—Ik geloof veeleer dat hij het op Gringalet gemunt had,” antwoordde mijn vriend; »hoe jammer, dat men die fraaie katten niet tam kan maken!”

—Katten!” herhaalde Lucien.

—Zeker; zelfs de groote Afrikaansche leeuw is niet anders dan de grootste en sterkste kat. Wist gij dat niet?”

—Ik meende dat de leeuw een op zich-zelf-staand dier was; maar is hij wel de koning der zoogdieren?”

—Hij gaat met recht voor het sterkste roofdier door; zijn kop, dien hij opgeheven draagt en zijne fraaie manen geven hem een koninklijk voorkomen. Maar ik weet niet op welken grond zijn naam van edelmoedigheid berust; ik geloof, dat de beroemde leeuw van Androcles pas een goed maal naar binnen had, toen hij zijn weldoener spaarde.”

Wij konden er niet aan denken de prooi van zijne huid te ontdoen; de vliegen vielen reeds met geheele zwermen op het nog warme lichaam neder. De Encuerado wilde Lucien de eer geven, den leeuw gedood te hebben; maar hoe verlangend de knaap ook was om zulk een heldenstuk te volbrengen, toch verklaarde hij zelf, dat zijn kogel een verkeerden weg was ingeslagen.

Ik bleef bij een locust (hymenaea) staan, een boom tot de familie der hulsdragende behoorende, waarvan de peulen een suikerachtig moes bevatten en welks stam een zeer gezochte hars laat uitvloeien, die door de Indianen tegen maagpijn wordt aangewend. Een weinig verder scheen een huaje den Encuerado, die evenals zijne landgenooten, verlekkerd was op de in de platte peulen verborgen zaden, te verlokken. De walgelijke reuk van deze vrucht maakte mij onpasselijk; gelukkig ging mijn bediende voorbij. Sumichrast, die vooropging, moest ons een doortocht door een warnet van cobea's met purpere bloemen banen. Ik hielp hem in dat werk, en toen wij de hinderpaal te boven waren, kwamen wij eensklaps in eene kleine vlakte uit, in wier midden zich een boschje palmboomen verhief. Gringalet verdween aan onze linkerhand en kwam weldra met een natten snuit terug. Lucien, die ons vooruit was, ontdekte het eerst eene breede, diepe rivier, die langzaam voortvloeide. Op het zien daarvan maakte de Encuerado drie buitelingen en hief een lofzang aan; onze dankzeggingen, hoewel minder luidruchtig dan de zijne, waren er niet minder welgemeend om. Naar zijn loop te oordeelen moesten wij reeds van af den morgen langs de rivier zijn gegaan en Gringalet had zonder twijfel den puma ontmoet, toen hij zijne dorst ging lesschen. De Indiaan sloeg het bivak tusschen de palmboomen op, en ik haastte mij den oever van het water te bereiken. Twee papegaaien, die onder het schot van mijn geweer kwamen, werden in den pot gedaan, waar de rijst reeds in kookte. 't Was een zuinig maal, maar uitgeput van vermoeidheid als wij waren en bezwijkende onder de hitte, gaven wij aan een bad de voorkeur boven al het wild der wereld.

Lucien plaste gedurende twee uren in het water en ik kan niet zeggen hoezeer dit langdurige bad ons herstelde. Ik kwam er geheel frisch en hersteld uit; het bad had het jeuken, door het steken der insecten veroorzaakt, doen ophouden. Het vleesch der papegaaien scheen ons hard en taai toe, maar ieder gebruikte, zonder zich te beklagen, het hem toekomende deel; daarna, en zoodra de zon wat daalde, stelde ik voor eene wandeling te maken om onze kampplaats, die door Lucien reeds met den naam van Palmboomen-villa was gedoopt.

Bij de eerste schreden, die wij deden, trok een heester met dun gebladerte mijne aandacht. Ik wees hem Lucien aan als zijnde de Siphonia-elastica of caoutchouc-boom.

»En hoe verkrijgt men daaruit den caoutchouc?” vroeg hij mij.

—Men maakt eene insnijding in den stam van den boom en na verloop van eenige uren druppelt de caoutchouc er van zelf uit.

—Als ik dan vandaag eenige sneden in den bast deed, zou ik dan morgen een elastieken bal hebben?

—Althans de stof om er een van te maken.

Lucien toog dadelijk aan 't werk en daar hij zijne machete reeds met veel handigheid wist te gebruiken, had hij spoedig eene spleet van ongeveer vijftig centimeter lengte in den boom gemaakt.

—Tot welke familie behoort de siphonia?” vroeg de Encuerado, die ook de gewoonte had aangenomen van ons te ondervragen.

—Tot die van de wolfsmelkboomen,” antwoordde Sumichrast.

—Een wolfsmelkboom! en duldt gij dan dat Chanito hem nadert?

—Deze soort is niet gevaarlijk.

—Wij zullen er maar half vertrouwen in stellen,” mompelde de Indiaan; en met twee sabelhouwen had hij een kruis aan den voet van den boom gemaakt.

Ik richtte mij nu naar den stam van een palmboom, die half verrot op den grond lag; ik vond er groote snuitkevers, die de Indianen dronkaards noemen, omdat zij in de plaatsen dringen, waar de palmwijn bewaard wordt; het lichaam was van een fraai fluweelachtig blauwzwart, met grijze plekken bezaaid en de lengte van hun snuit vermaakte Lucien zeer. De snuitkevers zijn in Mexico niet minder algemeen dan in Europa en eene bijzondere soort, die vooral de maïs aantast, maakt dat men deze graansoort onmogelijk van 't eene jaar in 't andere kan bewaren.

Eene vondst, die den jongen natuuronderzoeker vooral veel genoegen deed, was die van een fraai met de sprinkhanen overeenkomend insect en behoorende tot de orde, die de geleerden Manti (spookjes) noemen, en dat men op 't eerste gezicht voor een stuk van eene plant had kunnen houden.

Het zonderlinge dier, dat buitengewoon groote oogen en een smal en lang lichaam had, hief zijn eerste paar pooten omhoog en voegde ze zamen als om te bidden weshalve de verwante soort in Europa den naam van Godaanbidster—mante religiosa—heeft verkregen. Toen Lucien met een grashalmpje bij het zonderlinge dier kwam, wierp het er zich met eene soort woede op en zoodra men het losliet draaide het insect er mee rond als een ervaren schermmeester op den stok; daarna nam het dadelijk weer zijne biddende houding aan. Dank zij de verscheidenheid van planten, verkreeg ik eene groote verzameling insecten. Mijne doos werd verrijkt met prachtige metaalglanzende goudkevers, snelkevers met zwart en geel gestreept lichaam, glimkevers met lichtgevenden buik; dan nog met prachtkevers, vooral de aan Mexico eigene soort, waarvan de schitterend groene dekschilden met zwarte stippels bezaaid zijn.

Er woei eene kleine koelte en de peulen van de cassieboomen, die tegen elkander stieten, brachten een vreemdsoortig geluid voort. Wij gingen met langzame schreden naar ons bivak onder de palmboomen terug, de oogen geheel afgetrokken door de insecten en de vogels, wier schitterende kleuren de bladeren versierden, op welke alle tinten van groen zich harmonisch vereenigden. Niets is in staat om de wilde grootheid van het ons omringende schouwspel weer te geven. Wij konden ons verplaatst wanen in een dier wondertuinen, waarover de Arabische vertellers zoo gaarne spreken. Een gebrul herinnerde ons er aan, dat ons vuur uitging. Eindelijk gaf ik het teeken om te gaan slapen. Wij waren van plan om drie of vier dagen op deze plaats, die voor onze opsporingen zoo gewichtig was, te vertoeven.

»Niemand zal zeggen, dat wij misbruik gemaakt hebben van ons recht om uit te rusten,” sprak mijn vriend; »wij hebben vandaag den 20 April; wij zijn dus twee-en-veertig dagen op weg.”

Den volgenden morgen ging ik met het aanbreken van den dag met Sumichrast op ontdekking uit, Lucien in een diepen slaap achterlatende. Tegen elf uur kwamen wij terug, beladen met een twaalftal vogels, waaronder zich een specht bevond van een geelachtig groene kleur en met een kuif vuurroode veeren, en een tacco (cuculus vetulus), eene soort van koekoek, die zich met hagedissen en jonge slangen voedt. Gedurende onze afwezigheid had de Encuerado drie palmboomen omgehouwen, waarvan hij de stammen aan het onderste gedeelte uitholde, om er het suikerachtige sap van den boom in op te vangen. Met behulp van lianen vlocht hij van vijf groote stammen een soort van palissaden-omheining, waartusschen wij, voor elke overrompeling beveiligd, gerust konden slapen. Lucien had een papegaaiennest ontdekt en er twee jonge groen, rood en geel gekleurde vogels uitgehaald, die zich uitstekend schenen te schikken in de zorgen, die de knaap hen bewees.

»Wat wilt gij met die arme weezen doen?” vroeg ik.

—Ze voor mijn broertje en zusje medenemen. De Encuerado zegt, dat zij wel op den rand van de mand zullen blijven zitten.

—En wat zult ge ze te eten geven?

—Vruchten en zelfs vleesch. Mijnheer Sumichrast heeft mij gisteren gezegd, dat de papegaaien alles eten wat men hun geeft. Ik heb ze reeds een naam gegeven; ze zullen Verdet en Jaunet heeten.

—Zij zullen meer dan eens onder het bereik van Gringalet komen, zijt gij wel zeker dat hij ze niets zal doen?

—De Encuerado heeft hem de les reeds opgelezen.”

—Dan vrees ik wel, dat Verdet en Jaunet nog eens treurig aan hun einde zullen komen.”

Terwijl wij uitrustten gingen Lucien en zijn vriend den caoutchoucboom opzoeken. De knaap kwam geheel teleurgesteld terug.

»Uw gomelastiek deugt niet,” zeide hij tot Sumichrast, terwijl hij hem een dik en wit vocht liet zien, dat hij van den boom had gehaald.

—En waarom dat, als ik u vragen mag?

—Omdat de gomelastiek zwart en droog moet zijn.

—Als het oud wordt zal het die twee eigenschappen wel bekomen. De caoutchouc loopt uit den boom in den vorm van eene melkachtige vloeistof, gelijk aan die, waarmede gij nu uwe vingers vuil maakt.”

Tegen drie uur, toen de zon loodrecht boven onze hoofden stond, voerde ik mijne makkers onder het dichte hout, om den loop der rivier te onderzoeken. Weldra moesten wij ons met de machete een weg banen en verscheidene slangen namen sissend de vlucht. Langzamerhand werd de oever der rivier begroeid met boschbessen, begonia's en cederboomen en kwam ik op een zandachtig strand, waar vijf of zes schildpadden schenen te slapen. Niettegenstaande de door ons genomen voorzorgen, bereikten de dieren de rivier. De Encuerado ontdekte twee hoopjes zand, waarvan het eene, dat nog onvoltooid was, een twintigtal eieren bevatte, die zoo groot als eene noot en met een witachtig huidje omgeven waren. Een weinig verder vond Lucien eene kleine roode schilpad, die niet grooter was dan een rijksdaalder. Daar hij van den Encuerado vernam, dat zij verscheidene dagen zonder eten kan leven, besloot hij haar mee te nemen en gaf hij haar den naam van Rougette.

Gringalet begon te grommen; een damhert vertoonde tusschen de takken zijn verschrikt gelaat. Iedereen verborg zich zoo goed hij kon en toen het sierlijke dier nader kwam, schoot Sumichrast het morsdood. Ik liet den Encuerado den jager helpen om het wild te stroopen en ging in gezelschap van Lucien verder. De rivier werd langzamerhand breeder, totdat ik mij geheel onverwacht tegenover eene onmetelijke overstroomde vlakte bevond, waarboven heele zwermen eenden vlogen.

Ik ging op den grond zitten, ten einde op mijn gemak het ruime meer te kunnen overzien, welks oevers met koningspalmen, waarvan de stam onderaan zwart en bovenaan fraai groen is, omzoomd waren. De verschijning van een vischarend met witachtig gevederte dreef de zwemvogels als bij tooverslag op de vlucht; verscheidene verborgen zich tusschen het riet, maar de roofvogel vloog verder, zonder, naar het scheen, acht te slaan op een wild, dat zijner onwaardig was. Plotseling streek op twintig pas afstands van ons een Mexicaansche Ibis(39) neêr, ging in de rivier en bleef daar onbeweeglijk staan.

»O papa! wat een vreemde vogel is dat! men zou zeggen dat hij een kalen kop heeft.

—Daarin vergist gij u niet; deze vogel wordt door de Indianen galambao genoemd.

—Hij is bijna zoo groot als ik.

—Ziet ge niet dat hij op stelten loopt?” antwoordde ik lachend. »'t Is een broertje van den ooievaar.

—Wij hebben nog geen vogels van deze soort ontmoet.

—De steltloopers bezoeken slechts de boorden van moerassen of de oevers van groote rivieren. Men herkent de vogels van deze orde aan hunne hooge beenen, die beneden de knie geheel zonder veeren zijn, zoodat zij in niet te diepe waters kunnen visschen.

—Gaat die galambao visschen?

—De Ibis en bijna alle steltloopers hebben geen ander middel van bestaan.

Maar zou men niet zeggen dat hij slaapt, als hij daar zoo staat, zijn grooten bek op de borst latende rusten.

—Wee den visch die eveneens zou denken als gij. Hebt gij zijne beweging opgemerkt? Hij heeft zijn kop met de snelheid van den bliksem in het water gedompeld en gij kunt zijne prooi in zijn bek zien. Hij slaat zijne korte met zwarte veeren omzoomde vleugels uit om weg te vliegen; hij gaat zeker de opbrengst van zijne vangst met zijne jongen deelen.

—Zie eens wat een mooie blauwe vogel, met een kuif op den kop.

—Dat is de Ardea-Agami, een steltvogel tot het geslacht der reigers behoorende. Maar zie daar een troep van deze laatsten met een prachtig gevederte, zoo wit als hermelijn,—dat zijn zijdereigers—ardea candidissima. Zij vliegen in groote vluchten en scheiden later om afzonderlijk te gaan visschen.

Deze vogels hebben een droefgeestig en ernstig uiterlijk; nauwelijks laten zij nu en dan eens een klagend en wild geschreeuw hooren.

Wij bleven de steltloopers, die droefgeestig op de heesters zaten, beschouwen, tot dat het hioe! hioe! van den Encuerado aankondigde, dat mijne gezellen zich gereed maakten om naar den haard terug te keeren.

Ik geleidde Lucien door het bosch terug en beantwoordde zijne vragen over de steltloopers, toen het geraas, door eene bende apen veroorzaakt, tot ons doordrong.

Een twintigtal kalkoenen, die zonder twijfel door het geraas verschrikt waren, kwamen tusschen onze beenen geloopen. Ik liet de arme vogels in vrede heengaan, want wij hadden reeds meer vleeschvoorraad dan wij konden gebruiken. Lucien stond verbaasd over het groot aantal levende wezens, die ons omringden en die levendigheid trof hem te meer, als hij haar vergeleek bij de doodsche eenzaamheid in het groote woud, dat wij doorgetrokken waren.

»In het Warme Land,” zeide ik hem, »zijn de oevers der wateren altijd vruchtbaar en de bewoners van vlakte en bosch komen er bij elkander.

—Maar waarom bewonen de Mexicanen dat zoo afwisselende en fraaie Warme Land niet?

—Omdat een draak den toegang verbiedt tot deze streken, waar de natuur hare rijkste schatten zoo kwistig rondspreidt.

—Een draak?

—Ja, de gele koorts. Eene vreeselijke ziekte, die het bloed bederft en hare slachtoffers onder de sterksten schijnt uit te zoeken. Alleen de neger kan op dezen brandenden grond werken, waar de Indiaan-zelve spoedig onder de moeraskoortsen bezwijkt.

—Zouden wij ook die koortsen kunnen krijgen?

—Wij zouden in groot gevaar verkeeren, als wij ons door het regenseizoen lieten overvallen.

—Wat zit die boom vol met vruchten,” riep Lucien, mij in de rede vallende, uit.

—Dat zijn Mexicaansche mispelen.—Wij zullen er morgen wat van komen plukken. Er groeien nog zes of zeven soorten sapotéas in de maagdelijke wouden. De fraaie boomen van deze soort brengen meer of minder gezochte vruchten voort. Die, welke uwe aandacht heeft getrokken, de sapota achras, is vooral beroemd. Zijne vruchten worden voor de gezondste uit de keerkringlanden gehouden en uit zijn stam vloeit die witte gom, chicle geheeten, welke de bewoners van het warme en van het gematigde land zoo gaarne kauwen.”

De nacht overviel ons, terwijl wij een bout van het door den Encuerado gebraden damhert aten. Gebrul herinnerde ons er aan dat wij door wilde dieren omringd waren; maar onze twee vuren en de door den Indiaan gemaakte afsluiting, waren voldoende om ons gerust te stellen; wij sliepen in, maar sprongen meermalen verschrikt wakker, zoo vreeselijk was het geraas rondom ons.

Illustration from Lotgevallen van een jeugdigen natuuronderzoeker

Notes in this chapter

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings