XVI.
A. Nuyens translation
DE AARDNOTEN.—EEN MAALTIJD VAN WILDE KATTEN.—NIEUWE TOCHT IN DE GROT.—DE VLEERMUIZEN.—OPGRAVINGEN IN EEN GRAF.
Wij liepen midden door het kreupelhout voort, in de hoop een of ander stuk smakelijker wild op te jagen dan de toeza's, toen onze voeten verwarden in de vezelige en kruipende takken van de aardnoot. Ofschoon de stengels nog met witte bloemen bedekt waren, wroette de Encuerado toch den grond om, waarin de vruchten zich verbergen, om geheel rijp te worden, en verzamelde er eenige van. De tlalcacahuatl, dien de plantenkundigen onder de familie der peulvruchten rangschikken en arachide noemen, brengt geelachtige en gerimpelde peulen voort, waarin zich twee of drie amandels bevinden, welke men eet, na ze in de schil boven het vuur geroosterd te hebben. De smaak heeft veel weg van dien van de kastanje. De arachide, tegenwoordig veel in Europa verbouwd, levert eene olie op, die niet gemakkelijk rans wordt en waarvan de Spanjaarden zich bedienen voor de zeepbereiding.
Lucien en de Encuerado waren over deze vondst meer verheugd dan wij, want zij hielden veel van deze aardnoten, welke, bij gelegenheid van de godsdienstige feesten, aan den ingang der kerken in Mexico bij gansche stapels verkocht worden.
De zon begon onder te gaan; de honger gebood ons wat meer haast te maken; ik geleidde derhalve mijne makkers naar het mollenveld. Nauwelijks hadden wij onzen marsch hervat, of vijf of zes konijnen kwamen, zeer onvoorzichtig, bijna tusschen onze beenen loopen. Lucien was zoo gelukkig er een te schieten, terwijl Sumichrast een tweede doodde, en de Encuerado ging, met deze buit beladen, naar den haard terug.
Door dit buitenkansje over ons middagmaal gerust gesteld zijnde, vervolgde ik mijne wandeling tot aan het begin eener lichting in 't bosch, waar de grond, met gaten overdekt, de woonplaatsen der mollen deed herkennen. Wij gingen elk in de schaduw van een boom zitten. Het toeval had mij onder een ijzerhoutboom, waarvan de stam de best geharde bijl weerstand biedt, doen plaats nemen. Tegenover mij verhief zich een tepehuage, een soort van mahonieboom met donker gebladerte, die vroeg of laat een groot handelsartikel tusschen Europa en Mexico zal worden, want het fraaie roode, met zwart geaderde hout, maakt hem zeer geschikt voor het vervaardigen van fijne meubelen.
Gringalet was den Indiaan gevolgd. Ik beval Lucien stilte aan, opdat wij de handelingen der mollen, die met het ondergaan der zon uit hunne gaten komen, konden gadeslaan. Werkelijk kwam een, daarna twee, drie, vervolgens twintig toeza's te voorschijn; in minder dan een kwartier telde ik er over de honderd, die den grond omwoelden, speelden en vochten, onder het uiten van scherpe kreten. Lucien had er veel vermaak in, ze zoo op hun achterdeel te zien zitten, om wortels of schors af te knabbelen. Met een enkel geweerschot zouden wij onzen voorraad vet verdubbeld kunnen hebben; maar dat zou kruit vermorsen zijn geweest. Vreezende, dat wij voor de verleiding zouden bezwijken, meende ik het teeken tot vertrek te geven, toen ik eene groote ongerustheid bij de bende, wier spelen ons zoo zeer had vermaakt, opmerkte. Alle mollen, deftig op hun achterlijf gezeten, schudden hunne groote koppen heen en weer, lieten hunne lange, gele snijtanden zien, en schenen de lucht in te snuiven. Eensklaps ijlden allen op hunne holen toe. Een jaguarete had hen verschrikt, door midden tusschen hen in te springen. De nieuw aangekomene, eene soort wilde kat van eene zwarte kleur, sloeg twee of drie slachtoffers tegen den grond, en liet een soort van gemauw hooren.
Op dit geroep kwamen twee jongen te voorschijn, die tegelijk op den eersten mol den besten aanvielen. Ieder hunner greep de prooi van zijn kant aan, spuwde, op de manier der katten en sloeg er met de nagels in. De moeder, verplicht om door een veelbeteekenend geknor de orde te herstellen, gaf ieder harer verscheurende kinderen eene prooi, ging toen liggen en geeuwde verscheidene keeren, terwijl haar jongen de arme knaagdieren begonnen te verscheuren. Toen deze verzadigd waren, verslond zij met gulzigheid wat overbleef, zonder het derde dier, waar de jonge roofdieren onophoudelijk om rondliepen, een oogenblik uit het oog te verliezen. Zoodra zij er te dicht bij kwamen, liet zij dadelijk haar geknor hooren, en de jongen schenen zeer goed te weten, wat die moederlijke waarschuwing beteekende, want zij gingen plat op den grond liggen, en kropen met hangenden kop achteruit. Toen haar maal geëindigd was, nam de jaguarete den onaangetasten mol in haar bek en verwijderde zich, zonder ons bemerkt te hebben.
»Wat zegt gij van die kleine veelvraten?” vroeg Sumichrast aan Lucien.
—Dat zij allerliefst zijn, met hun zwart en glanzend vel; zij ge lijken op groote katten.
—De katten zijn er ook neefjes van.
—Vallen de jaguareten ook menschen aan?
—Neen; als wij evenwel hare jongen hadden willen aanraken, zou zij zich op ons geworpen hebben.
—Om ons op te eten?” vroeg Lucien, groote oogen opzettende.
—In de eerste plaats om ons te bijten en met hare nagels te verscheuren. In 't algemeen zijn alle wilde dieren of vleeschetende dieren, zooals de geleerden ze noemen, altijd te duchten, en hoe gering ook hunne grootte moge zijn, men moet ze nooit uittarten. Als wij lijf aan lijf tegen de jaguarete moesten vechten, is het zeer waarschijnlijk, dat wij meer gehavend uit den strijd zouden komen dan zij.
Ik voerde meester en leerling naar den voet van den berg terug. De nacht viel in; gelukkig toonde het vuur, door den Encuerado aangestoken, ons den weg naar onze schuilplaats. Wij vonden er vermaak in, om uit de verte te zien, hoe de Indiaan om het vuur liep, deftig tegenover Gringalet ging zitten, met wien hij zeker praatte, want hij zwaaide met de armen en streek met de hand over den rug van het goede dier. Plotseling stond de hond op, stak zijne ooren in de hoogte, en liep op ons toe, terwijl de Encuerado een vlammend stuk hout boven zijn hoofd hield, om onzen weg te verlichten.
Bij het aanbreken van den dag werden wij door de stem van den Indiaan gewekt. De grauwe lucht dreigde ons met een van die fijne regens, die eeuwig schijnen te zullen duren. Sumichrast sneed eenige, van bladeren voorziene takjes af, waarmede hij ons voorging, alvorens wij de grot binnen trokken.
»Waar moeten die takken toe dienen?” vroeg Lucien verwonderd.
—Tata Sumichrast wil vleermuizen vangen, Chanito.
—Om ze op te eten?
—O neen! maar misschien zouden ze toch wel goed smaken.
—Het vleesch smaakt overheerlijk,” viel Sumichrast hem in de rede; »vooral de vleugel is een fijn boutje, dat ik u ten zeerste aanbeveel...”
Maar mijn metgezel kon zich niet goed houden, toen hij het verschrikte gelaat van Lucien zag, zoodat zijne scherts mislukte.
De Encuerado verdween al tastende in de grot; aan den ingang geplaatst, hielden wij ons gereed, om onze verzameling te vermeerderen. Twee Chéiropteren—een Grieksche naam, die handvleugeligen beteekent en door de geleerden aan de vleermuizen is gegeven—vielen door onze takken. Lucien raakte ze met niet al te veel weerzin aan, en de vorm van hun bek verbaasde hem nog meer dan hunne vleugels. Die, welke hij dan ook onderzocht, had in 't midden gespleten en als 't ware omgekrulde lippen; de andere, met een platten neus en nog afzichtelijker gelaat, had in plaats van ooren, twee gaten, waarin de zwarte, schitterende oogen lagen; bovendien was het vlies der vleugels zoo dun en doorschijnend, dat men zou meenen, het bij de minste inspanning te zien scheuren. Het arme dier kwam langzamerhand weer bij, liet zijne fijne en scherpe tanden zien en sleepte zich over den grond voort. Sumichrast nam het op en haakte het met den klauw, waarin de voorarm eindigt, vast, om Lucien te laten zien, op welke wijze zij zich aan de muren der grotten, die altijd vol oneffenheden zijn, vastklampen. Eensklaps liet de vleermuis zich vallen, en verdween in de sombere diepte, die voor haar gaapte.
De vleermuis, die een onvolmaakt wezen is, heeft langen tijd de nieuwsgierigheid der natuurkundigen gaande gemaakt. La Fontaine laat haar reeds het bekende versje zeggen: »Ik ben een vogel, zie maar naar mijne vleugels; maar ik ben ook eene muis en leve de ratten;” en de geleerden beschreven haar als een vogel, die haren in plaats van veeren, en tanden in plaats van een snavel heeft. Geoffroi Saint-Hilaire heeft het eerst geleerd, dat de vleugels van de vleermuis niet anders zijn dan eene buitengewone verlenging van de vingers van het dier, die onderling door een vlies, van een bewonderenswaardig weefsel, verbonden zijn. Ik wees Lucien andermaal op de wijsheid van den Schepper, en op de eenvoudige middelen, die Hij gebruikt, om de wezens, die het heelal bevolken, in 't oneindige af te wisselen.
»Dat is de eerste keer,” riep de Encuerado verontwaardigd uit, »dat men den duivel gebruikt om den goeden God te loven.”
»De vleermuizen hebben niets met uw duivel gemeens,” zeide Sumichrast; het zijn slechts dieren, die een weinig zonderlinger zijn dan de andere.
»O, Tata Sumichrast, hebt gij dan hun vleugels nooit goed bekeken? De Satan, die op het schoone beeld in de kerk van Orizava, door Sint-Michiel onder den voet wordt getreden, heeft ze precies hetzelfde. En wat nu de grotten aanbetreft, wie weet niet, dat het de monden van de hel zijn?
»Laat ons dan in de hel gaan!” riep Lucien, die de bijgeloovigheid van zijn vriend niet deelde, uit.
Toegerust zooals den vorigen dag, daalden wij in de put neer, en den linker wand volgende, kwamen wij achtereenvolgens in eene ruime zaal, waar het water als een aanhoudende regen naar beneden viel. Zeer belastigd door die ijskoude druppels, welke door onze kleeren drongen, ried ik Sumichrast aan terug te keeren; maar in plaats van er gevolg aan te geven, drong hij in een bochtigen gang door. Ik sloot den marsch, en volgde met de oogen mijne makkers, die klommen of daalden, al naar gelang de oneffenheden van den grond. Soms moest men wel ophouden, om over een steen of een waterplas te komen.
Eindelijk zag ik, dat mijne makkers weer overeind stonden, wij waren in eene zaal gekomen, die zoo ruim was, dat wij onze fakkels te vergeefs omhoog hielden, om het bovenste gewelf te kunnen verlichten. Honderden vleermuizen omringden ons; Lucien vertrok geen spier, en als hij ze zoo, gelijk groote vlinders om zijne fakkel zag zweven, zonder die aan te raken, stond hij verbaasd over de zekerheid van hunne vlucht. Verdoofd door het gekrijsch van deze geheimzinnige dieren, stelde ik op nieuw voor om terug te keeren; maar Sumichrast drong er op aan om verder te gaan. Hij vindt het weinig waarschijnlijk, dat de vleermuizen, die des nachts hun voedsel in 't veld gaan zoeken, om naar buiten te komen den nauwen weg zouden volgen, die ons hier had gebracht. Er moest dus een tweede ingang bestaan. Mijn makker en de Encuerado gingen op de ontdekking uit, want ik durfde mij, in gezelschap van mijn zoon, niet verder op dezen glibberigen grond wagen. De twee verkenners klommen groote, opeengestapelde rotsen over, kwamen verscheidene meters boven ons, en verdwenen plotseling.
De vleermuizen kwamen allen naar ons toe, en dreven de vrijmoedigheid zoo ver, dat zij ons met hunne vleugels raakten. Mijne voorzichtigheid mishaagde aan Lucien, die stoutmoedig was geworden. Na verloop van vijf minuten riep de stem van Sumichrast mij, en ik richtte mij naar de hoop steenen, vroeger door mijne gezellen beklommen.
De opstijging was moeielijk; niettegenstaande zijn tegenspartelen wilde ik de hand van Lucien niet loslaten. Ik had wel gelijk gehad; hij gleed eensklaps uit, ik liet mijn fakkel vallen en daar lagen wij in eene volslagene duisternis op de puinhoopen.
»Pas op, dat ge geen beweging maakt,” riep ik uit, »ge weet niet, welke afgronden ons kunnen omringen.”
»Wat is het donker! Men zou zeggen, dat de duisternis een lichaam heeft, dat zij op mijn oogen drukt.”
»Dat komt, omdat wij op eene diepte zijn, waar het licht, zelfs niet door terugkaatsing, binnendringt. Even als u, komt het mij voor, alsof men mij een doek op de oogen legt. Roep den Encuerado.”
Het gewelf weerkaatste den naam van den Indiaan, die onmiddellijk antwoordde.
De vleermuizen hadden hunne vlucht vertraagd; ter nauwernood hoorden wij nog eenig zacht gepiep; maar daar blonk een zwak licht, en het geraas begon opnieuw. Lucien deelde zijn vriend ons ongeval mede; deze wilde zich haasten, en rolde zelf verscheidene malen over de steenen. Eindelijk toch verscheen hij, stak onze fakkels aan, en ging ons op den gevaarlijken bodem voor. Toen wij de instorting over waren, kwamen wij in eene zaal met stalactieten opgeluisterd; in het midden daarvan flikkerden de toortsen van Sumichrast. Mijn reisgezel stapelde al het hout, dat wij nog hadden, op elkander en stak het aan. De muren van de grot schitterden, alsof zij met kristallen sterren bedekt waren. Van den bodem, van het gewelf, van de muren kaatsten duizenden diamanten veelkleurige straalbundels terug. Het zou minder verrukte toeschouwers dan wij waren, verblind hebben. Maar weldra noodzaakte een dikke en bijtende rook ons om heen te gaan, en eenige schreden door een gang, brachten ons midden in eene onmetelijke zaal, die door eene natuurlijke ronde opening verlicht werd.
Ik begroette den hemel met vreugde; toen ik den grond onderzocht, bevond ik, dat hij bedekt was met brokstukken van gebakken aarde.
Ik begon een groot gat te graven, en het duurde niet lang of er kwam eene laag van vochtige kolen te voorschijn. De Encuerado ging eenige takken afsnijden, waaraan de, tot een punt gevormde uiteinden, ons het werk veel vergemakkelijkten. Na twee uren van onverpoosden arbeid, waren wij er in geslaagd een weinig meer dan een vierkanten meter van eene vochtige, zwarte vette aarde, bloot te leggen.
Ik was uitgeput, en niettegenstaande mijne nieuwsgierigheid ten hoogste was opgewekt, moest ik Sumichrast buiten de grot volgen, om een weinig frissche lucht in te ademen. Gringalet, die alleen in het bivak was achtergebleven, huilde van tijd tot tijd; ik riep hem, en van rots tot rots springende, was hij spoedig bij ons. Er viel eene fijne regen; geheel vervuld van mijne uitgravingen, was ik blijde, dat de toestand van de lucht tot voorwendsel kon dienen, om het vertrek tot den volgenden dag uit te stellen. Nauwelijks hadden mijne makkers een weinig adem geschept of ik riep hen weer tot den arbeid terug. Hoe grooter het gat werd, dat de Encuerado groef, des te meer opgewonden werd hij, en meende hij goud te bespeuren.
Volgens de meening van elken Indiaan toch, verbergen de spelonken en grotten ongehoorde schatten, die door de natuur gevormd of er door den mensch verborgen zijn, en altijd door een boozen geest bewaakt worden, die wel zijne schatten laat zien, maar niet toelaat dat men ze medeneemt.
»Lach niet, Tatita,” zeide mij de Indiaan, »en vooral niet in dit oogenblik.
En hij vertelde ons dat een zijner vrienden, die eens zijne kudde op de bergen hoedde, zich in het kreupelhout begeven had om eene zijner geiten op te zoeken. Het dier vluchtte steeds verder en voerde hem bij den ingang eener grot. De Indiaan aarzelde eerst, maar ontdeed zich toen van al zijne kleeren, om des te zekerder te zijn, dat hij geen ijzer bij zich had, en drong daarop in de grot binnen. Hij deinsde echter terug, verblind door het zien van vijftig uiteengevallen kisten, waar het gemunte goud uitstroomde. In plaats van partij te trekken van zulk een buitenkansje, en zich het bezit van zulk een schat te verzekeren, door een van de op den grond gevallen munten meê te nemen, was de ongelukkige zoo hard hij kon naar zijn dorp teruggekeerd, om zijne ontdekking aan zijne vrienden mede te deelen. Op denzelfden avond gingen zij, vijf in getal, en van rieten schoppen voorzien op weg, met het doel om de schat in veiligheid te brengen. Men kampeerde in den omtrek van de grot, en de nacht werd doorgebracht met flesschen brandewijn op de gezondheid van den goeden geest te ledigen. Bij het aanbreken van den dag volgde men den gids op den voet; men klom, men daalde, zonder evenwel de plaats terug te vinden, waar de even geziene schatten zich nog bevinden.
»Kon hij den weg niet meer terug vinden?” vroeg Lucien, wien dit verhaal veel belang inboezemde.
—Neen, Chanito! want de grot was voor hem voor altijd onzichtbaar geworden.
—Onzichtbaar! en waarom?
—Omdat hij ijzer bij zich had gehouden.
—Maar ge hebt ons gezegd, dat hij naakt was,” hernam Sumichrast.
—Hij had zijn vuurslag in de hand gehouden!”
De treurige toon, waarop de Encuerado dezen laatsten volzin had uitgesproken, ontlokte zelfs aan Lucien een glimlach.
Ik ging de grot weer binnen, en na de reeds bloot gelegde laag kolen zorgvuldig verwijderd te hebben, vond ik eene kleine urn van gebakken steen, met asch gevuld. De urn droeg op eene der zijden eene grijnzende figuur, en bevatte eene schelp, zoogenaamde Jacobs-schelp, en den schedel van een vogel.
Door een langen leertijd aan dergelijke ontdekkingen gewoon geraakt, twijfelde ik niet, of er zou zich weldra een schedel voor onze oogen vertoonen. Werkelijk kwam er een schedel te voorschijn, daarna wervels en scheenbeenderen; toen pijlspitsen in vuursteen, en ten slotte gebroken figuurtjes. Ongelukkigerwijze konden wij er niet aan denken om deze schatten mede te nemen; ik gaf dezen ondankbaren arbeid derhalve op. Onze eerste zorg was om den lazo los te maken, en zoodra het maal was afgeloopen, hield men zich bezig om de bagage in orde te brengen, ten einde den volgenden morgen gereed te zijn om te vertrekken.
