XXIX.
A. Nuyens translation
NACHTELIJK BEZOEK.—VAL VAN EEN BOOM.—EEN DROEVIGE NACHT.—VERSNELDE MARSCH.—DE APEN.—DE ZWEEPSLANG.—MEESTER JOB.—MET DEN SCHRIK VRIJ.
Na ons een oogenblik aangekeken te hebben, begon het dier gluiperig om ons heen te kruipen, nu eens achter de boomen verdwijnende, dan weer te voorschijn komende.
Ik haastte mij het vuur grooter te maken en ging toen weer naast Lucien zitten, die, het geweer in de hand, den vijand moedig in de oogen keek.
»Wat zou de Encuerado blij zijn als hij hier was,” sprak hij, »hij verlangt er zoo naar een tijger te dooden.”
—Deze zal zeker wel niet de laatste zijn, dien wij hier zullen ontmoeten,” antwoordde ik; »maar pas vooral op, dat gij niet schiet.”
—Zou het beest zich dan op ons werpen?
—Het zou veeleer vluchten; maar wij zullen morgen ons kruit wel noodig hebben.
Het roofdier bleef gedurende een uur om ons heen sluipen, knorde van tijd tot tijd, sprong op als om zich te verwijderen en kwam dan onverwacht weer te voorschijn. Eindelijk ging het op twintig pas afstand van het vuur zitten, strekte zich op den grond uit en rolde rond als om te spelen; maar bij de minste beweging die wij maakten, stond het snel op, legde zijne ooren in den nek en opende halverwege zijn verschrikkelijken muil. Plotseling weerklonk een vreeselijk geraas, gevolgd door een veelvuldig geknetter, als van veel losbrandingen; daarop volgde een oorverdoovend geraas van gebroken takken, terwijl een vreeselijke schok den grond deed dreunen. Lucien drukte zich verschrikt tegen mij aan.
»Hoe!” sprak ik, »herkent gij dan niet meer het geraas, dat een neervallende boom maakt?”
—O vader! Sedert den dag van den orkaan heb ik iets dergelijks niet gehoord.
—Dat is waar; maar gij zult aan zulk een ongeval wel gewoon raken; bij den eersten storm den besten zal de wind meer dan één van die eeuwenoude reuzen omverwerpen.
—De tijger is ook geschrokken, want hij heeft de vlucht genomen.
En werkelijk vertoonde onze vreeselijke buurman zich niet meer.
»Tracht nog wat te slapen, arme kleine, want wij zullen morgen misschien veel moeten loopen.”
Ik leunde mijn hoofd tegen dat van den knaap, die spoedig in mijn armen in slaap viel. Het woud had zijne plechtige stilte hernomen, welke nog slechts verstoord werd door den verren val van een tweeden woudreus, die door de insecten of door den tijd ondermijnd was.
Mijn toestand zou mij veel minder verontrust hebben, als ik mijne weitasch vol schietvoorraad bij mij had gehad. Ik twijfelde er volstrekt niet aan of Sumichrast en de Encuerado zochten naar ons; maar ik kende zoo goed het gevaar van op goed geluk in deze onmetelijke wouden rond te dolen, waar men telkens op zijn uitgangspunt terugkomt, terwijl men meent voorwaarts te gaan, dat tegen wil en dank de somberste voorgevoelens zich van mij meester maakten. De opkomende zon kon mij misschien een herkenningsteeken geven, maar mijne makkers konden misschien op hetzelfde oogenblik eene tegenovergestelde richting van de mijne inslaan en in dat geval zouden onze wederkeerige pogingen niets uitwerken dan den afstand, die ons scheidde, te vergrooten.
Tegen den ochtend dutte ik in, door vermoeidheid uitgeput en door den slaap overmand. Ik droomde dat wij aan het einde van onze reis waren en Orizava naderden. Het was nacht, de Encuerado leidde ons en het gelui der klokken weerklonk in de duisternis. Ik bemerkte een licht, daarna mijne woning en voor de geopende vensters de blonde kopjes mijner kinderen. Ik beknorde den Indiaan, omdat hij te langzaam liep. Ik liep nu vooruit, de klokken bengelden steeds door, maar het betooverde huis veranderde telkens van plaats. Ik deed eene poging om hard te gaan loopen en werd wakker; een dun lichtstraaltje kondigde den morgenstond aan.
Ik wilde Lucien op den grond zetten, waardoor hij de oogen opende, mij toelachte en omhelsde. Zijn verbaasde blikken dwaalden om het vuur rond.
»Zijn wij dan nog altijd verdwaald?” vroeg hij mij.
—»Ik hoop, dat wij maar een weinig van den weg zijn geraakt,” antwoordde ik. »Gevoelt gij u sterk genoeg om te loopen?”
—»'t Zal wel moeten,” antwoordde hij, vlug opstaande.
De zon verlichtte ons en gedurende een kwartier uurs bleef ik met ter zijde hangend hoofd staan, hopende het geluid van een schot te hooren.
»De Encuerado slaapt nog,” zeide ik tot Lucien, »hij zal zich gister erg vermoeid hebben met naar ons te zoeken.”
Een uur verging in vergeefsch wachten. Meer dan eens had ik den haan van mijn geweer overgehaald, om het telkens weer af te zetten.
—Waarom schiet u niet, vadertje?
—Om niet nutteloos mijne patronen te verbruiken. Gij begrijpt wel dat Sumichrast en de Encuerado van tijd tot tijd zullen schieten om ons te roepen, en als het geluid van hunne schoten niet tot ons komt, zullen zij ons ook niet kunnen hooren.
Na het terrein onderzocht te hebben, ging ik langzaam voorwaarts, alles weer voor mijn geest brengende, wat de ondervinding mij geleerd had. Boomstammen, schors, mos, grashalmen, alles werd onderzocht; maar al de inlichtingen, welke deze kenteekenen mij konden geven, konden nuttig zijn als men een bekend punt, eene rivier of een berg wilde terugvinden, waar men soms eerst aankomt na een omweg van vijf of zes mijlen, maar zij waren geheel onnut om dat onmerkbaar stipje terug te vinden, dat wij Palmboomen-villa noemden, en waarvan wij misschien nauwelijks een paar mijlen verwijderd waren.
Ik volgde zooveel mogelijk ons spoor van den vorigen dag, vond hier en daar eenige indrukken van onze voeten, trilde bij het minste geraas en leende het oor aan het geringste geluid. Bromeliaceeën gaven ons genoeg water om onzen dorst te lesschen, maar om er bij te komen moest ik in de boomen klimmen en de hemel weet ten koste van hoeveel inspanning en tijdverlies. Ik wilde niet schieten dan op een wild dat het waard was; het gering aantal patronen dat ik bezat, maakte mij het meest ongerust. Plotseling hoorde ik het gekloek van de chachalacas; het was ongeveer twaalf uur.
»Ik begin honger te krijgen,” zeide Lucien, het hoofd schuddende.
—Ik ook, lieve jongen; maar als wij de chachalacas vervolgen, zouden ze ons wellicht weer achteruitvoeren.
—»Goeloegoeloe! goeloegoeloe! Schaamt gij u niet,” sprak mijn jonge metgezel, den toon van den Encuerado nabootsende, »schaamt gij u niet ons te tarten, als wij met een leegen buik loopen en niet op jacht kunnen gaan? Kom, kom! zoo gedragen fatsoenlijke vogels zich niet.”
Ik omhelsde den lieven jongen, wiens vroolijkheid mij een glimlach afdwong, en ik spoorde hem aan moedig verder te gaan. De lianen begonnen zich te vertoonen; terwijl zij zoo hunne slingers van den eenen boom naar den anderen wierpen, gaven zij aan het woud, door het zoo op te sieren, een feestelijk aanzien. Soms wortelden zij in den bodem en klommen dan weer langs een stam op, dien zij met hun bladeren overdekten. Deze kenteekenen van eene nabij zijnde opene plaats verlevendigden mijne hoop.
De vogels zongen, ik versnelde den pas, ik wilde er een schieten, die groot genoeg was om mijn honger en dien van mijn wakkeren, kleinen metgezel te stillen.
Niettegenstaande al mijne pogingen om hem mijn angst te verbergen, kon hem die toch niet geheel ontgaan; maar zijn gesnap, dat nog vroolijker was dan naar gewoonte, rechtvaardigde den bijnaam van Zonnestraal, dien Sumichrast hem gegeven had.
»Wees niet zoo treurig,” sprak hij eensklaps, »en wees het vooral niet om mij; komaan, ik weet het wel, wij zijn verdwaald; maar ik ben bij u en niet bevreesd; wij zullen den weg wel terugvinden.”
De arme jongen vermoedde niet, dat de dood ons reeds als zijne prooi beschouwde;—dat na een langere of kortere worsteling de honger, de dorst of de uitputting ons aan den voet van een boom zou doen neerzinken. Hij zeide, niet te begrijpen hoe ik hem zoo dwaas in dien doolhof had gevoerd, waaruit wij zoo veel moeite zouden hebben ons te bevrijden. Maar ik verweet het mij-zelven. Als ik alleen was geweest, zou ik meer vastberadenheid hebben bezeten. Ik gevoelde soms, dat de moed mij ontzonk en tranen bevochtigden mijne oogen; maar ik deed eene uiterste poging om die droevige gedachten te verbannen en ik zwoer dat ik tot het laatste zou volhouden, met het geloof en de geestkracht, die de redding moeten aanbrengen.
»De Encuerado zal ons wel terug weten te vinden,” sprak Lucien met zooveel overtuiging, dat zijn vertrouwen ook het mijne werd.
—Ja,” riep ik uit, »Sumichrast en de Encuerado zullen ons wel weten te vinden en zij zullen liever sterven dan ons aan ons lot over te laten. Bovendien zal God niet gedoogen...” Ik dorst mijne gedachte niet overluid te voltooien.
De marsch werd met nieuwen moed voortgezet.
»Drommels, drommels!” riep Lucien eensklaps uit, 't is of daar ginds takken bewogen worden.
—»'t Is een aap, sprak ik, hij behoort zeker tot de bende, die gister de villa heeft geplunderd.”

Een jong aapje bleef op drie meter boven den grond hangen. (Blz. 265).
Ik begon het dier te vervolgen dat, van tak tot tak springende, met ons scheen te willen spotten. Het liet eensklaps een keelgeluid hooren, waarop twintig stemmen antwoordden en de heen-en-weer slingerende lianen lieten ons eenige apen zien van de soort die men »Ateles Belzebut” noemt, en die in alle denkbare houdingen aan de planten hingen. Ik verborg mij achter een boom en beval Lucien stil te zijn. De apen, die aan hun grijpstaart hingen, slingerden zich van de eene plant naar de andere, kruisten zich, vervolgden elkander, lieten bij een soort van lachen hunne tanden zien en maakten met hunne lippen een geluid, zooals de koetsiers met den mond maken om hunne paarden aan te wakkeren. De vlugge dieren verwijderden zich twee of drie malen, maar zij kwamen zoo dicht bij mij terug, dat ik kon schieten. Ik geloof niet, dat ik ooit met meer opmerkzaamheid gemikt heb. Het schot viel en de bende nam onder een vreeselijk geschreeuw de vlucht. Het dier, waarop ik gemikt had, was slechts gewond; aan een liaan geklemd, zag het ons met zijn zwarte oogen aan, waarvan de leden allengs dicht vielen. Ik wilde een tweede schot lossen, toen het arme dier naar omlaag gleed en levenloos voor mijne voeten neerviel. Een jong aapje, hetwelk wij niet bemerkt hadden, bleef op drie meter boven den grond hangen en liet een klagend geschrei hooren.
Het hart bloedde mij, maar het leven van mijn zoon hing er van af.
Ik liep naar mijne prooi toe, vreezende dat zij mij nog zou ontsnappen; maar zij was wel terdege dood.
Eer een kwartier verloopen was, braadde het gestroopte dier voor een groot vuur. Ik had slechts den romp en de bouten bewaard, ten einde Lucien niet te verschrikken door het zien van een gestroopten aap. Terwijl ik op het gebraad paste, riep mijn kleine metgezel den jongen ateles, die niet ophield te klagen.
»Vader, laat mij op den boom klimmen om het arme dier te bevrijden?”
—'t Is groot genoeg om te vluchten en het zou u kunnen bijten.
—Welnu, ik zie het liever vluchten dan het zoo te hooren schreeuwen. 't Is of het schreit.”
Ik ging zelf aan de lianen hangen, overtuigd dat deze handelwijze den jongen aap zou verschrikken. Bij den tweeden greep liet ik mij evenwel op den grond glijden: ik bemerkte eene groote slang, die, in hare schuilplaats gestoord, een oogenblik boven mijn hoofd bleef slingeren; het was de zweepslang, wier beet zeer vergiftig is. Tot mijn geluk liet de slang zich vallen en verdween in de struiken. Ik hervatte mijne klimmerij en de jonge aap deed niet anders dan zijne tanden laten zien. Toen ik bij hem was gekomen, trachtte ik hem te grijpen. Hij was zeker door de vrees verlamd, want ik kon hem zonder tegenstand op mijn schouder zetten. Hij klemde zich aan mijne haren vast en rolde zijn staart om mijn hals; ik klom naar beneden, niet zonder vrees van een beet in mijn oor te krijgen. Maar dat gebeurde evenwel niet; de tanden van het arme dier klapperden van angst, en ik zette hem bij het vuur neer, waar zijn geklaag opnieuw begon. Ik bond hem met een zeer buigzame liaan, die ik om zijn middel deed, aan een struik vast.
Het zwarte en taaie vleesch van den aap was opgegeten en drie bromeliaceeën leverden ons voldoende water op om onzen dorst te lesschen. Ik stelde Lucien voor den tocht voort te zetten.
»Wij zullen onzen gevangene meênemen,” zeide hij.
—Zeker, hij zal ons goed te pas komen, als wij hedenavond onze vrienden nog niet terug hebben gevonden.
—Neen! riep de knaap uit, neen! al zouden wij dan ook tot morgen niet eten.
Ik versnelde den pas, op mijn schouder den nieuwen makker dragende, die dadelijk den naam van meester Job had gekregen. Eene opene plaats deed mijne hoop weer verlevendigen. Ik gaf mij nauwelijks de moeite om gele sapotes, eene soort met flauwen smaak, die wij nog niet hadden aangetroffen, te plukken; maar toen wij de opene plaats over waren, vertoonde het woud met zijn doolhof zich op nieuw voor ons.
Ik moest allengs mijn gang verminderen, want Lucien was vermoeid. Ik nam hem in mijne armen, waar hij insliep; zelf ook uitgeput, legde ik mijn dierbaren last aan den voet van een boom neer. Job sliep op zijn schoot.
Mijne gedachten werden somber. De stilte, die om mij heerschte, zeide mij dat ik mij van mijne makkers verwijderde, en ik vroeg mij niet zonder angst af, of ik mijn zoon niet in den dood voerde. De afgelegde weg had ons sedert lang bij de villa moeten terugvoeren; maar in een woud kan men niet in de rechte lijn gaan; wat te doen?
Na verloop van een half uur wekte ik Lucien, die mij toelachte. Hij liep eerst moeielijk, daar hij nog wat stijf van zijn slaapje was. Ik onderzocht met meer zorg dan ooit den grond en de schors der boomen, die mij op den weg zouden kunnen helpen. Met den dood in 't hart zag ik de zon dalen; de knaap, door vermoeidheid uitgeput, zag mij met betraande oogen aan. Ik bleef staan, de arme jongen ging voor mijne voeten liggen en sliep opnieuw in.
Mijn gespannen oor meende in de verte het geluid van een schot te hooren; ik stond op; was het soms niet een boom, die omviel? Of beteekende het een roepen van mijne gezellen? Ik nam mijn geweer op, maar aarzelde nog mijn voorlaatsten patroon te verschieten! De haan viel neer; ik volgde met angst het geluid, dat zonder echo in de verte wegstierf! Lucien bewoog zich niet.
»Sta op, sta op!” riep ik uit.
Een dof gerol dreunde door de lucht, ik brandde vol haast mijn laatste schot af, en met gesloten oogen, open mond en opgesperde neusgaten, vergetende te ademhalen, luisterde ik toe. Minuten, eeuwen verliepen, zonder dat iets de stilte verbrak. Lucien zag mij ontsteld aan.
Ik kneep met kracht mijn wapen, wanhopig zoo mijn laatste schot verspild te hebben, toen eene nieuwe losbranding, maar nu duidelijk en trillend, weerklonk.
—Dat is de Encuerado!” riep Lucien uit.
—»De Encuerado!”
Ik omhelsde den knaap als waanzinnig.
»Antwoord uw vriend!” riep ik uit, »uw geweer is nog in een der loopen geladen.”
Lucien vuurde; op hetzelfde oogenblik bijna klonk een schot uit het geweer van Sumichrast. Onze vrienden kwamen naar ons toe.
»Laat ons schreeuwen om hun te wijzen waar wij zijn,” sprak ik tot mijn zoon, »want wij hebben geen kruit meer.”
—Ohé, ohé, ohé!
—Hioe, hioe, hioe... Chanito! antwoordde eene stem in de verte.
Op hetzelfde oogenblik kwam Gringalet als eene pijl naar ons toe en wierp zich op zijn meester. Na ons met liefkoozingen overladen te hebben, ging hij weer heen. Tien minuten later vloog de Indiaan op den knaap toe en rolde met hem al snikkende over den grond, terwijl ik Sumichrast, zonder een woord te kunnen spreken, omhelsde.
Het woedend geblaf van Gringalet gaf aan onze ontroering afleiding; de hond draaide rondom den ongelukkigen Job, die aan een boom was vastgebonden. Nadat de vrede gesloten en de arme wees was voorgesteld, hield de Encuerado zich met het oprichten van den haard bezig, want wij moesten op deze plaats kampeeren. Sumichrast vertelde, dat wij meer dan twee mijlen van de Palmboomen-villa verwijderd waren. Sedert den vorigen dag en tot driemaal toe, waren zij naar het bivak teruggekeerd, in de hoop ons terug te vinden.
De pogingen onzer makkers om ons terug te vinden, waren vruchteloos geweest en Gringalet zelf, die er op uitgezonden was, doorsnuffelde tevergeefs de struiken. Dat komt omdat men ons rechts zocht, terwijl wij links liepen; want Sumichrast kon niet denken, dat wij de rivier den rug toekeerden.
De Encuerado haalde de levensmiddelen voor den dag, waaraan een ieder eer deed. Meester Job werd onder een grooten tak geplaatst en een diepe slaap maakte zich weldra van ons meester.
