← Table of contents
Lotgevallen van een jeugdigen natuuronderzoeker

XXIII.

A. Nuyens translation

OP WEG!—DE VOGELSPIN.—EEN KAKKERLAK.—WEZEL- EN CIVETKAT.—DE VLIEGENDE EEKHOORN.—DE DADELPRUIMENBOOM.—DE OTTER.—DE ENCUERADO WORDT GEWOND.

Drie dagen van een moeielijken marsch brachten ons te midden van het Gematigde Land. Wij trokken ditmaal de Cordilleras in de breedte over, klimmende, dalende, op de toppen rillende, en groote druppels zweetende in de nauwe en donkere dalen, waar het toeval van den marsch ons bracht. De vulkaan van Orizava vertoonde van tijd tot tijd zijn scherpen kegel, wat ons zeer hielp om onze richting te bepalen. Vier dagen nadat wij Coyotepec verlaten hadden, sloegen wij ons bivak aan den voet van een berg bij een rivier met helder en ijskoud water op.

Terwijl de Encuerado den vuurhaard gereedmaakte, ontdekte Lucien onder een grooten steen eene buitengewoon dikke, zwarte en harige spin, met pooten die met dubbele haken gewapend waren.

»Dat is een tarentella, nietwaar mijnheer Sumichrast?”

—Neen, vriendje, dat is de vogelspin, aldus geheeten omdat zij, naar men zegt, de nesten der vliegenvogels aanvalt en de jongen er van verslindt.

—Kan ik haar pakken?

—Niet met de handen; haar beet is gevaarlijk.

—Men zou zeggen, dat zij ons met die twee groote oogen, die dicht bij haar bek staan, aanziet.

—Zij ziet zonder twijfel naar ons; bedreig haar eens met dit takje, en gij zult zien dat zij zich ter verdediging gereed maakt.

De groote spin stak hare voorste pooten in de lucht en uit haar mond kwamen twee zwarte, gladde haken. Na een oogenblik geaarzeld te hebben, wierp zij zich onverwacht op het stukje hout, dat Lucien, achteruitdeinzende, vallen liet, terwijl de Encuerado het afschuwelijke dier verdreef.

Een tiental stappen verder vond de jeugdige natuuronderzoeker eene tweede spin en overstelpte mij met vragen. Ik kon hem niets dan eenige algemeenheden over deze zonderlinge klassen van dieren mededeelen.

»Maar, papa, wij ontmoeten bij elke schrede groene, zwarte, gele, goudkleurige spinnen; zijn er dan zoo veel soorten?”

—Er zijn er zoo vele, dat men ze niet alle kent; ik geloof zelfs, dat die van Mexico nooit beschreven zijn. Men zou ze trouwens op de plaats-zelve moeten bestudeeren; want het weeke lichaam der spinnen verliest door het drogen zijn vorm en men kan ze slechts bewaren door middelen, die een reiziger niet altijd onder zijn bereik heeft.

—»Ik heb er evenwel in mijne doos, die niet al te zeer gehavend zijn,” hernam de knaap.

En hij liet mij verschillende dieren met een driehoekigen buik zien, die bruine puntjes vertoonden en vol stekels zaten. Ik ried hem aan er zich van te ontdoen, daar hij dezelfde soorten in de omstreken van Orizava kon vinden.

Onderweg verscheurde ik eenige draden van een licht web, dat tusschen twee heesters was uitgespannen en waarvan de bezitster—eene grijze spin—onmiddellijk te voorschijn kwam om in haast de schade, die ik onvrijwillig had aangericht, te herstellen.

»Waar haalt zij toch dien draad vandaan, die zoo dun is dat men hem ternauwernood ziet?” vroeg Lucien.

—Uit vier bewaarplaatsen, die onder aan den buik gelegen en met eene gomachtige stof opgevuld zijn, welke hard wordt, zoodra zij aan de lucht is blootgesteld. Deze bewaarplaatsen, welke de natuuronderzoekers spintepeltjes noemen, zijn met ongeveer een duizendtal gaatjes doorboord. Uit elk dezer gaatjes komt een draad, die voor het ongewapend oog onzichtbaar is, omdat men er duizend noodig heeft om den draad te vormen, dien de spin op het oogenblik te voorschijn brengt.

—Wat spijt het mij nu, dat ik niet een groot aantal van deze insecten verzameld heb; wij hebben er zulke zonderlinge ontmoet.

—In de eerste plaats zijn de spinnen geen insecten; zij hebben longen en een hart, terwijl de insecten door luchtbuizen of tracheeën ademen.(34) Bovendien hebben de insecten voelsprieten en ondergaan zij gedaanteverwisselingen, wat niet bij de spinnen plaats heeft. Gij zult u zeker nog wel herinneren, dat zij aan den schorpioen verwant is.

—Ja, maar de schorpioenen kunnen niet spinnen.

—Die kunst verstaan ook niet alle spinnen; zoo leeft bijvoorbeeld die soort met gouden weerschijn, waarover gij zooeven spraakt, op planten en zij zou zeer in verlegenheid zijn, als het ongeluk haar overkwam van in het web harer spinnende zuster te vallen.

—Eten de spinnen elkander dan op?

—Zonder de minste aarzeling; de schorpioenen doen het ook; dat is eene familiekwaal.

—Dan verwondert het mij niet meer, dat de spinnen over 't algemeen zoo leelijk zijn.

—Al waren zij ook nog zoo mooi, dan zou dat nog niets aan hare geaardheid afdoen. Maar zij hebben bovendien ook hare goede eigenschappen—het geduld, bijvoorbeeld, en de vastberadenheid. De arme spin, die gij daar ziet, zweet, om zoo te zeggen, water en bloed, om eene prooi te vangen, die haar telkens ontsnapt. Nu eens verscheurt de wind het met zooveel moeite gesponnen weefsel; dan weer vliegt een groote kever, als een echte wildzang, door het web. En toch wordt het beestje niet ontmoedigd; het herstelt zijn val en terwijl het onbeweeglijk het wild bespiedt, dat voor zijn onderhoud noodzakelijk is, gebeurt het maar al te dikwijls, dat het in den snavel van een vogel wordt weggevoerd.

—En u, mijnheer Sumichrast, weet u niets over de spinnen?

—Zeker, meester Zonnestraal, veel anecdoten; zoo zegt men, dat men ze tam kan maken en dat zij dan tusschen de vingers de vliegen komen weghalen, die men haar voorhoudt; men verzekert zelfs, dat zij zich zeer dankbaar betoonen tegenover hen, die zoo in haar voedsel voorzien, wat mij eenigszins met die onaangename dieren verzoent. Ik moet u nog zeggen dat er eene soort bestaat, waarover uw papa niet gesproken heeft, de waterspin, die eene duikerklok vervaardigt, welke zij met een bewonderenswaardig instinct met lucht vult en met draadjes tusschen de waterplanten ophangt.

—Dat zal toch wel niet zijn om vliegen te vangen, veronderstel ik?

—Neen, zij voeden zich met larven, muggen en eendagsvliegen. De beroemde sterrekundige Lalande at uit pralerij eene kelderspin op; men beweert dat de Indianen uit de provincie Honduras ook van spinnen smullen.(35)

De Encuerado had op zijne beurt ook iets over de spinnen mede te deelen. Hij vertelde ons dat als een paard den voet op een vogelspin zet, de hoef binnen acht dagen afvalt en niet meer aangroeit. Hij beloofde bovendien aan Lucien dat, zoodra wij het Warme Land zouden bereikt hebben, hij hem de beroemde kristallen spin zou laten zien, die in duizend stukken breekt, als men onhandig genoeg is haar te laten vallen.

»Chema,” riep Lucien eensklaps uit, »kom eens naar die groote coucaratcha zien! Ik dacht dat die insecten alleen in de huizen leefden. Wat sleept zij toch achter zich aan?”

—»Een klein doosje, waarin hare eieren vervat zijn,” antwoordde ik. In drie of vier dagen zal dat doosje aan de zijde opengaan en er zullen een twintigtal jonge kakkerlakken uitkomen.

—Heet de coucaratcha kakkerlak?

—Kakkerlak of zwarte tor. Voor de geleerden is het een rechtvleugelig insect, voor de creolen een vuil dier, dat in de laden van alle meubelen binnendringt en er ongeveer dezelfde verwoestingen aanricht als de muizen. Des nachts loopen de kakkerlakken, die een letterkundigen smaak schijnen te hebben, in groot aantal in de kamers rond, knagen aan het papier en drinken de inkt uit.

—Zij wachten daartoe niet eens den nacht af,” riep Lucien uit; »zij hebben meermalen de onbeschaamdheid zoo ver gedreven, dat zij in mijn inktkoker hunnen dorst leschten, terwijl ik bezig was mijn schoolwerk af te maken. Ik ken bruine en groene kakkerlakken, maar de Encuerado heeft laatst volgehouden dat er ook witte zijn.

—De Encuerado heeft gelijk, antwoordde ik; ik heb er ook wel eens van die kleur gevangen en opgesloten, maar na verloop van vierentwintig uren waren zij roestrood geworden, zooals hunne geheele familie. Dit verschijnsel bewijst, dat de kakkerlakken van huid verwisselen, eene eigenaardigheid die zij met verschillende dieren gemeen hebben, zooals de groote spin, welke uw vriend straks heeft weggejaagd.

Ik ontrukte Lucien aan zijne entomologische studiën om hem meê onder de boomen te nemen, ten einde den hoofdschotel voor ons middagmaal op te zoeken. Wij stieten eerst op een Cacamizli of kattefret(36), een soort van wezel van een wreed uiterlijk, die ons met een scherpen schreeuw verwelkomde. Gringalet begon het dier onmiddellijk te vervolgen en bleef slechts stand houden bij den ingang van het hol van het dier. De cacamizli nestelt zich, evenals de wezel, waarvan hij slechts in grootte verschilt, op de zolders der woningen, waar hij zich des nachts aan de luidruchtigste beweging overgeeft. In de voorwijken van verschillende steden van Mexico staat meer dan één huis ledig, omdat men meent dat het door spoken bezocht wordt, terwijl het eenvoudiglijk bevolkt is met wezels en buidelratten.

Illustration from Lotgevallen van een jeugdigen natuuronderzoeker

Op tien passen van ons af, viel een dier naar beneden. (blz. 213).

»Opgepast!” riep de Encuerado eensklaps uit.

Een civetkat, een roofdier dat wel een weinig op een Angora-kat gelijkt, liep hard voor ons weg. Gringalet, wien het verveelde om op de wezel te wachten, kruiste zich met het dier en begon het dadelijk, niettegenstaande ons roepen, te vervolgen. De civetkat bleef eensklaps staan, wroette met haar scherpe nagels den grond om en verspreidde toen zulk een stank om zich, dat de hond dadelijk den terugtocht aannam.

De Encuerado vervolgde zijn marsch en geleidde ons zonder geraas te maken en met den vinger aan den trekker. Plotseling bukte hij om beter te kunnen hooren.

»Een quimichpatlan,” zeide hij zachtjes.

—Een »vliegende rat”, herhaalde ik aan Sumichrast.

Lucien wilde spreken; ik wees met den vinger op den Indiaan, die, den neus in den wind en half achter een dooden boomstam verborgen, den top van een ebbenhoutboom onderzocht. Op hetzelfde oogenblik legde de Encuerado aan en gaf vuur; hij had goed gemikt,—op tien pas afstands van ons viel een dier neer, dat in zijne stuipachtige bewegingen een vlies had uitgespannen, dat de pooten onderling verbond en het als met een mantel omgaf.

Lucien raapte het dier op, dat meer algemeen bekend is onder den naam van vliegenden eekhoorn. Daar men ze zelden alleen aantreft gingen mijne beide gezellen opnieuw op de jacht en doodden er een tweeden.

»Moeten wij die dieren eten?” vroeg Lucien.

—Waarom niet!” antwoordde ik. »Het zijn eekhoorns, en al waren het ook ratten, zooals de Mexicanen beweren, dan zou hun vleesch er niet minder smakelijk om zijn.”

—Kunnen die eekhoorns lang vliegen?

—In werkelijkheid vliegen zij niet; maar het vlies, dat hunne vier pooten verbindt, houdt hen als een valscherm in de lucht en vermindert het gevaar van hunne verbazende sprongen.

—Loopen zij even vlug als de eekhoorns?

—Daar scheelt veel aan; zij komen zelfs niet op den grond; maar hunne vlugheid op de boomen maakt, dat zij hunne familie geen oneer aandoen.

—»Ik dacht, dat de vleermuis het eenige vliegende zoogdier was,” hervatte Lucien.

—»Wij hebben nog de phalangista,” zeide mijn vriend, »een dier dat tot de orde der buideldieren behoort en in Australië wordt aangetroffen; het gelijkt op de buidelrat. Men zegt dat het zich als het een mensch ziet, aan den staart laat hangen en geen beweging durft maken. Dit sprookje past goed bij dat van den Encuerado over de kristallen spin.

De Indiaan begaf zich in rechte lijn naar het bivak, terwijl ik mijne twee metgezellen weer naar den stroom terugbracht; onderweg hadden wij nog gelegenheid eene prachtigen dadelpruimenboom te bewonderen. Eén daarvan was beladen met bruine, van binnen witachtige vruchten, die een vrij aangenamen zuurzoeten smaak hebben. Ik plukte er in haast een half dozijn van, wetende dat het eene smullerij voor mijn bediende zou zijn.

Terwijl wij zoo onzen weg vervolgden, zagen wij dat de oevers van den stroom trapsgewijze lager werden en weldra vertoonde zich een meer, dat heerlijk omgeven was met cypressen, populieren, elken, ebbenhout- en styraxboomen, aan onze oogen.

Ik ging op eene rots zitten, vanwaar mijne oogen op het blauwe en doorschijnende water rustten; Sumichrast en Lucien kwamen naast mij zitten. Verrukt over de lachende majesteit van dit onbekende plekje der wereld, bleven wij sprakeloos zitten. Vogels zweefden door den wolkenloozen hemel, kwamen in onze nabijheid zitten, kweelden een oogenblik, en vlogen verder, na ons den tijd te hebben gegeven om de rijke kleuren van hun gevederte te bewonderen. Op het onbeweeglijke water liepen duizenden insecten met lange pooten en doorschijnende vleugels, die eene onzichtbare kracht over de effene vlakte deed glijden. Soms verscheen een waterjuffer met een azuurblauw en purper lichaam, en alles vluchtte voor dien vijand, als een troep musschen voor een sperwer. Een vlinder met gouden en perlemoeren vleugels kwam onder het bereik van het vraatzuchtige insect. Meer dan één vreeselijk gevecht werd onder onze oogen tusschen de kleinste schepsels geleverd; eindelijk vond de waterjuffer, die den vlinder bijna overwonnen had, een graf in de maag van een vogel.

Wij wilden ons juist verwijderen, toen het water tot in de diepte in beroering scheen gebracht te worden, en terwijl op de oppervlakte vliegen en muggen met hun spel ongestoord voortgingen, vluchtten de visschen vol spoed en schenen hun angst aan de waterslangen mede te deelen. Een schildpad, die den terugtocht nutteloos scheen te oordeelen, trok haar kop en pooten binnen haar schaal terug. Bijna op hetzelfde oogenblik hield een dier, dat krachtig zwom, bij het kruipdier stil om het te beruiken en vervolgde toen zijn weg.

—Zijn er dan ook water-buidelratten? vroeg Lucien.

—»Dat is een otter,” antwoordde ik zacht.

Terwijl wij zonder geraas de rots afdaalden, volgde ik Sumichrast naar den waterkant, naar eene plek, waar het dier aan land scheen te willen komen. Een uur verliep evenwel in vruchteloos wachten.

Mijn vriend stelde voor in de haast te gaan eten en daarna weer onzen post bij de rots in te nemen. Eenige minuten waren voldoende om bij den Encuerado terug te zijn; want zonder het te weten hadden wij ons bivak op nauwelijks vier geweerschoten afstands van het meer opgeslagen. De Indiaan sprong van vreugde, toen hij de nabijheid vernam van wat hij een waterhond noemde.

»Ge moogt me een ezel noemen,” zeide hij tegen Gringalet, terwijl hij hem streelde, »als ik je morgen ochtend geen bout van je broer vóór ontbijt breng.”

—Zijn de otters dan werkelijk verwanten van Gringalet?” vroeg Lucien mij.

—»Ja,” antwoordde ik; »volgens Cuvier zijn het teenloopers. Overigens laat de otter zich zoo tam maken als een hond en men richt hem af om visch te vangen, dien hij te gereeder weet te krijgen, daar hij niets anders dan visch eet.”

De vliegende eekhoorn werd noch goed, noch kwaad bevonden; maar de Encuerado smulde van de dadelpruimen, wat niet belette dat hij het eerst gereed was. Lucien, altijd even ongeduldig, knorde op Sumichrast, die smakelijk zijn koffie dronk.

»Drommels, drommels! meester Zonnestraal,” riep hij vroolijk uit, »gij vergeet dat ik een Zwitser ben en half een Indiaan ben geworden, en dat ik aan de Franschen de onbezonnenheid en de voortvarendheid overlaat.”

—Moet ik mijn aandeel in het compliment nemen?” vroeg ik glimlachende.

—»Ge zult moeten bekennen,” antwoordde mijn vriend, »dat wij een tamelijk volledig geheel vormen en dat, alles wel overwogen, mijne langzaamheid ons meer dan één middagmaal heeft bezorgd, waarvan uw Fransch ongeduld ons zou beroofd hebben.

—En gij zult, op uwe beurt, moeten bekennen, dat mijne voortvarendheid ons meer dan één ontbijt heeft verschaft, dat uwe langzaamheid ons zou hebben doen verliezen.

—Drommels, drommels! dan is het uit met mijne meerderheid; we zullen dan maar zeggen, dat alles om 't best is.

—»Toch niet,” riep Lucien uit; »terwijl wij praten gaan de otters slapen, zonder ons goeden nacht te wenschen.

—Dat hebt ge mis, Chanito; de waterhonden gaan juist des nachts aan 't werk.

Tien minuten later stonden wij op nieuw bij de rots op den uitkijk. De Encuerado wilde ons niet volgen en ik liet hem handelen zooals hij zelf verkoos. De zon was op punt van onder te gaan en achter ons teekenden de boomen hunne donkere schaduwen tegen een oranjekleurigen hemel af, terwijl honderden vogels te gelijk babbelden. De schemering bedekte den horizon en overal heerschte eene plechtige stilte. Allengs begonnen de sterren te schitteren en steeg de maan boven de boomen. Haar wit licht drong door het gebladerte en verleende het fantastische vormen, die aan een bovennatuurlijke wereld deden denken. Naar gelang het gesternte hooger steeg, verspreidde het ook meer licht en ik ken geen prachtiger schouwspel dan die nachten onder de keerkringen, die helderder, zachter en geheimzinniger zijn dan de zoo geroemde nachten der koude landen.

Een schot brak de mijmering af, waaraan ik mij had overgeleverd en het hioe! hioe! van den Encuerado riep ons. De Indiaan draafde langs den voet der rots, door den getrouwen Gringalet gevolgd. Een pijnlijke kreet deed mij schrikken; Sumichrast verdween als een pijl uit den boog, terwijl ik den loop van Lucien bespoedigde. Ik hoorde een groot geraas van stemmen, bijna door het razend geblaf van den hond overheerscht; ik vond mijn vriend, die de keel van een otter, dien Gringalet woedend beet, tusschen zijne handen dichtkneep. De Encuerado, op den grond gezeten, drukte vol angst zijn rechterarm; hij was door het dier, dat hij te overijld had willen vatten, gebeten. Het was nu de tijd niet om verwijtingen te doen; ik troonde mijn dienaar in allerijl naar het bivak mede; hij troostte Lucien, die in stilte schreide.

Het onderzoek van de beet stelde mij gerust; ik was eerst bang voor eene verscheuring, maar die bestond niet. Ik verbond den gekwetste, wat hem zeer verlichtte.

»Oh! Tatita,” sprak hij, »'t gaat nu beter, veel beter; maar toen die rakker mijn arm beet pakte, dacht ik dat ik flauw zou vallen.”

—»God geve dat dit ongeval je wat voorzichtiger moge maken,” gaf ik ten antwoord; »hoe kondet gij het ook in uw hoofd krijgen om een gewond dier te naderen, als ge weet dat het zulke scherpe tanden heeft als de otter?”

—Hij wilde in 't water springen en dan zou hij verloren zijn geweest; toen heeft hij zich dood gehouden.

—Dat wil zeggen, dat hij het gunstige oogenblik bespiedde om zich op u te werpen.

—Gij hebt misschien gelijk, Tatita, ik zag hem naar de rivier gaan; toen heb ik geschoten en ben naar hem toegeloopen. Nadat het dier getracht had te vluchten, is het zonder beweging neergevallen. Ik heb er mij overheen gebukt en voelde toen dadelijk zijne tanden. De pijn was zoo hevig, dat ik de kracht niet had om er meê te worstelen; gelukkig is Tata Sumichrast toen gekomen, zonder nog Gringalet mee te rekenen, die uit al zijne macht beet, maar niet op een zulke goede plaats als de otter, anders zou hij mij wel spoedig hebben losgelaten.”

Mijn vriend stroopte het wild de huid af en stak het onmiddellijk aan het spit. Lucien onderzocht het dier met zijn opgekrulden snuit met breede neusgaten, en zwart en glad haar en de pooten van zwemvliezen voorzien, zooals de eenden en de Nieuw-Foundlanderhonden. Zoodra het gebraad goed gaar was omwikkelde ik het, om het voor de insecten te beschermen, waarna wij ons te ruste begaven. Ik voorzag wel dat de Indiaan den volgenden dag zijne mars niet zou kunnen dragen, en dat de noodzakelijkheid om hem te vervangen, mijn geduld en dat van Sumichrast op de proef zou stellen, want wij konden er niet toe besluiten ons oponthoud te rekken. De slaap overviel ons, zonder dat dit gewichtig vraagstuk eene oplossing had gekregen.

Illustration from Lotgevallen van een jeugdigen natuuronderzoeker

Notes in this chapter

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings