INHOUD.
A. Nuyens translation
Bladz.
Inleiding.
Een woord vooraf. 1
I. Wie wij zijn.—Gringalet.—Zonsopgang.—Het suikerriet.—Halt. 6
II. De suiker.—Gringalet in de stroop.—Een idee van den Encuerado.—Indiaansch avondmaal. 14
III. Het ontwaken.—Een Lilliput-wereld.—De Encuerado en de flesschen.—Dood aan de distels!—De Indiaansche kolenbranders. 22
IV. Eene moeielijke klimpartij.—De Geit.—De Indiaansche vrouwen.—De tabak.—Het spel van den stier.—Lucien wordt gewapend.—Intrede in de woestijn. 31
V. Het woud.—De raven.—Eerste bivak.—De eekhoorns.—De kleine gids.—Een lofzang in de woestijn. 39
VI. De koffie.—De terpentijn.—De soeroekoes.—De dennenaalden.—Drie vulkanen in 't gezicht.—De roofkevers.—De schorpioenen.—De salamanders.—Een alarm. 47
VII. De zalf van kattenoogen.—Het gordeldier.—Lucien en de varenplant.—De ingestorte berg.—De specht.—De basiliscus.—Een nieuw denkbeeld van den Encuerado. 57
VIII. Een feestmaal van gieren.—Het drakenbloed.—De koraalslang.—De boschuil.—De Mexicaansche mollen.—De toekans.—De duizendpooten.—De Encuerado kleermaker.—Zonsondergang. 67
IX. De Zuidenwind.—De orkaan.—Een slechte nacht.—De ontwortelde boom.—De salsaparilla.—Gringalet ontdekt eene bron.—Bivak. 76
X. Het konijn.—De wilde aardappelen.—Een moeielijke weg.—Een krater.—De ijzel.—De stroom.—Het jonge ree.—Cicaden.—De waterjuffers. 84
XI. Eene blauwe hagedis.—De goyavaboomen.—De waterval.—De booze vrouw.—Nest gele slangen.—Een plantaardige helm.—De ijsvogel.—De Troepialen.—Jacht op draaikevers.—De kikvorschlarven.—Eene verzameling wantsen. 93
XII. Een nabestaande van Gringalet.—Een gids op vier pooten.—Inspectie.—De crocodil-schildpad.—De fazanten.—De magnolia.—De muskaatboom.—Het blauwe gras.—De rups. 103
XIII. Het Kruidje-roer-mij-niet.—Gringalet en het stekelvarken.—De Mexicaansche cameleon.—Wouw en valk.—Een dubbelkopslang.—Eene raadsvergadering van kalkoenen. 113
XIV. Een vuurbol.—De lantaarns van Onzen-lieven-Heer.—Het stinkdier.—De jalappe.—Eene luchtreis.—De orchideeën.—Bivak bij den ingang van eene grot.—Gringalet en de kevers.—Termietennesten. 121
XV. Eene nieuwe soort fakkels.—Eerste blik in de grot.—De lichtkevers.—De gothische zaal.—Stalactieten en Stalagmieten.—Een Chichimeesch kerkhof.—De Indische Notenboom.—De buidelrat en hare jongen. 134
XVI. De aardnoten.—Een maaltijd van wilde katten.—Een nieuwe tocht in de grot.—De vleermuizen.—Opgravingen in een graf. 145
XVII. Geforceerde marsch.—De zwemvogels.—De kruisdragende bloemen.—Plantaardige zeep.—Een schotel van den Encuerado.—De schermdragende bloemen.—De bloedzuiger.—De onverwachte gast. 153
XVIII. Wilde dahlia's.—Een betreurenswaardig ongeval.—De wolfsmelkboomen.—De waschrat.—De stroom.—De Encuerado wordt hoedenmaker.—Een nieuw middel om booze geesten te verdrijven.—De Anhinga. 162
XIX. Midden door de mieren.—Een troep hazen.—De zwarte iguano.—Een ander land.—Herinneringen uit de jeugd.—De luchtspiegeling.—Een vuur in de vlakte. 172
XX. Mist en dauw.—Het Koude Land.—Windhoozen en dwarlwinden.—De Barbarijsche vijgen.—Kaarscactussen.—De viznaga.—Teleurgestelde hoop.—Don Benito Coyotepec 180
XXI. Blanken en Zwarten.—Wij worden timmerlieden.—De Encuerado predikant.—De waaierpalmen.—De advocaatboom.—De koeskoes.—De gier.—Eene moeielijke onderhandeling.—De Encuerado-bal-ondernemer. 190
XXII. De galwespen.—Een afgrond.—De kappers.—Een salade van portulac.—De bedrogen jagers.—De grafmakende insecten.—De zandkevers.—Cactus en Cochenielje. De Mexicaansche wijn.—Afscheid van onze gastheeren. 200
XXIII. Op weg.—De vogelspin.—De kakkerlak.—Wezel en civet kat.—De vliegende eekhoorn.—De dadelpruimenboom.—De otter.—De Encuerado is gewond. 209
XXIV. Een moeielijk ambacht.—Wilde lindeboomen.—De duiven.—Kersenboomen der Antillen.—De oorworm.—Slangen en adders.—Het warme land. 218
XXV. De aard-eekhoorn.—Een muizennest.—Vliegenvogels en Colibri's.—De Chachalaca.—De Cassieboom.—De tlalcoyoten.—De krekels. 225
XXVI. Door het woud.—Geforceerde marsch.—De bromeliaceeën.—Eene fantastische beek.—De muskieten.—De marail.—Het beloofde land.—Een tocht van apen. 233
XXVII. De Encuerado en de papegaaien.—Gringalet brengt een gast mede.—De puma of Amerikaansche leeuw.—De rivier.—De Palmboomen-villa.—Schildpadeieren.—De Ibis en de Reigers. 242
XXVIII. Het Campèchehout.—De mieren aan den arbeid.—De parasieten.—Tijgerkat en tamandua.—De vanielje.—De roode lepelaars en de kuifreigers.—Een apenstreek.—Verdwaald. 252
XXIX. Een nachtelijk bezoek.—Val van een boom.—Een droevige nacht.—Versnelde marsch.—De apen.—De zweepslang.—Meester Job.—Met den schrik vrij. 261
XXX. Het onweer.—Het maken van een vlot.—De hertslang.—De horzels.—Vaarwel aan de Palmboomen-Villa.—De Parra jacana en Gallinula.—De ratelslang.—Een wilde kat.—De aras. 269
XXXI. De steltvogels.—De verdreven jagers.—De pecaris.—De Jaguars.—Het vlot blijft steken.—De tepoxoslang. 277
XXXII. De Ibis.—De kaaimans.—De draaiers.—Een tweegevecht van den Encuerado.—De wilde stieren. 285
XXXIII. De koning der gieren.—De pinolillas.—Een schrik van den Encuerado.—De Tapirs.—Afscheid van de rivier.—De prooi van den leeuw.—Een slechte nacht. 294
XXXIV. Vertrek.—De Savanne.—De draagbaar.—Verdwijning van den Encuerado.—Wij laten Jaunet en Verdet in de steek.—Meester Job wordt ter dood veroordeeld. 302
XXXV. De dorst.—Terugkeer van den Encuerado.—Een kleine zwerftocht.—Jaunet, Verdet en Rougette.—Jacht op wilde paarden.—Een monster.—Laatste avontuur.—Het gematigde Land. 310
XXXVI. Thuiskomst. 319