← Table of contents
Lotgevallen van een jeugdigen natuuronderzoeker

XXX.

A. Nuyens translation

HET ONWEER.—HET BOUWEN VAN EEN VLOT.—DE HERTSLANG.—VAARWEL AAN DE PALMBOOMEN-VILLA.—DE HORZELS.—PARRA JACANA, GALLINULA.—DE RATELSLANG.—DE WILDE KAT.—DE ARAS.—

Mijne makkers sliepen nog toen ik wakker werd; de hemel was met lichte wolken bedekt, de lucht snikheet en toch vertoonde de zon zich slechts bij tusschenpoozen. De karavaan was eerst tegen negen uur gereed om te vertrekken: Meester Job, die reeds minder wild was, klom zelf op mijn schouder. De Encuerado sprong en zong, terwijl hij Lucien aan de hand hield. Wij bereikten niet voor twaalf uur de Palmboomen-villa. Toen zij ons zagen, begonnen Verdet en Jaunet hard te schreeuwen; Rougette wandelde met eene deftige langzaamheid tusschen de overblijfselen van maïskoeken.

De vogels zwegen; geen blaadje bewoog en de hemel werd naar het Oosten steeds duisterder. Een bliksemstraal flikkerde, de wind deed de boomen buigen, de donder ratelde en een stortregen zette de vlakte rondom ons kampement onder water. Wij hadden, dank zij de voorzorgen van den Encuerado, eene schuilplaats; om ons reisgoed gezeten, waren wij gelukkig bij de gedachte hoezeer die regen, als hij den vorigen dag ware gevallen, onzen toestand zou verergerd hebben.

Ik kende te goed het klimaat om niet de beteekenis van dit eerste onweer te begrijpen; het was de voorbode van de regelmatig terugkeerende regens, welke gedurende drie maanden over het Warme en het Gematigde Land zouden losbarsten, de lage gedeelten in moerassen en de rivieren in onoverkoombare hinderpalen veranderen, den grond doorweeken en het loopen onmogelijk maken. Wij besloten onmiddellijk tot het bouwen van een dier vlotten, welke de Indianen balsas noemen, om zoo, den loop der rivier volgende, de Savannen te bereiken.

Tegen drie uur brak de zon door en de lucht werd wederom met insecten en vogels bevolkt. Ons eerste werk was eene geschikte plaats voor het bouwen van ons vlot uit te zoeken. De vangst van eene schildpad bracht ons in goede luim en terwijl zij op een zacht vuur braadde, begon de Encuerado een der palmboomen, die door de apen geledigd waren, te kappen, welk voorbeeld een ieder zich haastte na te volgen. Toen de nacht aanbrak, hadden wij reeds acht blokken ter lengte van twee meter; dit werk vertegenwoordigde ongeveer de helft van onze taak.

De zon vond ons den volgenden morgen reeds aan den arbeid en de Encuerado ging met Lucien uit, om buigzame lianen te zoeken, die dienen moesten om de stukken van het vlot onderling te verbinden. Toen onze makkers bij ons terugkwamen, was Sumichrast juist bezig den laatsten stam vierkant af te hakken. Lucien droeg, behalve de om zijn lijf gerolde lianen, aan zijn stok nog het lijk van een hertslang—atropos mexicanus—een zeer gevaarlijke soort, die zijn Indiaanschen naam van mazacoalt te danken heeft aan de schubben van den kop, die boven de wenkbrauwen in den vorm van kleine horentjes overeind staan. De slang, die ongeveer zestig centimeters lang en van eene grijze kleur was, opende een verschrikkelijken muil, die, naar ik meen, zoo wijd open stond tengevolge van de slagen, die de Encuerado haar had toegebracht.

Sumichrast stelde, na buitengewone voorzorgen genomen te hebben, zijn leerling in staat de gifttanden te onderzoeken, waarmede de slangen het vreeselijke gift, hetwelk de natuur aan enkele soorten heeft gegeven, in het lichaam brengen.

»Als de slang bijt,” zeide mijn vriend, »drukken de tanden een klein blaasje, dat aan den onderkant er van gelegen is, te zamen en het gift dringt in de wonde.”

Onze natuuronderzoeker maakte zijne uitlegging duidelijk door op eenen der tanden te drukken, aan welks uiteinde een bijna onmerkbaar druppeltje van een groenachtig vocht parelde.

»Hoe komt het dat de slang zichzelve niet vergiftigt?” vroeg Lucien.

»In de eerste plaats kauwt de slang hare prooi niet en dan is het venijn alleen dan gevaarlijk, als het in den bloedsomloop komt; daardoor komt het dat de mensch, mits hij geene wonde in de spijsverteringsbuis heeft, ongestraft dit gift kan innemen, waarvan eene geringe hoeveelheid, in de aderen gebracht, binnen eenige minuten den dood tengevolge zou hebben.”

Dadelijk na den maaltijd, die uit de schildpad en een palmkool bestond, waarvan de smaak aan dien van gebraden artisjokken herinnert, gaf ik het voorbeeld om aan het werk te gaan. In minder dan twee uren bevonden de bouwstoffen voor het vlot zich op den oever der rivier.

Sumichrast en de Encuerado begaven zich zonder dralen in het water en begonnen het samenvoegen van het vaartuig, dat ons naar de vlakten zou voeren. Ik ging met Lucien bossen droog gras zoeken, welke dienen moesten om de balsa te kalfateren. Een weinig vóór zonsondergang manoeuvreerde de Encuerado reeds met behulp van een langen stok, die gaffelsgewijze was uitgesneden, met het schip, dat ons, naar wij hoopten, zoude vervoeren. Daar de proef naar genoegen was uitgevallen, werd het vlot vastgemeerd en ieder ging bij de villa liggen, ten einde wat uit te rusten.

De papegaaien vlogen door elkander in de lucht en snapten om het hardst; Jaunet en Verdet antwoordden op hun gebabbel en sloegen met hun nog niet geheel bevederde vleugels. Gringalet leefde in vrij goede verstandhouding met de beide broeders; Lucien had zelfs een paar malen beproefd ze op zijn rug te zetten, hopende dat hij hun rijdier zou willen zijn. Maar de hond bewoog zich niet of de papegaaien sloegen hunne nagels in zijn vel, om zich in evenwicht te houden, en de aldus gespoorde Gringalet begon dan over den grond te rollen. Meer dan eens had hij zijn ruiters bijna verpletterd. Wat meester Job aangaat, was de Encuerado er evenwel niet door zijne bemiddeling in kunnen slagen om hem een vredesverdrag met den hond te doen sluiten; zij maten elkander met den blik, gromden, lieten de tanden zien, maar bepaalden zich toch met eene verdedigende houding aan te nemen.

Toen wij wilden gaan slapen, bood de Encuerado ons een beker palmwijn aan, die ons heerlijk smaakte, ofschoon hij wel wat zoet was. De bakken, die door de apen geplunderd waren, bevatten groote, witte larven, waarvan de Indiaan den smaak zeer prees. Ik beval hem echter den voorraad, dien hij zeide opgedaan te hebben, weg te werpen en er onder geen voorwendsel van bij ons voedsel te mengen. Zonder dit uitdrukkelijk bevel zou onze kok niet nagelaten hebben ons schildpad voor te dienen, met larven uit de palmboomen toebereid.

Den volgenden morgen, het was een zondag, werd ik gewekt door de stem van den Encuerado, die een lofzang aanhief. Onze bagage, goed ingepakt, lag reeds op het vlot. Verdet en Jaunet, op den rand van de draagmand gezeten, lieten onophoudelijk hun geschreeuw hooren, terwijl meester Job bang voor het water scheen te zijn. Rougette, stil en somber als altijd, scheen diep bedroefd te zijn bij het verlaten van den geboortegrond. Toen eindelijk alles zoo goed mogelijk geplaatst scheen te zijn, nam de Encuerado, tot aan het middel naakt, aan het achtereinde als stuurman plaats. De Palmboomen-villa werd met een vreeselijk hoera vaarwel gezegd, zoodat onze menagerie er van verschrikte; ik wierp een laatsten blik op het woud, waar ik zulke verschrikkelijke uren had doorgebracht; daarna werd het vlot losgemaakt en dreef het langzaam met den stroom mede.

De vreugde van Lucien zou volkomen geweest zijn, als ik hem had willen toestaan de luchtige kleeding van zijn vriend na te volgen, maar zijne huid zou niet tegen de brandende zon bestand zijn geweest, zoodat ik dezen gril moest tegengaan. Weldra dreef het vlot op de lagune, die overdekt was met zwemvogels en steltloopers, welke zich nauwelijks bewogen, toen wij hun voorbijgingen. Wij moesten op goed geluk de overstroomde vlakte oversteken, om den loop der rivier te vinden. De stuurman moest zelfs van zijn duwboom gebruik maken, want de strooming werd onmerkbaar. Eindelijk wezen de waaierpalmen ons den weg en weldra gleed ons vaartuig opnieuw tusschen de oevers door, die omzoomd waren met boomen, waarvan de hooge toppen ons door hunne schaduw beschutten.

Eene diepe stilte omringde ons en tegenover die majesteit der natuur bleven ook wij sprakeloos. De rivier vloeide als eene effene vlakte en langzaam voort. IJsvogels en levendig gekleurde manakins(42) vlogen, elkander kruisende, van den eenen oever naar den anderen. De lianen daalden van de toppen der boomen tot op het water neer, vliegenvogeltjes en colibrietjes vlogen om de bloemkelken en spreidden hun in duizend tinten schitterend metaalkleurig gevederte ten toon. Van tijd tot tijd versperde een overhangende boom ons den weg; wij hurkten dan op het vlot ineen en stieten dan tegen de takken, die op ons neerhingen; de troepialen, wier in de lucht zwevende nesten wij onwillekeurig schudden, vervolgden ons met hunne scherpe kreten. Eene verwarde menigte planten, die zich om de stammen slingerden, belette ons dikwijls in het woud te zien; maar plotseling liet dan weer eene opene plaats ons toe een blik in zijne diepten te slaan, waar de boomen nu eens regelmatig op rijen, dan weer aaneengedrongen groeiden, zoodat hunne takken in elkander verwarden. Ebbenhout-, peper- en palmboomen wisselden met de boomvarens, de magnolia's, de jeneverboomen, witte eiken en wilgen af. Hier en daar teekende eene zonnestraal op de schaduw een breeden lichtkring, binnen welken tienduizenden van waterinsecten, muggen, waterjuffers en vlinders in de lucht speelden of op het verlichte water liepen.

Gringalet en meester Job, weinig gevoelig voor de schoonheden der natuur, waren ingeslapen; Jaunet en Verdet, op den rand der mars gezeten, lieten nu en dan onverstaanbare volzinnen hooren, waarop de Encuerado zich evenwel haastte te antwoorden. Eindelijk werd de onbeweeglijkheid, waartoe wij veroordeeld waren en die nog verergerd werd door het steken der muskieten, geholpen door eene soort groote vliegen met groene oogen, eene marteling.

»Dat zijn horzels,” zeide Sumichrast tot Lucien, »bloeddorstige, tweevleugelige insecten, die van het eene einde der wereld tot het andere alle zoogdieren kwellen.

—Hun steek doet meer pijn dan die der muskieten,” antwoordde de knaap, op wiens hand een bloeddruppel parelde.

—Dat komt omdat hun slurf gewapend is met mesjes, die bestemd zijn om de huid van stieren en paarden te doorboren.

—Bacarapataca, riep Jaunet.

—Ja zeker, antwoordde de Encuerado, de steek van de horzels is minder onaangenaam dan die der garapatas.

—Bacapalataca, zei Verdet, op zijne beurt.

»Saca la pata (geef een pootje),” vertaalde de Indiaan, »gij hebt nog gelijk, dat kunstje zullen Chanito en ik u wel eens leeren.”

Lucien lachte hartelijk om de verklaring, welke de Indiaan van het gebabbel der papegaaien gaf en over den ernst en de beleefdheid, waarmede hij hen antwoordde. Hij trachtte de beide vogels de namen van zijn broertje en zusje te leeren naspreken. De papegaaien leenden, met opgeheven poot en overhangend kopje aandachtig het oor aan de, door den knaap herhaalde woorden; maar zij trokken nog niet veel vrucht uit zijne lessen.

De rivier overstroomde, evenals alle waterstroomen, die de hand van den mensch niet heeft geleid, de lage landen en vormde nu en dan uitgestrekte lagunen. Wij verloren dan, evenals bij ons vertrek, veel tijd, om haar loop terug te vinden. Bij eene dezer opsporingen ontdekte ik zulk eene schilderachtige baai, dat ik eene halt voorstelde. Tegenover ons opende zich eene vrij diepe opene plaats, door hooge palmboomen omzoomd. Het vlot, door den Encuerado met kracht door de waterplanten voortgestuwd, landde en ik sprong aan den oever om het vast te meeren.

Verdet en Jaunet, met de mand aan wal gebracht, gaven door luid geschreeuw hunne vreugde te kennen. Gringalet, wien de Encuerado onverwacht een duwtje had gegeven, nam een bad en meester Job, den staart om den hals van zijn jongen meester gerold en zich aan diens haar vasthoudende, werd in de schaduw gebracht en naast Rougette, die zich in haar schaal terugtrok, vastgebonden.

Nauwelijks hadden wij ons ingericht of twee jacana's(43), door de Mexicanen Viuda's geheeten, streken bij ons neder en vlogen toen met lichte beweging op de drijvende planten om de zaden en insecten er af te pikken. Twee schoten brachten ze in ons bezit en Gringalet bracht de twee steltloopers, die een rosachtig gevederte hadden, wier snavel een vleeschachtigen uitwas had en waarvan de vleugeleinden in een scherpen spoor eindigden, een voor een bij ons. De jacht leverde geen al te best middagmaal op, want met uitzondering van de kleinere soorten—zooals snippen, waterrallen en plevieren—hebben de moerasvogels een taai en weinig smakelijk vleesch. Gelukkig wist Gringalet een vogel van lichtbruine kleur, met fraaie parelgrijze veeren aan den hals en die den naam van hoen van Montezuma draagt, machtig te worden. Dit schoone stuk verwierf hem van den kant van den Encuerado verscheidene krachtige handdrukken, waarmee hij evenwel weinig ingenomen scheen te zijn.

Eene wandeling rondom de opene plaats bracht ons bij een boschje orleanboomen, bixa orellana, een klein boompje, welks zaden eene fraaie gele kleurstof opleveren, waarvan men zich in Europa bedient om zijde te verven. Daar Sumichrast Lucien had verteld dat de wilden vuur maken door twee droge takken van dezen boom tegen elkander te wrijven, haastte de knaap zich er eenige van te verzamelen. Een weinig naar achteren vond ik een brijappelboom, diospyros abtusifolia, waarvan de vruchten zeker wel in den smaak van onze menagerie zouden vallen. Een omgeworpen boom lokte ons naar het woud en op den vochtigen en zwarten bodem bemerkte Lucien het eerst eene prachtige ratelslang, die verdoofd scheen te zijn. Sumichrast schoot zijn geweer op het kruipdier af, dat opsprong, om echter weer dood neer te vallen. Oogenblikkelijk weerklonk in verschillende richtingen een gesis en drie of vier slangen van dezelfde familie namen de vlucht, eene door drie jongen gevolgd. Een aanval vreezende, had ik mijne machete gevat, en ik durfde mij eerst bewegen, toen het geluid verdwenen was. De door mijn vriend gedoode slang was meer dan een meter lang, haar huid was met zwarte, bruine en grijze vlekken gemarmerd; de platte en driehoekige kop had een wreed uiterlijk. Lucien hieuw met één slag van zijne machete de beweegbare ratels, die aan de slang haar naam van ratelslang gegeven hebben, af. Die hoornachtige staartuiteinden, zeven in getal, zouden den Encuerado zeer verblijden, want evenals al zijne landgenooten schreef hij hun wonderdadige eigenschappen toe—onder anderen van de guitaren te kunnen stemmen en te beletten, dat de snaren er van breken.

Ik naderde den omgevallen boom niet dan met de uiterste voorzichtigheid, uit vrees dat er soms weer eene andere slang uit zou te voorschijn komen. Ik ontdekte slechts een reusachtigen salamander en zeer groote kevers, wier kaken met sterke knijpers gewapend waren. Lucien verrijkte van zijn kant zijne collectie met eenige nieuwe soorten roofkevers. Een door den Indiaan gelost schot bracht ons naar het bivak terug; onze makker had eene wilde kat, door de Indiaan ocotchotly(44) genoemd, gedood.

»Ziet gij dat mooie dier, Chanito,” riep de Encuerado, die met zijne hand over het rosse, met zwarte vlekken geteekende vel van zijne buit streek. »Als het een hert of een wild zwijn heeft gedood, begraaft hij het onder de bladeren, klimt op den naastbijstaanden boom en begint te klagen, totdat de andere roofdieren naderbij komen. Als deze verzadigd zijn, klimt hij naar beneden, en verslindt, wat zij hebben overgelaten.

—En waarom roept hij die gasten dan? vroeg ik.

—Heb ik u dan niet gezegd, dat zijne tong vergiftig is? Als hij het eerst at, zou hij zijn vergif aan het vleesch mededeelen en de dieren, welke zich met de overblijfselen verzadigden, zouden sterven.”

Deze fabel, door Hernandez medegedeeld en nu nog door de Indianen herhaald, moet haar oorsprong in eene nog niet waargenomen gewoonte van het dier hebben.(45)

Na het middagmaal en terwijl Lucien zich naar zijne pleeglingen begaf om hun de brijappelen te brengen, zag ik de ongelukkige Rougette tusschen de pooten van meester Job, die haar omkeerde, berook, op den grond zette, of halsstarrig zijne vingers binnen in de schaal stak, welke aardigheden er niet toe bijbrachten om het melancholische dier op te vroolijken. Op raad van den Encuerado stak de knaap eenige takken in den kant van het water en plaatste de schildpad in dit miniatuur-park.

De zon ging onder en de papegaaien vlogen paarsgewijze om ons. Jaunet en Verdet klapwiekten en snapten met hunne grootere broeders. Een troep flamingo's kwam bij ons zitten en eene vlucht eenden draaide in de lucht rond en scheen te aarzelen om neer te strijken. Eensklaps streken twee ara's, de grootste en fraaiste soort papegaaien, op den top van een palmboom neer. Sumichrast en de Encuerado verdwenen in het kreupelhout, terwijl ik met Lucien de bewegingen van de fraaie vogels volgde, wier staart tweemaal zoolang als het lichaam was. De klimvogels, door de Indianen huacamayas genoemd, hadden hunne slaapplaats ingenomen, toen ik zag dat zij blijkbaar ongerust werden. Zij klapwiekten en herhaalden telkens hun ruw geschreeuw van »ara”, waaraan zij hun naam ontleenen. Een dubbele losbranding weerklonk, de vogels vielen, de flamingo's en eenden sloegen met hunne vleugels.

Lucien, die de huacamayas, wier gele, groene en roode veeren een harmonisch geheel vormden, van nabij beschouwde, zou Verdet en Jaunet gaarne voor een paar jongen van deze soort geruild hebben. Hij liet een der ara's aan meester Job zien, die hem onder het trekken van allerlei gezichten betastte en er eindelijk op ging zitten.

De nacht verraste Lucien, terwijl hij zijne vogels nog de namen van Hortense en Emile voorzegde. Gringalet ging tot onze groote verbazing naast meester Job liggen, die hem bevrijdde van de teken, welke zich in zijn haar genesteld hadden; daarna begonnen de twee vrienden naast elkander te snurken. Tegen negen uur, terwijl ik het vuur wat aanwakkerde, deed Jaunet een oog open en babbelde eenige woorden; maar de Encuerado sliep te vast om er op te antwoorden.

Illustration from Lotgevallen van een jeugdigen natuuronderzoeker

Notes in this chapter

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings