IX.
Gerard Keller translation
Cyrus is er.—Pogingen van Pencroff.—Wrijven van hout.—Eiland of vastland?—De plannen van den ingenieur.—Op welk punt van de Zuidzee?—In het dichtst van het woud.—De pijnboom.—De jacht.—Rook die veel belooft.
Met weinige woorden werden Gideon Spilett, Harbert en Nab op de hoogte van den toestand gebracht. Deze gebeurtenis die zeer ernstige gevolgen kon hebben,—Pencroff zag het ten minste zoo in,—had een verschillende uitwerking op de metgezellen van den braven zeeman. Nab was zoo verheugd zijn meester te hebben weergevonden, dat hij niet luisterde en zelfs volstrekt niet wilde letten op hetgeen Pencroff zeide. Harbert scheen eenigermate de vrees van den zeeman te deelen. Wat den verslaggever betreft, deze antwoordde slechts op de woorden van Pencroff.

Pencroff beproefde twee stukken hout te wrijven. Blz. 47.
“Op mijn woord van eer, Pencroff, het is mij volmaakt onverschillig! Is Cyrus er dan niet? Leeft onze ingenieur niet? Hij zal wel weten hoe hij ons vuur kan verschaffen?”
“Waarmee dan?”
“Met niets.”
Wat moest Pencroff daarop antwoorden? Hij antwoordde niet, want in zijn binnenste deelde hij het vertrouwen, dat zijn metgezellen in Cyrus Smith stelden. De ingenieur was voor hem een vereeniging van alle menschelijke wetenschappen en kennis! Het kwam op hetzelfde neer of men met Cyrus op een verlaten eiland was, dan wel zonder Cyrus in de meest welvarende stad van de Unie. Met hem kon men aan niets gebrek hebben. Met hem behoefde men nooit te wanhopen. Al had men dezen goeden lieden gezegd, dat een vulkaansche uitbarsting dit land zou vernietigen, dat het verzinken zou in de peillooze diepte van de Stille Zee, zij zouden kalm geantwoord hebben: “Cyrus is daar! Daar is Cyrus!”
Cyrus Smith moest nu vóór alles onder gebracht worden; men bereidde hem zoo goed mogelijk een bed van zeegras en de diepe slaap, waarin hij weldra verzonk, herstelde spoedig zijn krachten.
De nacht was ingevallen en de temperatuur begon tegelijkertijd kouder te worden door het draaien van den wind naar het noordoosten. Daar de zee de beschuttingen had verwoest, die Pencroff op verscheidene plaatsen had aangebracht, begon het zoo te tochten dat de schoorsteenen bijna onbewoonbaar werden. Het zou er dus slecht voor den ingenieur hebben uitgezien, indien zijn lotgenooten hem niet zorgvuldig toegedekt hadden, door zich zelve van hun overkleederen te ontdoen.
Het avondeten bestond dien avond slechts uit die onvermijdelijke lithodomen, waarvan Harbert en Nab er zooveel op de kust hadden gevonden; zij wisten echter op de hoogste rotsen nog een eetbare plant te vinden, die nog al in den smaak viel van den correspondent en zijn lotgenooten.
“Toch wordt het tijd, dat Cyrus ons te hulp komt,” zeide de zeeman.
Het werd intusschen zeer koud en ongelukkig genoeg, men had geen enkel middel om de koude tegen te gaan.
De zeeman, die inderdaad ongerust werd, beproefde op alle mogelijke manieren vuur te maken. Nab hielp hem zelfs daarbij. Hij had eenig droog mos gevonden en door twee keisteenen tegen elkander te slaan, verkreeg hij vonken; maar het mos, was niet brandbaar genoeg en vatte geen vlam; die vonken waren toch slechts gloeiende stukjes vuursteen en hadden niet dezelfde bestanddeelen als die, welke aan het staal bij het vuurslaan ontspringen. De poging gelukte dus niet.
Pencroff beproefde vervolgens, hoewel hij er niet veel van verwachtte, om, in navolging van de wilden, twee stukken droog hout tegen elkander te wrijven. Wanneer volgens de nieuwe theorie, de beweging, die Nab en hij maakten, in warmte moest overgaan, dan zou deze zeker voldoende zijn geweest om het water voor een stoomketel aan de kook te brengen! De uitkomst echter leidde tot niets. De stukken hout werden warm, dat was alles, en zelfs niet eens zoo warm als zij, die de beweging maakten.
Na een uur gewreven te hebben, gudste Pencroff het zweet uit alle poriën en hij wierp spijtig de stukken hout weg.
“Als het waar is, dat de wilden op deze manier vuur maken,” zeide hij, “dan zou het zelfs in den winter warm zijn! Door zoo te wrijven zou ik nog eerder mijn armen in brand steken!”
Pencroff vergat dat niet alle soorten van hout er toe geschikt zijn en dat hij er niet den slag van had.
Harbert had den zeeman gadegeslagen en de stukken hout opgenomen, toen deze ze wegwierp; hij begon met grooten ijver te wrijven en hij antwoordde, toen Pencroff hem spottend toeriep:
“Wrijf maar, mijn jongen, wrijf maar.”
“Ik wrijf alleen om mij zelf warm te maken evenals gij het er door zijt geworden, Pencroff.”
Wat er ook gebeurde, zij moesten zich dien nacht ter ruste leggen zonder er in geslaagd te zijn vuur te maken.
Spilett, Harbert, Nab en Pencroff strekten zich in een van de gangen op het zand uit en Top sliep aan de voeten van zijn meester.
Toen de ingenieur den volgenden morgen, 28 Maart, tegen acht uur ontwaakte, zag hij zijn metgezellen om zich geschaard, die op zijn ontwaken wachtten; evenals den vorigen avond, waren zijn eersten woorden:
“Eiland of vasteland?”
Men ziet, deze gedachte vooral hield hem bezig.
“Dit is nu juist wat wij niet weten, mijnheer Smith!” antwoordde Pencroff.
“Weet gij dat nog niet?...”
“Maar wij zullen het weten,” voegde Pencroff er bij, “wanneer gij ons door dit land den weg hebt gewezen.”
“Ik geloof wel het te kunnen ondernemen,” antwoordde de ingenieur die zonder veel inspanning opstond en bleef staan.
“Dat gaat al goed!” riep de zeeman uit.
“Ik zou bijna van honger omkomen,” antwoordde Cyrus Smith. “Vrienden, ik moet iets te eten hebben, en dan ben ik ter uwer beschikking.—Er is vuur, nietwaar?”
Het duurde eenige oogenblikken, voordat er antwoord op deze vraag kwam. Pencroff zeide eindelijk:
“Helaas, wij hebben geen vuur, of liever, mijnheer Smith, wij hebben geen vuur meer!”
Hij vertelde vervolgens, wat er den vorigen avond gebeurd was. Smith gebruikte inmiddels zijn sober maal, en toen dit genuttigd was, kruisde hij zijn armen en zeide:
“En dus, mijn vrienden, gij weet nog niet of het lot ons op het vasteland of wel op een eiland geworpen heeft?”
“Neen, mijnheer Smith,” was het antwoord.
“Morgen zullen wij het weten,” hernam de ingenieur. “Tot zoolang staat ons niets te doen.”
“Zeker wel,” gaf Pencroff ten antwoord.
“Wat dan?”
“Vuur,” zeide de zeeman, die ook van zijn kant een idée fixe had.
“Wij zullen vuur maken, Pencroff,” antwoordde Cyrus Smith.—“Heb ik gisteren niet, terwijl gij mij vervoerdet, in het westen een berg gezien die boven alles uitsteekt?”
“Ja,” antwoordde Gideon Spilett, “een berg, die hoog genoeg moet zijn....”
“Goed,” hernam de ingenieur. “Morgen zullen wij den top bestijgen en zien of dit land een eiland of het vasteland is. Tot zoolang, ik herhaal het, is er niets te doen.”
“Toch wel, vuur!” hernam nogmaals de koppige matroos.
“Maar men zal vuur maken!” antwoordde Gideon Spilett. “Een beetje geduld, Pencroff.”
De zeeman zag Gideon Spilett aan, alsof hij zeggen wilde: “Indien gij er alleen voor staat om het ons te geven, dan zullen wij nog zoo spoedig geen biefstuk bakken!” Maar hij zweeg.
Cyrus Smith echter had nog niets geantwoord. De quaestie om vuur te maken scheen hem al zeer weinig bezig te houden. Gedurende eenige oogenblikken bleef hij in gedachten verzonken. Eindelijk nam hij het woord en zeide:
“Mijne vrienden, onze toestand is misschien ellendig, maar hij is in ieder geval zeer eenvoudig. Of wij zijn op een vasteland, en dan kunnen wij ten koste van meerdere of mindere vermoeienis, een bewoond punt bereiken; òf wel, wij zijn op een eiland. In dit laatste geval blijven ons slechts twee dingen over; indien het eiland bewoond is, dan zullen wij het met zijn bewoners trachten te vinden; is het verlaten, dan zullen wij trachten ons alleen te redden en ons hier vestigen, alsof wij het nooit moesten verlaten!”
“Nooit!” riep de verslaggever uit. “Zegt gij nooit! mijn waarde Cyrus?”
“Het is beter, dadelijk het ergste van de zaken te zien,” antwoordde de ingenieur, “en betere uitkomst als een verrassing te beschouwen.”

De jagers zagen, dat Top er een beet had. Blz. 50.
“Flink!” zeide Pencroff. “En men moet ook nog hopen, dat dit eiland, als het er een is, niet juist geheel buiten den weg der schepen ligt! Dat zou al zoo ongelukkig mogelijk zijn!”
“Wij zullen niet eer weten waar ons aan te houden, vóórdat wij den berg hebben bestegen,” antwoordde de ingenieur.
“Maar, mijnheer Cyrus, zult gij morgen de vermoeienis van dien tocht kunnen doorstaan?” vroeg Harbert.
“Ik hoop het,” antwoordde de ingenieur, “maar onder voorwaarde dat Pencroff en gij, mijn jongen, zult toonen knappe en handige jagers te zijn.”
“Mijnheer Cyrus,” viel de zeeman hem in de rede, “daar gij nu toch van wild spreekt, als ik, bij mijne terugkomst, even zeker kon zijn het wild te zien braden, als ik nu zeker ben het thuis te brengen....”
“Breng het maar eerst thuis, Pencroff,” antwoordde Cyrus Smith.
Men kwam overeen, dat de ingenieur en de correspondent den dag in de schoorsteenen zouden doorbrengen, om de kust en de hooge vlakte te onderzoeken. Nab, Harbert en de zeeman zouden intusschen naar het bosch terugkeeren, een nieuwen voorraad hout opdoen en zich meester maken van elken vogel of van elk stuk wild, dat onder hun bereik mocht komen.
Tegen tien uur in den morgen gingen zij op weg, Harbert vol vertrouwen, Nab vroolijk en Pencroff binnensmonds mompelende:
“Als ik bij mijn terugkomst vuur in huis vind, dan heeft het onweder in eigen persoon het er aangebracht!”
Zij kwamen overeen om met de jacht te beginnen en op den terugtocht hout in te zamelen. In plaats van, zooals den vorigen keer, de rivier te volgen, drongen zij dieper in het bosch door, maar dit beantwoordde niet aan hunne verwachting, want na een uur geloopen te hebben, hadden zij nog geen wild gezien.
De zon had haar hoogste standpunt nog niet bereikt; de tocht duurde nog maar altijd voort. Eindelijk werden zij beloond; Harbert ontdekte namelijk een soort van denneboom, waarvan de vruchten eetbaar waren en veel overeenkomst met amandelen hadden.
“Dat gaat goed,” zeide Pencroff, “zeeplanten in plaats van brood, rauwe mosselen in plaats van vleesch en amandelen tot dessert, dat is wel een diner voor menschen die geen enkelen lucifer meer in hun zak hebben!”
“Ge moet niet klagen,” antwoordde Harbert.
“Ik klaag niet, mijn jongen,” hernam Pencroff, “ik herhaal slechts, dat het vleesch wel een beetje te veel ontbreekt bij dat maal!”
“Top denkt er anders over....” riep Nab uit, die op een kreupelboschje toeliep, waarin de hond blaffend verdwenen was. Het keffen van Top vermengde zich met een zonderling geknor.
De zeeman en Harbert waren Nab gevolgd. Nauwelijks waren de jagers in het boschje of zij zagen Top, die een beest bij een oor vasthield. Het was een soort varken, ongeveer twee en een halven voet lang, bruinzwart van kleur met een harde, maar niet zeer dikke huid, en pooten waarvan de teenen, die op dat oogenblik aan den grond als genageld stonden, door vliezen verbonden waren.
Harbert meende dat het een moeraszwijn was, dat is te zeggen, het grootste soort van de orde der knaagdieren.
Intusschen verweerde het dier zich volstrekt niet tegen den hond. Het keek dom uit zijn oogen, diep verborgen in een dikke laag vet. Misschien was dit de eerste maal dat het menschen voor zich zag.
Nab had zijn stok stevig in de hand genomen en wilde het knaagdier afmaken, toen dit zich eensklaps uit de tanden van Top, die slechts een stuk van het oor behield, losrukt, een vreeselijk gebrul uitstoot, op Harbert aanvliegt, dezen op den grond werpt en daarna in het bosch verdwijnt.
“Ha! die schelm,” riep Pencroff uit.
Onmiddellijk volgden zij de sporen van Top en op het oogenblik dat zij het beest nabij waren verdween het onder water in een grooten poel, door eeuwenoude pijnboomen omringd.
Nab, Harbert en Pencroff stonden onbeweeglijk. Top was in het water gesprongen, maar het dier verscheen niet weer.
“Wij moeten wachten,” zeide de knaap, “want het zal weldra komen om adem te halen.”
“Zou het niet verdrinken?” vroeg Nab.
“Neen,” antwoordde Harbert, “het heeft zwemvliezen en is dus een amphibie. Maar wij moeten opletten.”
Top bleef te water. Pencroff en zijn metgezellen gingen ieder aan een kant staan, om het beest elken uitweg af te snijden.
Harbert had zich niet vergist. Weinige oogenblikken later verscheen het zwijn aan de oppervlakte van het water. Top wierp zich in een sprong op hem en belette het op nieuw onder te duiken. Het volgende oogenblik was het dier door een slag van den stok van Nab afgemaakt.
“Hoezee!” riep Pencroff, die gaarne door dien kreet zijn vreugde uitte. “Nu nog slechts een gloeiend kooltje en dit knaagdier zal zelf tot op de beenderen afgeknaagd worden!”
Pencroff laadde het zwijn op zijn schouders en den stand der zon gadeslaande, oordeelde hij, dat het ongeveer twee uur zou zijn en gaf bevel tot den terugtocht.
Dank zij het instinct van Top, konden de jagers den weg, dien zij gekomen waren, terugvinden. Een half uur later waren zij aan den oever van de rivier. De zeeman was nog op vijftig passen van de schoorsteenen verwijderd, toen hij op nieuw een oorverdoovend hoezee aanhief en op den steenhoop wijzende, uitriep:
“Nab! Harbert! Zie eens!”
Een rookwolk steeg kronkelend boven de rotsen op!