XIX.
Gerard Keller translation
Het plan van Cyrus Smith.—De gevel van het Rotshuis.—De touwladder.—De droomen van Pencroff.—De welriekende planten.—Konijnenholen.—Afleiding van het water.—Uitzicht uit het Rotshuis.
Den volgenden morgen, den 22sten Mei, vingen zij aan hun nieuwe woning in orde te brengen. Zij hadden dan ook haast om hun onbewoonbare Schoorsteenen zoo spoedig mogelijk voor deze betere en grootere woning te verruilen. Ook zouden zij deze niet geheel en al verlaten, want het plan bestond om daar een werkplaats voor groote stukken te maken.
De eerste bezigheid van Cyrus Smith was, om te onderzoeken waar de juiste plaats van den gevel van het Rotshuis was. Hij begaf zich dus naar het strand, waar de onmetelijke muur begon, en daar het houweel dat Gideon Spilett door de opening van den rotswand geworpen had, in rechte lijn moest zijn neergevallen, zou het terugvinden daarvan voldoende wezen om de plaats te ontdekken, waar de opening in de rots was gemaakt. Hij vond het werktuig dan ook spoedig, en inderdaad was er loodrecht boven het punt waar het houweel in het zand was gevallen een opening ongeveer tachtig voet boven het strand. Eenige rotsduiven vlogen in en uit door deze nauwe spleet. Het scheen wel alsof zij voor deze dieren het Rotshuis ontdekt hadden.
Het plan van den ingenieur was om het rechter gedeelte in verscheidene kamers, die op een gang uitkwamen, te verdeelen en die door middel van vijf ramen en een deur, welke in den wand moesten gebroken worden, licht zouden verspreiden. Pencroff was het volkomen eens met de vijf vensters, maar hij begreep het nut der deur volstrekt niet, daar de gleuf vroeger door het afstroomende water gemaakt, een soort van trap vormde, waardoor men gemakkelijk in het huis kon komen.
“Vriend,” zeide Cyrus Smith, “zoo het aan ons licht valt langs dien weg in ons huis te komen, zou dit ook even gemakkelijk vallen aan anderen. Daarom ben ik dan ook voornemens om die gleuf van boven te sluiten en zoo noodig de opening geheel te verbergen, door het water van het meer er over heen te doen stroomen.”
“Maar hoe zullen wij er dan inkomen?” vroeg de matroos.
“Door eene ladder, die wij van buiten zullen aanbrengen,” antwoordde Cyrus Smith, “een touwladder, die, wanneer wij haar ophalen, den ingang van onze woning onmogelijk kan doen bereiken.”
“Maar waarom zooveel voorzorgen?” vroeg Pencroff. “Tot nog toe behoeven wij voor de dieren niet te vreezen. En ons eiland is toch niet door menschen bewoond.”
“Zijt gij daar wel zeker van, Pencroff?” vroeg de ingenieur den matroos aanziende.
“Wij zullen er dan eerst zeker van wezen, wanneer we het eiland in alle richtingen onderzocht hebben,” antwoordde Pencroff.
“Ja,” zeide Cyrus Smith, “want wij kennen nog slechts een klein gedeelte. Maar in ieder geval, zoo er binnenlands geen vijanden zijn, kunnen zij toch van buiten af komen, want de Stille Zuidzee is vol gevaren. Laat ons dus tegen alle mogelijke gebeurtenissen op onze hoede zijn.”
Cyrus Smith sprak verstandig, en zonder verdere tegenwerping begon Pencroff zijn bevelen op te volgen.
De gevel van het Rotshuis zou dus verlicht worden door vijf vensters en een deur. Bovendien vormde de ingenieur, terwijl de kozijnen der vensters gemaakt werden, het plan om de openingen door zware blinden te sluiten, die wind noch regen doorlieten, en die men, zoo het noodig was, kon bedekken. Binnen weinige dagen was hun werk voltooid en was het Rotshuis van alle zijden verlicht.
Het plan van Cyrus Smith was, om de grot in vijf vertrekken, die het uitzicht op zee hadden, te verdeelen: rechts zou de deur komen, waaraan men de touwladder bevestigen zou, vervolgens een keuken, die dertig voet breed zou worden, een eetzaal, ongeveer veertig voet, een slaapkamer van dezelfde grootte, en eindelijk de gezelschapszaal, die aan de groote zaal grensde, en waarop Pencroff zeer veel prijs stelde. Deze kamers, die een gedeelte van het Rotshuis in beslag namen, konden niet tot in het achterste gedeelte reiken. Zij waren van elkaar gescheiden door een gang en een groot magazijn, waar zij de gereedschappen en de levensmiddelen bewaarden. Buitendien hadden zij nog boven de groote grot een kleine, welke zij tot vliering konden inrichten.
Nu schoot hun niets anders over, dan dit plan ten uitvoer te brengen.
Tot nog toe waren zij in de grot door de oude gleuf gekomen. Cyrus Smith besloot thans een stevige touwladder te maken, die, wanneer zij opgetrokken was, den toegang tot de grot onmogelijk maakte. Deze ladder werd met de uiterste zorg gemaakt: de sporten vervaardigden zij van de takken van een curryboom. En wat de staken betrof, deze bestonden uit cederhout. Het geheel werd met meesterhand door Pencroff samengesteld.

De ladder werd plechtig ingewijd. Blz. 115.
Nu konden zij gemakkelijk de steenen ophijschen tot in het Rotshuis. Ook ging het overbrengen der materialen veel spoediger en was die grot in een oogwenk tot verblijfplaats ingericht. Aan kalk ontbrak het hun niet en eenige duizenden steenen lagen gereed om gebruikt te worden; weldra waren de kamers dan ook in orde.
Het werk ging onder toezicht van den ingenieur, vlug van de hand. Met elk ambacht was Cyrus Smith bekend, en hij gaf zoodoende het voorbeeld aan zijn ijverige en krachtige vrienden.
Men arbeidde met vertrouwen en allen waren opgeruimd gestemd, terwijl Pencroff altijd een vroolijk woord had; nu eens was hij timmerman, dan weer touwslager, en soms metselaar. Zijn vertrouwen in den ingenieur was onwankelbaar. Niets kon hem dit ontnemen. Hij achtte hem tot alles in staat en hield het er voor dat alles wat hij ondernam, slagen moest.
Het punt van kleeren en schoenen,—een zeer gewichtig punt—de verlichting gedurende de winteravonden, alles scheen hem gemakkelijk toe, wanneer Cyrus Smith hielp en die hulp zou nooit ontbreken.
De ingenieur liet Pencroff maar praten. Hij wilde niets op diens overdrijving afdingen. Hij wist dat vertrouwen mededeelzaam maakt, en kon dikwijls een glimlach niet weerhouden, wanneer hij hem hoorde spreken, maar paste wel op dat zijn eigene bezorgdheid voor de toekomst niet aan het licht kwam. Inderdaad had hij alle reden om te vreezen, dat in dit gedeelte van den Stillen Oceaan, waar zelden schepen kwamen, zij weinig op hulp konden rekenen. Zij moesten dus geheel op zich zelven vertrouwen, want de afstand tusschen het eiland Lincoln en eenig ander land was te groot, dan dat zij zich op een boot, die natuurlijk niet zoo stevig gemaakt kon worden, zouden durven wagen.
Maar zooals de matroos zeide, stonden zij wel honderdmaal hooger dan de vroegere Robinsons, die alles door een wonder moesten verkrijgen.
Dit was ook zoo, want zij “wisten” en de mensch die “weet” slaagt waar anderen moeten rondtasten en noodzakelijk omkomen. Bij het werk bleek het dat Harbert veel aanleg had. Hij was vlug en ijverig, begreep alles snel en bracht het goed ten uitvoer, zoodat Cyrus Smith zich hoe langer hoe meer aan den knaap hechtte. Harbert koesterde wederkeerig voor den ingenieur een vurige en eerbiedige vriendschap. Pencroff bemerkte deze sympathie, welke tusschen de beide mannen ontstond, maar was volstrekt niet jaloersch. Nab bleef Nab. Hij was wat hij altijd zou zijn, moedig, ijverig en steeds tot zelfverloochening bereid. Hij had in zijn meester hetzelfde vertrouwen als Pencroff, maar liet dit minder luidruchtig bemerken. Wanneer de matroos zijn opgewondenheid lucht gaf, scheen het, of Nab hem antwoordde: “Maar niets is natuurlijker.”
Toch mochten Pencroff en Nab elkander gaarne lijden.
Wat Gideon Spilett betrof, hij nam aan het algemeene werk deel en was niet de onhandigste—waarover de matroos altijd een weinig verbaasd was. Een “schrijver” die niet alleen alles begrijpt, maar ook alles kan ten uitvoer brengen, was voor hem een onverklaarbaar wezen.
De ladder werd den 28sten Mei plechtig ingewijd. Zij telde niet minder dan honderd sporten en hing langs een loodrechte hoogte van tachtig voet. Gelukkig had Cyrus Smith haar in twee gedeelten weten te maken door partij te trekken van een uitstekend gedeelte van den wand, ongeveer veertig voet boven den grond. Dit uitstek maakten zij vlak; het werd een soort van portaal, waaraan men de eerste ladder kon vastmaken, zoodat de slingeringen de helft kleiner werden, en men haar, door middel van een koord, tot het benedengedeelte van het Rotshuis kon optrekken.
Wat de tweede ladder betrof, deze hechtte men even stevig aan dit uitstek als boven aan de deur vast. Op deze wijze was het naar boven gaan zeer gemakkelijk. Bovendien was Cyrus Smith van plan later een hydraulischen elevator te maken, die alle vermoeienis en alle tijdverlies zou wegnemen. Spoedig waren zij aan die trap gewend. Zij waren vlug en handig en Pencroff, als matroos, kon hun menig lesje geven. Maar ook moest hij Top onderwijzen. De arme hond was, met zijn vier pooten, aanvankelijk niet voor deze beweging geschikt. Pencroff echter was zulk een volhardend onderwijzer, dat Top spoedig even goed als zijn lotgenooten in het honden- en apenspel, de trap beklom. Of de matroos trotsch op zijn leerling was, valt moeilijk te zeggen; maar zeker is het, dat Pencroff hem meer dan eens op zijn rug mede naar boven nam, waar de hond niets tegen had.
Toch vergaten zij door dit werk niet, voor hun wintervoorraad te zorgen. Hiermede hadden Spilett en Harbert zich belast. Vooral vonden zij veel konijnen. Ook verzamelde Harbert een menigte kruiden en planten, en toen Pencroff hem vroeg, waartoe die dienden, antwoordde de knaap:
“Om ons te genezen, wanneer wij ziek zijn.”
“Maar, waarom zouden wij ziek worden, daar er geen dokters op het eiland zijn?” hernam Pencroff op ernstigen toon.
Hierop viel niets te antwoorden, maar Harbert ging toch met zijn verzameling voort, die men in het Rotshuis zeer op prijs stelde.
Eens dat zij weer door het bosch dwaalden, riep Harbert plotseling uit:
“Konijnen-holen!”
“Ja,” antwoordde de reporter, “ik zie ze ook.”
“Maar zijn zij bewoond?”
“Dat is de vraag.”
Het duurde niet lang of de vraag werd opgelost. Spoedig zag men een honderd van die kleine dieren, welke op konijnen geleken, zich in alle richtingen verspreiden, zoo snel, dat Top ze niet zou hebben kunnen achterhalen. Jagers en hond gelukte het dus niet eenigen in hun macht te krijgen. Maar Spilett had vast besloten de plaats niet te verlaten, vóor hij er een half dozijn vermeesterd had en kwam op het denkbeeld voor de holen strikken te spannen, maar eerst moesten zij die maken.
Een uur later had hij er dan ook vier gevangen. Deze dieren geleken veel op de konijnen die men in Europa vindt, en welke daar den naam van Amerikaansche konijnen dragen.
Zij brachten den buit naar het Rotshuis, waar hij als avondmaal op tafel verscheen. Deze dieren smaakten overheerlijk, en van die konijnen scheen een onuitputtelijke voorraad te bestaan.
Den 31sten Mei waren de luiken klaar. Nu moesten zij de kamers nog meubelen, een werk, dat zij voor de lange winteravonden bewaarden. Een schoorsteen werd in de eerste kamer, de keuken, geplaatst. De pijp, waardoor de rook moest opstijgen, gaf nog eenig werk aan deze geïmproviseerde schoorsteenvegers. Het gelukte Cyrus Smith ook, om door een kleine buis het water van het meer tot in het Rotshuis te laten komen, zoodat het hun nooit aan water kon ontbreken.
Eindelijk was alles gereed; het werd ook tijd, want het slechte jaargetijde was aangebroken. De luiken werden zoolang gesloten totdat de ingenieur zijn glasruiten vervaardigd had.
Gideon Spilett had zeer netjes, op de uitstekende punten van de grot en om de vensters, verschillende planten geplaatst, zoodat alle openingen omlijst waren met groen en een schilderachtige uitwerking deden. De bewoners van dit hechte, gezonde en veilige huis hadden alle reden om over hun werk tevreden te zijn. De ramen gaven het uitzicht op een bijna onbeperkten horizon, ten noorden begrensd door Kaap Mandibule en ten zuiden door kaap Klauw. De geheele golf der Unie strekte zich in al haar pracht voor hen uit. Vooral Pencroff was uitbundig in zijn lof over hetgeen hij schertsend noemde zijn kamer op de vijfde verdieping, boven de entresol.