VIII.
A. Nuyens translation
EEN FEESTMAAL VAN GIEREN.—HET DRAKENBLOED.—DE KORAAL-SLANG.—DE BOSCHUIL.—DE MEXICAANSCHE MOLLEN.—DE TOEKANS OF PEPERVOGELS.—DE SCOLOPENDERS.—DE ENCUERADO KLEERMAKER.—ZONSONDERGANG.
Met het aanbreken van den dag vertrokken, liepen wij zwijgend voort, nu eens klimmende, dan weer dalende, beurtelings dicht begroeide en opene plaatsen doortrekkende, toen een troep gieren onze aandacht trok. Een afzichtelijk schouwspel vertoonde zich aan onze blikken. Een coyote—zonder twijfel die, welken de Encuerado den vorigen dag gewond had—lag half verslonden op den grond en een vijftigtal gieren kwamen beurt om beurt een stuk vleesch van het lijk afscheuren.
»Wat afschuwelijke dieren!” riep Lucien uit. »Hoe is 't mogelijk dat de stank hen niet afschrikt?”
—»'t Is juist die stank, die hen aantrekt, antwoordde ik; als zij zoo in de lucht zweven en den gezichteinder met hun lichtgeel oog doorvorschen, zoekt hun fijne reuk in de lucht naar de uitwasemingen, welke de rottende lichamen, waarmede zij zich voeden, van zich geven.”
De zwarte gieren zijn zoo talrijk in de steden van Mexico, waar zij heel vertrouwelijk in de straten leven, dat onze kleine reisgezel ze sedert lang kende; maar hij was nooit bij hunne gemeenschappelijke maaltijden tegenwoordig geweest. Het gezicht van die naakte, zwarte, gerimpelde halzen, die in het kreng van het dier dompelden, vervulde hem met walging.
»Bah!” riep hij uit; »wat vieze vogels!”
—Wat wilt gij! Zij gehoorzamen aan hun instinct; gij zult in 't vervolg beter de beteekenis van roofvogels vatten, onder welken naam de natuurkundigen de gieren, arenden, valken, uilen en boschuilen samenvatten. Gij weet dat de wetenschap, die de zeden der vogels beschrijft, ornithologie of vogelkunde wordt genoemd. Cuvier, die groote rangschikker, verdeelt het gevederde volkje in zes orden: roofvogels, vinkvogels, klimvogels, hoendervogels, steltenloopers en zwemvogels. Om alle verwarring te voorkomen, heeft men de orden weer in familiën, de familiën in geslachten, de geslachten in soorten en de soorten in stammen verdeeld.
—Maar hoe kan men daaruit wijs worden?
—Door sommige eigenaardige kenmerken, die tot uitgangspunt dienen. De roofvogels, bij voorbeeld, hebben kromme bekken en nagels, tot aan de knieën of tot aan de pooten bevederde beenen, drie teenen naar voren en één naar achteren staande; de nagels van den duim en den middelsten vinger zijn sterker dan die van de andere vingers. De gieren, die gij daar voor u ziet, de eenigen, die in troepen leven, behooren tot het geslacht catharte.(16)
Zie eens, daar zijn er, die zich op een afstand houden. Men zou zeggen, dat zij bang zijn.
Dat zijn de verzadigden; zij verteren nu, en als geen gevaar hen tot vluchten dwingt, blijven zij onbeweeglijk zitten, tot de zon ondergaat.
—Vallen zij nooit levende dieren aan?
—Zeer zelden; zij zijn lafhartig en schijnen niet van versch vleesch te houden.
Wij hadden reeds sedert lang het afschuwelijk gezelschap achter ons gelaten, toen Lucien eensklaps uitriep:
»O, Papa, daar is een boom, die bloedt!
—Dat is een pterocarpus, dat wil zeggen een gewas, waarvan de vruchten weefsels bezitten, die op vogelvleugels gelijken. Het roode sap, dat uit de schors vloeit, is het drakenbloed, aldus door de oude Grieken genoemd, die het een fabelachtigen oorsprong toeschrijven. De bloedboom—zooals de Indianen hem noemen—is een verwante van de asperges en de lelies, en de gom, die hij uitzweet, wordt gebruikt tegen den buikloop.
De Encuerado maakte eenige stukken van het kostbare voortbrengsel los; daarna doopte hij zijne vingers in de nog vloeibare druppels, om er de beenen en pooten van Gringalet meê in te smeeren, die zoo in 't bezit kwam van roode laarzen. Bij slot van rekening kon deze bewerking slechts nuttig voor het dier zijn, want het drakenbloed, dat rijk aan looistof is, zou de weefsels toehalen; maar het eerste gevoel scheen het dier lastig te vallen en hij liep verder, de pooten op een allerkoddigste manier oplichtende.
»Gringalet loopt juist als de Encuerado, toen hij op zekeren dag zijn mooie blauwe schoenen heeft willen aantrekken, hernam Lucien lachende.
—Heeft de Encuerado blauwe schoenen aangehad? riep Sumichrast uit.
—Ja, laatst hadden wij menschen te eten en mama had aan Chema(17) gezegd, dat hij zich zoo net mogelijk moest kleeden. Hij is toen dadelijk een paar schoenen gaan koopen, die hij in een winkel gezien had, en toen men aan tafel ging, kwam hij met zijn mooie schoenen aan en een witte das om.
—Een das! herhaalde Sumichrast, die van de eene verbazing in de andere viel.
—Ja, eene werkelijke das. Daar hij nooit anders dan sandalen had gedragen, kon hij niet anders loopen, dan door de voeten op te heffen, zooals Gringalet doet. Mama raadde hem aan, zijn gewoon schoeisel aan te doen, doch hij wilde niet; maar hij werd er wel voor gestraft, want hij deed een verkeerden stap en brak een stapel borden. Na dit ongeluk kon hij er pas toe besluiten om zijn schoenen uit te doen; maar daar hij er niet geheel en al van kon scheiden, hing hij ze om zijn hals en vervolgde hij met deze mooie versiering trotsch zijn dienst.
Het avontuur was maar al te waar en Sumichrast kon zijn lachen niet inhouden.
»Waarom hingt ge die schoenen om uw hals, in plaats van ze in een hoek te zetten? vroeg hij den Indiaan.
—Dat heb ik gedaan, toen iedereen wist dat ze van mij waren, antwoordde hij.
Ons kamp werd opgeslagen bij den ingang van eene nieuwe lichting in 't woud. De Encuerado had vijf of zes vinken geschoten, ons middagmaal was dus verzekerd. Nauwelijks hadden wij onzen arbeid als bouwmeesters voltooid, of Lucien, die ronddoolde, overal de steenen en boomstronken oplichtende om nieuwe insekten te vinden, riep mij met luid geschreeuw. Toen ik bij hem was gekomen bemerkte ik, diep in een gat, een koraalslang, die ongeveer een meter lang was. Op zich zelve gerold, hield het kruipdier zich onbeweeglijk en ik bewonderde zijne prachtige, roode huid, die op gelijke afstanden door glinsterend zwarte banden doorsneden was. De Encuerado sneed spoedig een tak af, die in een vork uitliep en hield daarmede de slang tegen den grond gedrukt. De gevangene wikkelde zich dadelijk los; de kronkels ontrolden zich en de dreigende kop werd zichtbaar. Gringalet blafte vol woede, maar dorst toch niet naderbij komen. De Indiaan trok zijn sabel—het vooruitzicht op een onverwachten schotel maakte hem vroolijk.
Slangenvleesch is een Indiaansche kost. Vóór de verovering van Mexico door de Spanjaarden, kwam zelfs de ratelslang bij plechtige feestelijkheden op tafel. Descorides(18) beschreef het vleesch van adders als versterkend en het kwam voor in de theriac, dat wondergeneesmiddel onzer voorvaderen, hetwelk een der voornaamste voorwerpen uitmaakte van den Venetiaanschen handel. Niettegenstaande al deze voorbeelden werd de schotel, dien de Encuerado voorstelde, met algemeene stemmen verworpen.
Na de slang den kop te hebben afgehouwen, gingen wij op onderzoek uit. Terwijl wij een troep eekhoorns vervolgden, kwamen wij weer aan den rand der lichting terug, zonder ze te hebben kunnen naderen. Niet ver van de vlakte bespeurde Sumichrast een kleinen rosachtigen boschuil, die eensklaps in een gat verdween, dat in den voet van een ouden boom uitgehold was. Ieder hield zich gedurende een tiental minuten doodstil, ten einde de gangen van den jagenden vogel na te gaan. Eindelijk kwam hij geheel onverwacht weer te voorschijn, onbeweeglijk voor den ingang van zijn schuilplaats; recht op de beenen staande, geleek hij op een schildwacht, die in zijn schilderhuis op post staat. Plotseling begon hij te beven, het lichaam boog langzaam naar voren, zijn groote gele oogen knipten herhaalde malen dicht, daarna met de snelheid van een pijl langs den grond scherende, wierp hij zich in het hooge gras.
Spoedig kwam hij met opstaande veeren en klapwiekend terug, in zijn bek een muisje houdende, dat hij in zijne onderaardsche woning bracht. Het was de soort boschuil, die men athene hypogoea noemt en welke veelvuldig in de savannen wordt aangetroffen. Hij jaagt bij dag zoowel als bij nacht.
»Een vreemde vogel, zeide Lucien; hij joeg mij met zijn oogen, die vuur schoten en zijn krommen bek vrees aan.
—Hij maakt iedereen beangst, Chanito, antwoordde de Encuerado, en als hij zich des nachts bij eene hut gaat nederzetten en zijn naargeestig geschreeuw doet hooren, voorspelt hij den spoedigen dood van een van hen, die naar hem luisteren.
—O, dat is niet waar, hernam Lucien, want er was een uil in een gat van den muur van onzen tuin, en papa heeft nooit gewild dat men hem verjoeg. En toch maakte hij er geen kwaad uit om alle avonden te schreeuwen.
—Uw papa weet altijd de kwade invloeden te bezweren. Bovendien was de vogel in den muur een steenuil.
—In Europa, zoowel als in Amerika, worden de boschuilen en hunne verwanten; de steenuilen, kerkuilen, de buizerds, al te maal nachtroofvogels, door het volk als vogels van slechte voorbeteekenis beschouwd, hernam Sumichrast op zijne beurt. Hun vreemd gelaat, hunne geheimzinnige gewoonten wekken een afkeer op, die soms in vrees overgaat. Men doet evenwel verkeerd ze te vreezen; in werkelijkheid is de droefgeestige jager, dien gij zoo juist gezien hebt, even als alle van zijne soort, meer nuttig dan schadelijk voor den mensch, want hij vernietigt een groot aantal kleine zoogdieren, zooals springmuizen, spitsmuizen, zevenslapers en veldmuizen, die de oogsten verwoesten. Gij weet zeker wel dat de uil, bij de oude Grieken, de vogel van Minerva was; in de oogen der Asteken vertegenwoordigde hij de godin van het kwaad.
Op korten afstand van de plaats, waar de muizeneter verdwenen was, zag men de groote gaten, welke de tuza's,(19) door de landbouwers zeer gevreesde Mexicaansche mollen, graven. Dit dier bereikt de grootte van een jonge kat, leeft in troepen en werkt op eene, voor de reizigers zeer gevaarlijke wijze den grond om, waar hij zich gevestigd heeft, want dezen voelen den grond eensklaps onder zich instorten. De Encuerado, die zeer verlekkerd was op het vleesch der tuza's, waarvan de vroeger Mexicaansche markten altijd voorzien waren, plaatste zich in hinderlaag, in de hoop er een te dooden. Nauwelijks waren vijf minuten verloopen of er klonk een schot en kwam de jager terug, een vrij leelijk dier, met donkerbruin haar, korte pooten en bijna onzichtbare ooren en oogen in de hand houdende. De bek was met zeer groote snijtanden gewapend en aan weerszijde van de kaken bevond zich een ruime zak, die met aarde gevuld was. Lucien verklaarde, dat hij nooit het vleesch van zulk een dier zou aanraken, en liet reeds bij voorbaat zijn aandeel aan den Encuerado over.
Onze aandacht werd opnieuw naar het woud getrokken door het geschreeuw van vijf of zes toekans (pepereters) en nogmaals gingen wij op de jacht. Deze klimvogels zijn buitengewoon wantrouwend en hunne grillige vlucht brengt den vervolger ieder oogenblik van streek. Het gelukte mij evenwel er een van te schieten; de andere namen, onder een toornig geschreeuw, de vlucht.
»Hoe kan hij het gewicht van zulk een grooten bek dragen? vroeg Lucien, die den vogel, wiens fraaie groene en gele veeren zijn bewondering opwekten, had opgeraapt.
—Daarin heeft de natuur voorzien; de groote bek, die u zoo zwaar toeschijnt, bestaat uit een zeer licht, sponsachtig weefsel, antwoordde ik.
—Is hetgeen hij eet dan zoo hard?
—Integendeel; zijn buigzame bek kan niets fijn maken, en hij voedt zich met niets anders dan vleezige vruchten, die hij vrij onbeholpen openmaakt. Als wij dicht genoeg bij hem hadden kunnen komen, zoudt gij gezien hebben, dat hij bessen plukt, die in de hoogte gooit, om ze daarna in zijn wijden bek op te vangen.
—Maar waartoe dient dan zulk een groote bek?
—Daar kan ik u geen antwoord op geven, want de natuurkundigen, wien deze vraag even veel belang inboezemt, hebben er nog geen verklaring van weten te geven.
—Ik ben dus geleerder dan zij, sprak de Encuerado op een professoralen toon.
—Weet gij waarom de toekans zulk een grooten bek hebben?
—'t Is de wijsheid van den Schepper, die hem hun zoo gegeven heeft.
Daar twijfelen wij geen oogenblik aan, hernam Sumichrast lachende, maar waarom heeft Hij hem dien gegeven?
—Omdat die gebrande en tot poeder gestampte bek het eenige werkzame middel tegen de vallende ziekte is. De toekans zijn lang niet algemeen en als hun bek nu niet grooter was dan die van andere vogels van hunne grootte, zou men nooit het geneesmiddel in voldoende hoeveelheid kunnen bekomen.”
De verklaring van den Encuerado was bij slot van rekening evenveel waard, als onze twijfelingen. Ik herinnerde mij inderdaad, dat de Indianen een groot geheim maken van zeker poeder tegen de vallende ziekte, en dat het niets bijzonders is, den kop van een toekan tegen den muur eener hut te zien hangen, als voorbehoedmiddel tegen den St.-Vitusdans.
In plaats van uit te rusten doolde Lucien langs alle kanten rond, boombasten en steenen opheffende, met den ijver van een nieuweling in de insektenkunde. Na de ontmoeting met de koraalslang, nam hij alle voorzorgen, die mij gerust konden stellen, want men weet nooit in welke gesteldheid men het dier zal vinden, welks rust men komt storen. De knaap riep mij: hij had een nest scolopenders, gewoonlijk duizendpooten genoemd, ontdekt en durfde er niet aan te raken. De verraste duizendpooten rolden zich op, en hunne bleekblauwe kleur verminderde een weinig den afkeer, dien zij gewoonlijk inboezemen. Het was niet zonder eenige aarzeling, dat Lucien, door Sumichrast aangemoedigd, er een op de palm van zijne hand plaatste; het insekt ontrolde een voor een zijne geledingen, waarvan elk voorzien was van twee paar pooten, die in haakjes eindigden, en begon toen met een langzaamheid te loopen, die den kleinen nieuwsgierige teleurstelde.
»Waartoe dient het toch vier en veertig pooten te hebben, riep hij uit, als men veel langzamer gaat dan een loopkever, die er slechts zes heeft?
Alleen de Encuerado was in staat dit geheim op te lossen; maar hij bewaarde het stilzwijgen.
—Zijn die beesten vergiftig, Mijnheer Sumichrast?
—Men zegt het; doch alleen enkele soorten—die, welke gij nu gadeslaat, kunnen bij voorbeeld ongestraft aangeraakt worden.
—Zie, daar is een kleine scolopender, die slechts twaalf pooten heeft.
Dat komt omdat die pas uit het ei gekomen is; naargelang zij ouder worden, neemt ook het aantal ringen en pooten toe. Dat is een van de bijzonderheden van de duizendpooten.
—Wat zijn die ringen hard! men zou zeggen, dat het een pantser is.
—Dat is er ook werkelijk een; de scolopenders vormen, als 't ware, de afscheiding tusschen de insecten en de schaaldieren. Zij zijn na aan de kreeften verwant.
—Zie eens, papa, ik heb daar een chocolaadkleurigen worm gevonden, die ook duizend pooten heeft.
—Dat is geen worm, maar een julus, een neefje van de duizendpooten. Kaak hem maar niet te veel aan, want hij zou aan uwe vingers een vuilen reuk mededeelen.”
Wij hervatten onzen marsch naar het kampement, waarheen Lucien en de Encuerado ons voorgingen. De lucht was warm, zonder verstikkend te zijn; de zon zond ons hare stralen, die door het gebladerte getemperd werden, in schuinsche richting toe; de vogels zongen, en deze dag kon, even als de vorige, onder de minst vermoeiende van onze reis geteld worden. Wij waren te midden van het Gematigde Land, omringd door witte en zwarte eiken, wolboomen, ceders, olmen en gaiacboomen. De slingerplanten groeiden slechts van afstand tot afstand, als 't ware alleen om hare tegenwoordigheid aan te kondigen, en de muskieten, die in het Warme Land zoo talrijk zijn, maakten het ons niet al te lastig. De ver van elkander verwijderde boomen veroorloofden ons op ons gemak rond te loopen; wij waren wel in een maagdelijk woud, maar nog te hoog boven de vlakte, dan dat wij te worstelen hadden tegen het onontwarbaar net van een tropischen plantengroei.
De tuza, door rijst omringd, werd voorgediend.
Al is het uiterlijke van dit dier ook onaangenaam, zijn vleesch heeft evenwel een heerlijken smaak. Ik gaf er een boutje van aan Lucien om af te kluiven; hij vond het zoo lekker, dat hij zijn kalebas, die voor bord diende, opnieuw bijhield. Sumichrast vertelde hem toen, dat hij aan den mol smulde, ofschoon hij meende dat hij een lijster at; hij stond verstomd, maar tastte toch moedig zijne tweede portie aan. Na den maaltijd haalde de Encuerado uit een zakje van agavevezel eene naald en eene els te voorschijn en begon de broek, die eenige dagen te voren zoo gehavend was, te herstellen. Twee eekhoornvellen waren den nauwgezetten kleermaker, die ook de knieën met de ondoordringbare stof voerde, ter nauwernood voldoende.
Lucien, die over deze oplapperij verrukt was, wilde dadelijk zijn verstelde pantalon beproeven. Hij draaide, liep, bukte en was gelukkig over het geratel, dat de droge huiden veroorzaakten. Gringalet, die scheen te slapen, kwam plotseling met eene zichtbare verwondering naar zijn meester toe. Met uitgestrekten hals, schitterende oogen en hangende ooren, gereed desnoods den terugtocht aan te nemen, waagde de hond het aan het werk van den Encuerado te snuffelen, schudde veelbeteekenend den kop en niesde. Hij hervatte twee of driemaal deze handelwijze en scheen zeer nadenkend te zijn.
»Hij heeft er verstand van en vindt, dat het niet al te slecht genaaid is, sprak de Encuerado met voldoening.
Maar na eene nauwkeuriger kennismaking begon het beest eensklaps te blaffen en vatte de met zooveel moeite bijeengebrachte stukken beet en trachtte ze te verscheuren.
»De lomperd meent, dat de eekhoorn leeft!” riep de Indiaan uit.
Twintig maal weggejaagd, kwam Gringalet telkens weer tot den aanval terug, en dat wel met zooveel ijver, dat hij een nieuwe scheur in de pantalon maakte. Toen werd de Encuerado boos en de gestrafte hond ging bij het vuur liggen, maar niet zonder de tanden te laten zien aan de zonderlinge voering, die hem zoo mishaagde.
De zon ging onder. Haar gouden stralen, die door de takken speelden, schenen een voor een naar den hemel terug te stijgen, en allengs omhulde de duisternis het gansche woud. Reeds hadden wij een groep rondom het bivak gevormd, toen eene rooskleurige tint de toppen der boomen verlichtte en tot onder het loof doordrong. Daar dit zonderlinge lichteffect bleef aanhouden, keerden wij naar de lichting terug, ten einde het beter waar te nemen. De hemel scheen als in vuur te staan; een breede, schitterende straalbundel schoot uit het Oosten voort; twee of drie bloedkleurige wolken vluchtten met veel snelheid. Het schitterende licht werd hoe langer zoo levendiger, maar zonder te stralen en zonder de minste verblinding te veroorzaken. Eenige vogelstemmen lieten zich hooren en enkele valken, die naar hun nest terugkeerden, hielden een oogenblik hunne vlucht in, en bleven besluiteloos in de ruimte rondzweven.
»De wind zal morgen met veel geweld blazen, sprak de Encuerado; ik heb de lucht nog eens zoo in vuur gezien en twee dagen later wierp een verschrikkelijke orkaan de meeste hutten van mijn dorp om.
—Wij zullen er wel met een Zuidenwind afkomen even als die, welke het ons op den dag van ons vertrek zoo lastig maakte,” antwoordde Sumichrast.
Te recht of ten onrechte schreef ik dit verschijnsel aan den stand der wolken toe. De sterkte van het licht nam nog toe, 't was als of het een enkele bliksemstraal was. De nacht nam weer de overhand en alleen het schijnsel van het vuur geleidde ons naar onze schuilplaats.
