← Table of contents
Lotgevallen van een jeugdigen natuuronderzoeker

XI.

A. Nuyens translation

EENE BLAUWE HAGEDIS.—DE INDIAANSCHE PEREBOOMEN.—DE BOOZE VROUW.—NEST GELE SLANGEN.—EEN PLANTAARDIGE HELM.—DE IJSVOGEL.—DE TROEPIALEN.—JACHT OP DRAAIKEVERS.—DE KIKVORSCHENLARVE.—EENE VERZAMELING WANTSEN.

Op de onveranderlijke rijstsoep der groote dagen volgden de op den vuurgloed gebraden reebouten, omgeven door aardappelen. De kostelijke knolvrucht, in den wilden staat verzameld, herinnert slechts in de verte aan den smaak van den gekweekten aardappel. In plaats van meelachtig is zij week, doorschijnend en bijna zonder smaak. Dit nam evenwel niet weg, dat wij er in smulden en alle eer bewezen aan het wildbraad, dat de Encuerado goed met piment had ingewreven om den geur er van te vermeerderen.

Terwijl wij eene sigaar rookten, die Sumichrast, naar gelang de omstandigheden, de rust-, raad-, of spijsverteringspijp noemde, keerde Lucien naar den struik terug, waarop hij de cicaden had gevonden, deed er een grooten voorraad van op en vond nog eene derde soort, die de gedaante van een triangel had met twee aan de basis zittende hoorns. Hij liep naar ons toe om ons deze miniatuurstieren te laten zien en poogde daarop, met een langen stok als hefboom gewapend, een grooten met mos overdekten boomstronk op te heffen. Hij slaagde er niet zonder veel moeite in, en zag toen tusschen den wortel verborgen, een fraaie hagedis met groenachtigen rug en azuurblauwe keel en zijden, welke verscheidenheid ons nog onbekend was. Het diertje, waarschijnlijk door het licht verblind, liet zich pakken, boog daarop den kop omlaag en beet den knaap in den vinger, die haar toen liet vallen. De Encuerado pakte de vluchteling evenwel weer beet.

»Weet gij niet, dat de hagedissen geen kwaad doen? vroeg Sumichrast aan Lucien.

—Daarom bijten ze dan zeker, hernam de knaap, zijne hand schuddende.

—Ja, antwoordde de natuurkundige, maar stel u gerust, hare beet is nooit vergiftig.

De nacht kwam. Eene menigte insecten begonnen om het vuur te dwarrelen en verbrandden zich de vleugels alsof het niets ware. Sumichrast verzamelde op deze wijze verschillende nachtvlinders. Lucien wilde de oorzaak kennen, die zooveel arme beestjes tot de vlam aantrok. Twee of drie groote kevers kwamen, in plaats van zooals de andere insecten om het vuur heen te vliegen, met groot geraas aansnorren en wierpen zich op de gloeiende kolen.

—Zie eens waartoe de onbezonnenheid voert, sprak Sumichrast. Als wij van af ons vertrek maar voort waren geloopen, zonder voor onze voeten te zien, zouden wij lang op den bodem van een afgrond liggen.

—Maar de kevers en vlinders vliegen uit vrije verkiezing in de vlam, antwoordde de Encuerado op zijn onverstoorbaren redeneertrant.

—Maar zij weten niet dat zij brandt, hernam ik.

—Dat is waar, mompelde de Indiaan op een medelijdenden toon, de arme drommels kunnen geen vuur maken.

De vermoeidheid deed ons onze gemakkelijke jacht opgeven en wij sliepen onder eene zoele lucht in, die ons te aangenamer was, als wij aan het lijden van den vorigen nacht dachten.

Onze slaap werd onderbroken door het herhaalde geroep van eene schaar sierlijke vinkvogels, door de Mexicanen »wekkers” (despertadores) geheeten. De dag vertoonde zich ternauwernood en in spijt van de voorspelling van den Encuerado had het niet geregend. De glans van het opnieuw aangewakkerde haardvuur verdreef onze gevederde buren, maar dank zij hun geschreeuw vond de eerste zonnestraal ons geheel voor de reis gereed. Op het punt zijnde van te vertrekken, ontstond er eene nieuwe woordenwisseling. Wij moesten over het ravijn en door den stroom.

De Encuerado zeide, dat wij de rivier op, een waadbare plek moesten zoeken en dat was ook mijne meening. Sumichrast hield daarentegen staande, dat wij veel meer kans hadden de oevers lager te zien worden, als wij de tegenovergestelde richting volgden; zijne meening hield de overhand en hij wees ons den weg, terwijl hij met zijn machete een pad door het struikgewas baande.

Daar wij hardnekkig den rand van het ravijn volgden, kwamen wij slechts met buitengewoon veel moeite vooruit. Het geraas van den stroom, die grooter scheen te worden, trok ons naar het woud, waar de afwezigheid van gras en kreupelhout ons toeliet vlugger te loopen.

De boomen begonnen dunner te staan en wij kwamen weer in het struikgewas terecht, om eindelijk op eene vlakte uit te komen, die vol met Indiaansche pereboomen stond. Deze struiken leverden ons eene menigte nog groene vruchten op, waarop wij allen zeer verlekkerd waren. De Encuerado maakte van dezen onverwachten oogst gebruik, om de ledige plaatsen in zijne mars aan te vullen. De wilde goyavaboom of Indiaansche pereboom is eene soort van myrth, die in het Gematigde Land overal in 't wild groeit en eene hoogte van verscheidene meters bereikt. De vruchten, die zelden rijp worden zonder door de vogels en insecten aangevreten te zijn, hebben een smeltend, suikerachtig en zeer geurig vleesch, vol pitten; men beschouwt ze als koortsverdrijvend en samentrekkend. De gekweekte struik verandert van uiterlijk; de takken worden lang en komen vol met bladeren, die aan den onderkant zilverachtig zijn en de vruchten bereiken de grootte van een citroen, waarvan zij ook den vorm en de kleur hebben.

Lucien, die van struik tot struik ging om de mooiste vruchten te plukken, bewees ons, dat de lessen van zijn leermeester niet tevergeefs waren geweest en dat hij goed in de boomen wist te klimmen.

Iedereen nam zijne vracht, waarvan hij zich een oogenblik ontdaan had, weder op; maar toen de Encuerado zijne mars weer op den rug wilde nemen, kon hij haar onmogelijk opheffen. Ik hielp hem en raadde hem aan ten minste de helft van zijn oogst achter te laten, doch hij wilde mijn raad niet opvolgen. Maar bij de eerste schreden, die hij deed, waggelde hij als iemand, die dronken is en viel hij onder zijne last neer, terwijl de goyavavruchten over den grond rolden.

Ons gelach kwetste de eigenliefde van den goeden Indiaan.

»Arme Jose-Marie!” riep hij uit, met ten hemel geheven handen. »Je wordt oud. Wat een schande! niet eens meer een handje vol goyava's te kunnen dragen. In je jonge jaren zouden drie zulke manden vol nog niet zwaar genoeg zijn geweest om je knieën te doen buigen als een oud paard. Arme Jose-Marie.”

De Encuerado overdreef wel een weinig zijne vroegere kracht, in elk geval viel het hem zwaar om een groot gedeelte van de vruchten, die hij verzameld had, achter te laten en ons aandringen vermeerderde nog zijne teleurstelling. Om hem te troosten moest ik hem in herinnering brengen, dat de goyavavruchten in vierentwintig uren bedorven zijn en dat zijne mars er meer bevatte, dan wij konden opeten.

Sumichrast ging ons een twintigtal passen vooruit; eensklaps bleef hij staan en deinsde achteruit. Toen ik bij hem was, peilden mijne blikken een ontzaglijken afgrond, op welks bodem de rivier zich met groot geraas uitstortte. Het water hoopte zich eerst zwijgend en als slapende in een groot bekken op, wierp zich vervolgens tegen eene onmetelijke rots, om dan weer loeiende en schuimende in twee takken te voorschijn te komen, die, na zich vereenigd te hebben, duizenden watervallen vormden. De lust bekroop ons om in den afgrond af te dalen, ten einde dit wonderschoon tafereel van alle kanten te kunnen beschouwen.

Alvorens in het struikgewas te dringen, legden wij de doozen en weitasschen af, want de onderneming vereischte al onze vlugheid. Zoolang men zich aan de planten en heesters kon vastklampen, scheen het neerdalen slechts een kinderspel; maar weldra betraden onze voeten een rooden ijzerhoudenden grond, die door eene afstorting geheel kaal was geworden. Sumichrast waagde zich het eerst op dit gevaarlijk terrein, dat bij den derden pas onder hem instortte. Hij rolde de helling af, klampte zich instinctmatig aan de eerste takken de beste, die hij grijpen kon vast, welke hij onmiddellijk, onder het uiten van een kreet weer los liet. Gelukkig hield een heester hem boven den afgrond tegen. Ik sloeg mijn hakken diep in den lossen bodem, om mijn vriend hulp te bieden, die, het gelaat door pijn samengetrokken, zijne rechter hand, welke reeds geheel rood, opgezwollen en met witte blaren bedekt was, naar mij ophief. De tak, dien hij in zijn val had vastgegrepen, behoorde aan eene reusachtige brandnetel, die de Indianen mala mujer, booze vrouw, noemen. Deze plant groeit slechts op vochtige oevers,—uit boosaardigheid, zeide de Encuerado, ten einde eene kwade poets te spelen aan den reiziger, naar wien hare verraderlijke groene stengels en behaarde bladeren zich uitstrekken.

Het lijden van Sumichrast bedroefde ons, want wij kenden bij eigen ondervinding de ondragelijke branding, welke de steken van de »booze vrouw” veroorzaken.

Illustration from Lotgevallen van een jeugdigen natuuronderzoeker

Een struik hield hem boven den afgrond tegen. (blz. 96).

De Encuerado nam Lucien onder zijne hoede, terwijl ik den gewonde hielp vooruitkomen. Wij wonnen, zonder te veel hindernissen, een weinig terrein; maar weldra verhief zich een bosch van brandnetels voor ons. Sumichrast en Lucien gingen zitten, terwijl ik, door den Encuerado geholpen, met behulp van de machete een nauw en bochtig pad baande op een bodem, waarvan de grillige slingeringen meer dan eens onzen arbeid nutteloos maakten; eindelijk bereikte ik ahuéhuétés met een somber gebladerte,—wij waren bijna de moeielijkheid te boven.

Ik keerde naar mijne gezellen terug; de stengels van de brandnetels op eenige duimen boven den grond afgesneden, dienden ons tot steunpunten. De altijd te goed vertrouwende Encuerado struikelde, zoodat zijn wang met een blad in aanraking kwam. Dit was genoeg om hem bijna onherkenbaar te maken. Alhoewel ik hem beklaagde, kon ik mij toch niet inhouden om te lachen over de gezichten, die het branden, door de vreeselijke stekels veroorzaakt, hem deed trekken. Het was een optrekken van den neus en een bewegen van de kaken, die Sumichrast zijn eigen lijden deden vergeten. Gringalet, den staart omhoog geheven, scheen het gevaar te trotseeren; ik merkte evenwel op dat hij, door zijn instinct gedreven, vermeed op de bladeren te trappen, waarmede het pad bezaaid was.

Onder de ahuéhuétés, eene soort van cypres, vertoonden zich vijf of zes slangen, die bijna onmiddellijk verdwenen. Eene enkele, ongeveer anderhalven meter lang, hield aan den voet van een boom in en wierp een vertoornden blik op ons. Gringalet liep woedend en blaffend om het kruipdier rond, dat, op zijn staart opgericht, zijn kop als eene pijl naar voren wierp. Zijne huid, van eene fraaie, goudgele kleur, met groenachtige punten bezaaid en met twee, bijna onzichtbare overlangsche zwarte strepen geteekend, wekte onze bewondering op. De Encuerado riep den hond terug, de slang rolde zich op, draaide den kop in alle richtingen rond en bewoog hare zwarte en gevorkte tong snel heen en weer. Eensklaps strekte zij zich op den bodem uit en schoof een vogel, dien wij eerst niet hadden opgemerkt en welke nog stuiptrekte, voor zich uit; daarna opende zij den bek en sloot dien herhaalde malen;—men zou gezegd hebben, dat zij geeuwde. Plotseling slikte de afschuwelijke en buitenmate opgesperde muil den kop van den vogel in en de slang bleef onbeweeglijk liggen, alsof deze eerste inspanning haar had uitgeput. De prooi was klein, in verhouding tot de grootte van de slang en twee of drie slikkingen zouden haar hebben doen verdwijnen; maar de Encuerado had voor beginsel, dat de kruipdieren in 't algemeen kwaaddoende dieren zijn; hij trok derhalve zijne machete, liep op de slang toe, die, den vogel wegwerpende, met een ruw geschuifel de vlucht nam.

»Is dat dan een ratelslang?” vroeg Lucien verwonderd.

—Neen, 't is eene gladde slang, dat wil zeggen een niet giftig kruipdier. De Indianen noemen deze de gele slang en vreezen haar ten onrechte. Zij klimt met eene buitengewone behendigheid tegen de boomen op om er de vogels tot in hunne nesten op te zoeken. De beelden van den oorlogsgod der Asteken, den verschrikkelijken Huitzilipochtli, aan wien men duizenden menschen offerde, hadden het hoofd met eene gele slang omgeven en alles doet ons gelooven, dat het dier, hetwelk wij zoo even zagen, hetzelfde is, wat de Indianen hebben willen verbeelden.”

Een weinig verder meende Lucien eene lange witte slang op het gras te zien liggen. Gringalet, stoutmoediger dan gewoonlijk, greep het dier en bracht het in zijn bek aan. Het was slechts de huid eener slang. Lucien vernam toen, dat alle leden dezer familie eens per jaar verhuiden, en dat zij reeds uit hun omhulsels uit eene scheede kruipen, waarop men tot zelfs de schubben der oogen terugvindt.

Wij zetten onze afdaling voort en de Encuerado, die voorop was gegaan, kwam eensklaps terug met een grooten plantaardigen helm op het hoofd. Ik herkende de reusachtige bloem eener plant, die ik reeds op de bergen van Songolica had aangetroffen. Niets is prachtiger dan deze bloem, die vóór hare ontluiking den vorm heeft van een eend op het water. In één ochtend gaat de groote bloemkelk open en verandert in een met een helmkam versierden helm, waarvan het binnenste als met paars fluweel bekleed, de oogen verblindt. Het zaad van deze slingerplant, waarvan de Indiaansche naam mij ontgaan is, is plat en als een hart uitgesneden en draagt op een der kanten een volkomen zuiver geteekend Maltheser kruis.

Sumichrast vergat een oogenblik zijn lijden, om dit wonder te beschouwen, en Lucien, die een tweede uitgekomene bloem had gevonden, wist niets vluggers te doen, dan er zich het hoofd mede te bedekken. Maar de vuile en doordringende geur, door de prachtige bloemkelk uitgewasemd, maakte ons onpasselijk, en ik beval Lucien zijn gevaarlijk hoofddeksel weg te werpen.

Nog eenige stappen en wij kwamen op den bodem van het ravijn, waar de eerste zorg van Sumichrast en van den Encuerado was om hun blaren af te wasschen. Ik ging met Lucien op eene rots zitten, die aan eenen kant door den stroom bespoeld werd, ten einde het prachtige tooneel voor mij, te aanschouwen.

Men stelle zich een onmetelijken berg voor, als door de hand van een reus geopend, en op de geweldig vaneengeweken wanden, een mantel van groen met duizend tinten. Omlaag, als om de groote kloof te ondersteunen, een wonderlijke ophooping van rotsen met grijze en zwarte kleuren, waartusschen zich de kruin van een boom verhief, welks bladeren met bloemen waren opgeluisterd. Midden uit den geopenden berg kwam, als uit eene onzichtbare spelonk, een breede stroom met doorschijnend, stil en oogenschijnlijk onbeweeglijk water, dat op eene rots neerstortte, waarvan het midden als de steven van een schip vooruitstak. Alsof hij door den schok woedend en door het geraas dol was geworden, sprong de in schuim veranderde stroom vol toorn op en viel, door de zwarte punt der rots in twee kolommen gescheiden, weer neer, en wierp zich dan vol snelheid langs eene reusachtige trap, die hij scheen te willen verwoesten, naar omlaag. Dan nam een nieuw bekken, als eene schelp uitgehold, het vermoeide water weer op en stortte het zachtjes in een met groen omzoomden kom uit. De bedaarde stroom hernam zijn loop, stiet opnieuw tegen de steenen, die hij had meegesleept en bereikte zoo, van val tot val en van vlakte tot vlakte gaande, de valleien, die zich meer dan drie duizend voet onder ons bevonden. Deze Niagara, in verkleinde afmeting, bracht mij in herinnering, dat toen ik een jaar te voren, in het Warme Land de omstreken van Tuxtla onderzocht, mijn paard mij bij den waterval van den Ingenio had gevoerd—welke waterval onder de meest beroemde zou gerekend worden, zoo niet een woestijn den toegang zoo moeielijk maakte.

Onze beide makkers, wier lijden door de aanraking met het water wat bedaard was, kwamen naast ons zitten. Ik kon niet zeggen, welk trotsch genot wij ondervonden toen wij ons, in die wilde omgeving, voor dien onbekenden waterval bevonden, waarvan wij misschien de eerste aanschouwers waren. Achter ons schenen de zijden der bergen zich te vereenigen en het stroombed nauwer te maken. De zon baadde dit gedeelte, met groote hoornen omzoomd, waarop ijsvogels vlogen, in eene zee van licht. Een dezer vogels kwam dicht bij ons zitten; hij had eene witte keel, de bovenzijden der vleugels waren zwart en de veeren van den kop donkergroen. Dik, ineengedrongen en met een korten staart, geleek hij, zooals Lucien opmerkte, op een slecht geteekenden vogel; weldra hernam hij zijne hortende vlucht, schoor over de oppervlakte van het water, dook er met eene ongehoorde snelheid in en verdween, terwijl hij de kronkelingen van het ravijn volgde.

Lucien wees mij op een reusachtigen wilg, waarvan de over den stroom hangende takken aan hunne punten groote vruchten, in den vorm van kalebassen schenen te dragen. Ik herkende eene kolonie van die fraaie gele, met zwart gevlekte vogels(21), waaraan de Mexicanen den naam van colandres geven. Ten einde Lucien van zijne vergissing te overtuigen, wierp de Encuerado een grooten steen in den boom. De steen viel van tak tot tak, en deed een honderdtal vogels uit hunne nesten komen. Het was in den beginne een vreeselijk geweld van kleine kreten; maar toen het geraas over was, schoven de vogels als 't ware over het water, om in hunne onbereikbare woningen terug te keeren. Eenige bleven op den boom zitten en kweelden een lied, den nachtegaal waardig.

Wij volgden het ravijn, in de hoop een minder steilen oever te vinden dan die, welken wij gevolgd waren en een lange omweg bracht ons bij een rustig water, dat over een bed van zand stroomde. De zon scheen met vollen glans op de doorschijnende oppervlakte en dicht bij den oever wemelde het van honderden draaikevers. Lucien, die slechts terloops hun vorm kon zien, zoo snel waren hunne ronddraaiende bewegingen, hield ze voor vliegen, die op het water liepen.

—Het zijn kevers, zeide Sumichrast.

—Waarom draaien zij dan zoo?

—Om hun voedsel te zoeken, want het zijn roofkevers en zij hebben veel voedsel noodig. In Frankrijk noemt men ze gewoonlijk draaiers of watervlooien(22).

Lucien wilde een draaikever vangen, maar het gelukte hem niet; de Encuerado en Sumichrast, voor wie dit zeer goed was, hielpen hem weldra. Ik had eerst veel schik in de nuttelooze pogingen van mijne gezellen, en daar ik dacht behendiger dan zij te zijn, lag ik weldra bij hen. Daar lagen we dan alle vier met de hand in 't water, onbeweeglijk, met ingehouden adem, ten einde des te beter onze aandacht op de draaikevers te kunnen vestigen. De draaikevers kwamen in opeengedrongen massa, draaiden als een levend mozaïek, gingen van rechts naar links, van voor naar achter, maar hoe vlug wij ook de ondergedompelde hand naar boven brachten, het mocht ons niet gelukken er een enkelen te vangen.

Een uur ging met dat spelletje voorbij en ik geloof niet dat wij het zouden opgegeven hebben, als niet de zon had opgehouden den oever te verlichten en de draaikevers uit onze nabijheid had verdreven. Lucien zag niet zonder spijt, dat zij naar het midden trokken en de Encuerado, woedend dat hij door zulk een vluggen troep was beetgenomen, zwoer dat hij den eersten den besten, dien hij zou tegenkomen, zou vangen. Wij waren reeds ver weg, als de Indiaan nog bezig was hen met steenen te werpen en voor gekken uit te schelden, wat in zijn mond eene groote beleediging beteekende.

Een twintigtal kikvorschlarven, die in een waterplas zwommen, werden door Lucien voor visschen aangezien.

—Dat zijn kikvorschen, zeide ik hem.

—Waar zijn dan hunne pooten? vroeg hij.

—Onder die bruine huid, die hun het uiterlijk van visschen geeft, en die, als het uur der gedaanteverwisseling zal aangebroken zijn, op den rug zal opensplijten, om doortocht aan den jongen kikvorsch te verleenen. Ziehier eens de larve, die ik gevangen heb; men kan de pooten door de doorschijnende huid zien. Vandaag nog visch, dat wil zeggen door kieuwen—die kleine kwabjes die gij aan weerszijden van den kop ziet—ademende, zal hij morgen batrachier(23), en een tweeslachtig dier zijn en loopen en springen, en dat stomme wezen zal zijne buren door zijn nachtelijk gekwaak vervelen. De Tolteken, dat groote volk, hetwelk voor de Asteken in Mexico leefde, telden een kikvorsch onder hunne goden. Terwijl ik de kikvorschlarve weer in de waterplas zette, die zonder twijfel door een wassen van den stroom ontstaan was, bemerkte ik eenige witte insecten, die, onophoudelijk in beweging, zich door hortende sprongen boven het water verhieven, om er aanstonds weer in te vallen. Lucien, over hunne zonderlinge beweging verwonderd, riep uit:

—Maar ze loopen op den rug!

—Gij hebt gelijk, het zijn waterwantsen en van de familie der tettigonen of cicaden, derhalve hemipteren of halfvleugelige insecten.

Gelukkiger dan bij zijne jacht op de draaikevers, slaagde de jonge natuuronderzoeker er in om twee of drie waterwantsen te vangen.

—Maar waartoe dienen hunne vleugels? vroeg hij.

—Wel, om te vliegen en van woonplaats te veranderen.

—Wat! Kunnen de waterwantsen dan vliegen, loopen en zwemmen?

—En ik ben er zeker van, dat ze 's nachts kunnen zien, voegde de Encuerado er bij, die, men zal het zich herinneren, dit voorrecht aan de dieren benijdde.

—Wij dienen het wel aan te nemen, antwoordde ik lachende, want zij kiezen altijd den nacht uit om te reizen. Pas op dat gij u niet laat steken, want de waterwants bijt even vinnig als haar zusters de hout- en bedwantsen.

Een weinig verder bleef Lucien voor een grasachtig gewas staan, dat van boven tot beneden met ronde, platte, zwart met rood gestippelde insecten bedekt was, wat het op een ingelegd meubelstuk deed gelijken. Vol trots over zijne ontdekking, vatte hij er twee of drie aan; maar toen hij bemerkte, dat hun week lichaam tusschen zijne vingers meegaf, liet hij ze vol afkeer vallen.

»Hé! Wat zijn dat voor beesten?”

—Dat zijn houtwantsen, antwoordde Sumichrast, maar nog in den staat van larven; zij hebben nog geen vleugels.

»Van waar komt die reuk, die mijne vingers verpest?”

—Als men ze aanraakt, zweeten zij een geelachtig vocht, van eene zeer doordringende reuk, uit.

Lucien ging spoedig zijne handen wasschen; maar hoe hij ze ook wreef, de reuk bleef en scheen hem zeer te hinderen. Ik maakte daaruit de gevolgtrekking, dat de houtwantsen slechts in geringe hoeveelheid deel van zijne verzameling zullen uitmaken.

Na een vrij langen uitstap op den bodem van het ravijn, moesten wij weer ons punt van uitgang opzoeken; de eenige kant, waar de oever toegankelijk was. Wij vonden den waterval terug, badende in het licht. De groote bovenste vlakte geleek op een blok azuur, terwijl de kleine watervallen flonkerden, alsof zij diamanten meevoerden. Boven ons, in een rooskleurigen nevel, teekende zich flauwtjes een regenboog af.

Ik ontrukte mijne gezellen aan dit wonderschoon schouwspel.

Er had zich geen wild vertoond; maar er bevond zich nog een groot stuk van het jonge ree in de mars. Sumichrast had nog altijd pijn en de Encuerado scheen verkouden te zijn. Nu moesten wij weer naar omhoog stijgen en onder duizend voorzorgen trokken wij de plaats door, waar wij de slangen hadden gezien. Ik weet niet hoe wij met onze opstijging zouden klaargekomen zijn, als de Encuerado niet op de gedachte was gekomen om takken af te snijden, die voor stokken dienden. Vooral wilde ik Lucien de pijn besparen, die de aanraking met de »booze vrouw” veroorzaakt en met eene zucht van verlichting zag ik hem gezond en wel boven op den oever.

Illustration from Lotgevallen van een jeugdigen natuuronderzoeker

Notes in this chapter

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings