XXXVI.
A. Nuyens translation
THUISKOMST.
Twaalf mijlen scheidden ons nauwelijks van Orizava, en wij vergingen van ongeduld om thuis te komen. Lucien, die geheel hersteld was, beklom het eerst den berg. De vogels zongen, de insecten gonsden, de bloemen ontloken met een feestgelaat; allengs trokken alle voortbrengselen van het Gematigde Land langs onze oogen heen. Als wij nu pas vertrokken, zouden wij de bananen-, koffie-, oranje- en citroenboomen bewonderd hebben, maar nu wenschte iedereen vleugels te hebben, om spoediger thuis te zijn. Bergen, bosschen, valleien werden met eene koortsachtige haast over- en doorgetrokken en de nacht alleen kon ons noodzaken rust te nemen. Jaunet en Verdet hadden gedurende een groot gedeelte van den weg de twee namen gestameld, welke hun jonge meester hun geleerd had.
Om drie uur in den morgen verweet Lucien ons reeds dat wij zoo langzaam waren. Wij ontmoetten eene Indiaansche hut; ons verwilderd uiterlijk maakte de bewoners eerst bevreesd. Langzamerhand stelden zij zich echter gerust en onthaalden ons op gebraden boonen en tasojo, in de zon gedroogd ossenvleesch. De Encuerado verlichtte zijne mars met wat van onzen voorraad overbleef en schonk het onzen gastheer; daarna begon hij, tot aan het laatste oogenblik de gebaande wegen versmadende, een heuvel te beklimmen.
»O! mama, lieve mama,” riep Lucien uit; »als zij eens wist, hoe dicht wij in hare nabijheid zijn.”
En hij liep met zooveel vuur vooruit, dat wij hem met moeite konden volgen.
»Drommels, drommels!” herhaalde Sumichrast, »zijt gij dan het spreekwoord vergeten: Wie langzaam gaat, gaat zeker! uwe overijling zou ons in een ravijn kunnen doen storten; laten wij, als 't u belieft, zien dat wij heelhuids aankomen.”
De knaap hield zich in; maar weldra liep hij weer met Gringalet vooruit, die eveneens blijde scheen te zijn en begon te begrijpen dat hij weldra zijn hok en zijn voerschotel zou terugvinden.
Eensklaps groetten eenige houthakkers mij bij mijn naam. Verrukt over de verhalen van den Encuerado, begeleidden zij ons meer dan een uur. Zij zagen Lucien vol bewondering aan, en deze zou er zeker hoovaardig door geworden zijn, als niet de gedachte dat hij weldra zijne moeder, broertjes en zusjes zou omhelzen, elke andere gedachte overheerscht had. De Indianen verlieten ons aan den voet van den berg, den laatsten dien wij nog over te trekken hadden en waarvan de steile helling onzen ijver temperde.
»Emile, Emile, Emile,” riep Jaunet.
—Hortense, Hortense! antwoordde Verdet.
—»Zij kunnen u nog niet hooren,” zeide de Encuerado hun, »maar dezen avond zult gij kennis met hen maken. Maar ge zult, hoop ik, niet vergeten, dat ik, als gij hen ooit bijt, verplicht zal zijn jelui ook te bijten en mijne tanden zijn wel zoo goed als jelui bek.”
Lucien kwam het eerst op het bergvlak en de vulcaan van Orizava vertoonde zich vlak vóór ons. Nog eenige schreden en onze oogen staarden op eene onmetelijke vallei,—Orizava strekte zich voor onze voeten uit.
De jonge reiziger beschouwde de stad, waarin hij geboren was; hij gevoelde niet eens dat de tranen onwillekeurig langs zijne wangen vloeiden; hij strekte de armen uit en snikte.
»Ik schrei omdat ik zoo gelukkig ben,” zeide hij tot zijn vriend, die hem wilde troosten.
Wij deelden trouwens allen zijne ontroering. Het was de 5 Juli, ik riep de verschillende voorvallen van onze reis, die zeven en zeventig dagen geduurd had, en gedurende welke wij meer dan driehonderd mijlen hadden afgelegd, in mijn geheugen terug. Nu wij de haven bereikten, was ik blijde de reis te hebben ondernomen. Ik dankte God voor Zijne blijkbare bescherming en voor het laatst gaf ik het teeken tot het vertrek.
Naar gelang wij afdaalden, vertoonde de stad zich ook duidelijker. De Encuerado somde de kerken en straten op; eindelijk ontdekte Lucien ons huis, dat door een prachtigen oranjeboom gemakkelijk te herkennen was. De Borrego, badende in het zonlicht, droeg op zijn top de Fransche vlag. Om aan het ongeduld van den knaap te voldoen, die zoo spoedig mogelijk thuis wilde zijn, voerde Sumichrast ons in een steil ravijn. De karavaan bereikte de vallei juist op het oogenblik dat de klokken den Angelus luidden.
De zon ging onder en de duisternis omgaf ons. Ieder oogenblik gingen ons Indianen voorbij en hier en daar werden de lichten reeds aangestoken. De Rio Bianco versperde ons den weg; maar hier en daar vergunden verspreide rotsblokken ons haar bijna droogvoets over te trekken. Gringalet begon te blaffen en verdween eensklaps als eene pijl. Twintig minuten later trokken wij Orizava door de achterafgelegen straten binnen, teneinde niet te veel volk op onze hielen te krijgen. De beweging in de stad kwam ons zeer vreemd voor. Op vijftig schreden afstands van mijne woning namen Lucien en de Encuerado den looppas aan; zij vonden het geheele huisgezin op den drempel; Gringalet had onze komst aangekondigd.
Toen ik op den binnenhof kwam, vond ik Lucien en zijne moeder in elkanders armen schreien; Emile, Hortense en Amelie draaiden rondom de mand, waarop Jaunet en Verdet zaten. In een hoek bemerkte ik de kisten, welke ik aan Torribio had toevertrouwd.
Met welk een geluk nam ik nu weer in een goeden armstoel en te midden der mijnen plaats! Men vond, dat Lucien groot was geworden; maar zijne bruine tint, zijne magerte en de litteekens waarmede hij overdekt was, legden getuigenis af van de zware beproevingen, die hij ondergaan had.
De Encuerado ging tegen den post van de deur van het salon staan en krulde de breede randen van zijn hoed, op gevaar af van ze te misvormen, rond.
»Zonder hem zouden wij omgekomen zijn!” zeide ik tot mijne vrouw.
De brave Indiaan kuste de hand zijner meesteres.
»Och! Senora,” riep hij met tranen in de oogen uit, »wat is Chanito moedig geweest; als gij u de moeite wilt geven meester Job te ondervragen, zal hij er u wel een woordje over zeggen; hij heeft hem gezien, in de bosschen zoowel als in de Savanne.”
Mijne kinderen kwamen de zaal binnenstormen; zij hadden de mand doorgesnuffeld en kibbelden nu om de arme Rougette, die in het waterbekken in den tuin werd gebracht.
Jaunet en Verdet, op de leuning van een stoel gezeten, herhaalden als om strijd de namen van Hortense en Emile; de beide kinderen verbleekten van genoegen en verbazing.
»Gij ziet nu wel, dat ik ook met u had kunnen meegaan,” riep Emile met eene zonderlinge bewijsvoering uit, »de papegaaien kennen mij zelfs.”
—Neen, geen reizen meer,” sprak mijne vrouw; »ik wil mij niet meer aan zulke langdurige ongerustheid bloot stellen.
—Bah! Bah!” antwoordde Sumichrast; »gij zult meester Zonnestraal nog wel eens een klein tochtje toestaan.”
Op het zelfde oogenblik kwam meester Job, die zich door Gringalet liet voorstellen, vol ernst op het tapijt plaats nemen en liet zich aanhalen.
Hoe gelukkig was ik niet, nu ik mij weer aan tafel bevond, omringd door al de wezens, die mijn hart zoo dierbaar zijn! De Encuerado juichte Lucien toe, die zijne moeder telkens deed ontroeren door zijn verhaal van de voornaamste voorvallen van onze reis.
»Als het mijne beurt wordt om meê in de bosschen te gaan,” sprak Emile, die in een tijgerhuid gewikkeld binnen kwam, »dan zal ik...”
Hij kon zijn volzin niet voltooien, daar hij verplicht was zijn zegeteeken te verdedigen tegen zijn zusje Amelie, die beweerde dat de tijgerhuid groot genoeg voor hen beiden was.
»Niet waar, mama, u laat mij nog wel eens met papa meegaan?” vroeg Lucien. »Onze verzameling is nog niet voltallig. Den een of anderen tijd zullen wij haar toch moeten aanvullen.”
In die vraag vond men den jongen natuuronderzoeker terug. Onverzadigbaar te zijn is het lot van den verzamelaar.
De arme moeder schudde met het hoofd en omhelsde hem, zonder te antwoorden. Maar uit dat stilzwijgen kon men opmaken, dat zij haar kind niet gaarne aan de gevaren van eene nieuwe reis zou blootstellen.