← Table of contents
Het Geheimzinnige Eiland

XXX.

Gerard Keller translation

Het lijnwaad.—Schoenen van zeehondenvel.—Schietkatoen.—Verschillende planten.—De vischvangst.—Schildpad-eieren.—Jup gaat vooruit.—De kraal.—Jacht op muffeldieren.—Nieuwe dieren en planten.—Gedachten aan het vaderland.

De eerste week van Januari besteedde men met het vervaardigen van het noodige linnen voor de kolonisten. De naalden, die in het kistje gevonden waren, gingen weldra ijverig op en neer in krachtige, hoewel niet fijne handen, en hetgeen er genaaid werd, werd stevig genaaid.

Er was geen gebrek aan garen, daar Cyrus Smith op het denkbeeld was gekomen om hetzelfde te gebruiken, dat reeds gediend had bij het vervaardigen van den luchtballon. Dit werd met bewonderenswaardig geduld losgetornd door Gideon Spilett en Harbert; Pencroff had dit werk moeten opgeven, daar het veel te kriebelig voor hem was; maar wanneer het op naaien aankwam, had hij zijn gelijke niet. Iedereen weet dan ook dat de zeelui bijzonder veel aanleg voor het kleermakersvak hebben.

Het linnen, waarvan de ballon gemaakt was, werd vervolgens van vet gezuiverd door middel van soda en potasch, hetgeen men door verbranding van planten verkreeg; het werd weder lenig, toen ook het vernis er af was, en nadat het vervolgens langen tijd aan de lucht werd blootgesteld, herkreeg het zijn zuiver witte kleur.

Eenige dozijnen hemden en kousen—deze laatste wel te verstaan niet gebreid maar van linnen genaaid—waren spoedig vervaardigd. Welk een genot voor de kolonisten om eindelijk weder helder linnen te kunnen aantrekken.—Wel is waar was het zeer hard en ruw linnen, maar om zulk een kleinigheid bekommerden zij zich niet, en ’t was een feest tusschen lakens te slapen, die van de slaapplaatsen van ’t Rotshuis wezenlijke bedden maakten.

In dezen tijd vervaardigden zij ook schoenen van zeehondenvel, die juist bijtijds de schoenen en laarzen konden vervangen, welke zij uit Amerika meegebracht hadden.

Zeker was het, dat die schoenen lang en wijd waren en nooit knelden aan de voeten der wandelaars.

Met den aanvang van het jaar 1866 werd de warmte grooter, en de jacht leverde nog steeds goeden voorraad op. Het wemelde inderdaad van konijnvarkens, water- en muskuszwijnen, kangaroes en pluimgedierte, en Gideon Spilett en Harbert waren te goede schutters om voortaan een enkel schot te missen.

Cyrus Smith beval hun echter steeds aan zoo zuinig mogelijk met het kruit te zijn en hij nam maatregelen om het kruit en lood, dat in de kist gevonden was, en dat hij voor later wilde bewaren, te vervangen. Immers hij wist niet waar het lot hem en de zijnen nog eens kon brengen, ingeval zij hun rijk verlieten.

Men moest zich dus wapenen tegen alle behoeften, die zich konden voordoen en het kruit sparen, door andere bestanddeelen te verschaffen, die gemakkelijk te vernieuwen waren.

Om het lood te vervangen, waarvan Cyrus Smith geen enkel spoor op het eiland ontdekt had, vervaardigde hij zonder veel moeite ijzeren hageltjes, die gemakkelijk te maken waren. Daar deze hageltjes niet zoo zwaar als lood waren, moest hij ze grooter maken, en elk schot bevatte er nu minder, doch de behendigheid der jagers kwam aan dit gebrek te gemoet. Kruit had Cyrus Smith genoeg kunnen maken, want hij had salpeter, zwavel en koolstof tot zijn beschikking; maar deze bereiding eischt de grootste zorg en zonder daartoe vervaardigde werktuigen, is het moeilijk de goede soort te leveren.

Jup bracht het grootste gedeelte van zijn tijd in de keuken door. Blz. 199.
Jup bracht het grootste gedeelte van zijn tijd in de keuken door. Blz. 199.

Jup bracht het grootste gedeelte van zijn tijd in de keuken door. Blz. 199.

Cyrus Smith gaf er dus de voorkeur aan om schietkatoen te maken, waarbij het katoen niet onmisbaar is, daar het er slechts bij gebruikt wordt als verbindingsmiddel. Als zoodanig kan even goed gebezigd worden de grondstof van elke plant, die men bijna zuiver vindt niet alleen in het katoen, maar ook in de spinbare vezels van hennep en vlasplanten, in papier, in oud linnen, in het merg van den vlierboom, enz. De vlierboom groeide overvloedig op het eiland aan den mond van de Roode Beek en de kolonisten gebruikten reeds in plaats van koffie de bessen van dit gewas, dat tot de kamperfoelieplanten behoort.

Het was dus voldoende dit merg te verzamelen, en wat de andere bestanddeelen betreft, die noodig waren tot het maken van schietkatoen, daarvoor had men slechts salpeterzure-potasch noodig. Daar Cyrus Smith reeds zwavelzuur had, viel het hem ook niet moeilijk, salpeterzure-potasch te bereiden, door er salpeter bij te brengen, dat de natuur hem verschafte.

Hij besloot dus schietkatoen te maken en te gebruiken, hoewel hij er de vrij groote bezwaren van erkende. Er is namelijk een belangrijk verschil van uitwerking en de ontbranding gaat uiterst snel, daar het op honderd zeventig in plaats van op twee honderd veertig graden ontvlamt, en eindelijk ontwikkelt het een te plotselinge warmte, wat voor vuurwapenen niet wenschelijk is. Een voordeel was daarentegen, dat het tegen vocht bestand is, de loopen der geweren niet vuil maakt en de ontploffingskracht viermaal grooter is dan die van het gewone buskruit.

Om schietkatoen te vervaardigen was het voldoende om het merg van den vlierboom een kwartier lang in salpeterzure-potasch te houden, het vervolgens in water uit te spoelen en dan te laten drogen. De poging van den ingenieur slaagde uitnemend en de jagers hadden weldra een goed bereid middel tot hun beschikking, dat, wanneer het met mate gebruikt werd, zeer goede resultaten opleverde.

Tegen dien tijd ontgonnen zij ook een bunder grond op de bergvlakte, terwijl het overige als weide werd gehouden.

Verscheidene keeren maakten zij uitstapjes in de bosschen en zij brachten dan een gansche verzameling van wilde planten mede; door een goede bewerking zouden zij tot spinazie, sterrekers, rammenas en rapen gewijzigd worden en de voeding met stikstofhoudende spijzen, waaraan de kolonisten van Lincoln tot nog toe onderworpen waren, een weinig afwisselen. Zij brachten eveneens een groote hoeveelheid hout en steenkolen aan. Elke tocht was, tegelijkertijd een middel om de wegen te verbeteren, die langzamerhand effen werden onder de wielen van de kar.

De konijnenfokkerij leverde steeds een overvloed van voedsel aan het Rotshuis. De fokkerij was zoo gelegen, dat hare bewoners nooit op het afgezette gedeelte der bergvlakte konden komen en bijgevolg de nieuw aangelegde plannen niet konden verwoesten. Wat de oesterbank betreft, deze was te midden van de rotsen gelegen; zij verschafte steeds nieuwen voorraad, en de kolonisten genoten er dagelijks van. Weldra bracht de vischvangst, hetzij in het meer, hetzij in de Mercy, zeer veel op, want Pencroff had lijnen in het water gezet met ijzeren haken, waaraan dikwijls forellen en andere visschen kwamen, die heerlijk smaakten en wier zilverkleurige zijden met kleine gele vlekken overdekt waren. Nab, die met de zorg voor de spijzen belast was, kon dus altijd een weinig afwisseling in het middagmaal brengen. Het brood ontbrak nog slechts aan de tafel der kolonisten, en dit was werkelijk een zeer groot gemis.

In dien tijd begon men ook jacht te maken op de zeeschildpadden, die zeer dikwijls op het strand kwamen bij kaap Mandibule. Over het geheele strand zag men kleine hoogten, waarin ronde eieren verborgen waren, met harde, witte schaal en waarvan het wit de eigenschap mist om, evenals dat van vogeleieren, te stremmen. De zon broedt ze uit, en het aantal er van was natuurlijk zeer groot, daar elke schildpad jaarlijks tot twee honderd vijftig eieren legt.

“Een waar eierenveld,” merkte Gideon Spilett op, “men heeft ze slechts te oogsten.”

Maar zij stelden zich niet met de voortbrengselen tevreden; zij maakten ook jacht op de voortbrengers, waarbij niet minder dan twaalf schildpadden gevangen werden, die werkelijk niet te versmaden waren met het oog op hun maaltijden. Nab werd dikwijls geprezen, en te recht, voor de schildpadsoep, die hij bereidde met welriekende planten en prikkelende kruiden.

Nog moet een zeer gelukkige omstandigheid vermeld worden, waardoor zij weder nieuwen voorraad voor den winter konden opdoen. Een groot aantal zalmen waagden zich in de Mercy en gingen verscheidene mijlen stroomopwaarts. Duizenden van deze visschen, die ongeveer twee en een halven voet lang waren, stortten zich in de rivier en het was voldoende den mond te versperren om een groot aantal te vangen. Eenige honderden werden gezouten en bewaard voor den tijd dat de wintervorst elke vischvangst onmogelijk zou maken.

Jup werd tot kamerdienaar verheven. Hij kreeg een jasje en een korte broek van wit linnen en een voorschoot, waarvan de zakken zijn grootste geluk uitmaakten, want hij stak er altijd zijn handen in en duldde niet, dat men ze doorzocht. De behendige aap was uitmuntend gedresseerd door Nab en men zou gezegd hebben dat hij en de neger elkander begrepen, wanneer zij samen spraken. Jup had overigens een waarachtige genegenheid voor Nab, en Nab wederkeerig voor hem. Wanneer hij niet van dienst kon zijn, hetzij om hout aan te brengen of om in den top van den een of anderen boom te klimmen, bracht Jup het grootste gedeelte van zijn tijd in de keuken door en trachtte Nab in alles na te bootsen wat hij dezen zag doen. De meester legde overigens het grootste geduld en den meesten ijver aan den dag in het onderrichten van zijn leerling, en de leerling toonde een merkwaardig vlug begrip voor de lessen, die zijn meester hem gaf.

Men oordeele over het genoegen, dat Jup op een dag aan de bewoners van het Rotshuis verschafte, toen hij met een servet over den arm, de tafel kwam dekken, zonder dat men het hem gezegd had. Hij kweet zich behendig en oplettend van zijn taak, nam de borden weg, bracht de schotels op, schonk de glazen vol, en alles met zulk een ernst, dat de kolonisten, maar vooral Pencroff, er het grootste pleizier in hadden.

“Jup, de soep!”

“Jup, nog wat vleesch!”

“Jup, een bord!”

“Jup! Beste Jup! Knappe Jup!”

Jup werd met bevelen overstelpt en voldeed aan alles zonder zich het minst van streek te laten brengen; hij lette op alles en schudde met zijn verstandigen kop, toen Pencroff zijn aardigheid van den eersten dag herhaalde en zeide:

“Wij zullen bepaald je traktement moeten verdubbelen, Jup!”

Het is onnoodig te zeggen, dat Jup zeer gehecht was aan het Rotshuis en dat hij zijn meester dikwijls door het bosch vergezelde zonder ooit eenigen lust te toonen om te ontvluchten. Men moest hem zien loopen, met zijn stok, dien Pencroff voor hem gemaakt had, als een geweer op schouder! Moest men de eene of andere vrucht uit den top van een boom hebben, in een oogwenk was hij dan boven! Was het rad van den wagen uit het spoor, handig bracht Jup hem door een enkelen duw er weder in.

“Wat een kerel!” riep Pencroff dikwijls uit. “Als hij even ondeugend als goed was, dan zou er met hem geen huis te houden zijn!”

Tegen het einde van Januari ondernamen de kolonisten eenige groote werken in het middengedeelte van het eiland. Men had besloten om bij de bron van de Roode Beek, aan den voet van den berg Franklin een kraal aan te leggen, die bestemd was voor de herkauwende dieren, wier tegenwoordigheid hinderlijk zou geweest zijn voor de bewoners van het Rotshuis, en voor al de muffeldieren, die de wol moesten verschaffen voor de winterkleederen.

Iederen morgen begaf zich de kolonie soms geheel, soms alleen vertegenwoordigd door Cyrus Smith, Harbert en Pencroff, naar de bronnen van de rivier, een wandeling van vijf mijl onder dicht lommer en langs een nieuw aangelegden weg, dien men den Kraalweg genoemd had.

Toen na drie weken de kraal gereed was, moest men een groote drijfjacht aanleggen aan den voet van den berg Franklin, te midden van de weilanden, waar de herkauwende dieren meestal verblijf hielden. Dit had plaats op den 7den Februari, een prachtigen zomerdag, en allen namen er aan deel.

De twee onagga’s, die reeds zeer goed gedresseerd waren en bereden werden door Gideon Spilett en Harbert, bewezen hierbij grooten dienst.

Pencroff ging oogenblikkelijk naar zijn land. Blz. 204.
Pencroff ging oogenblikkelijk naar zijn land. Blz. 204.

Pencroff ging oogenblikkelijk naar zijn land. Blz. 204.

Men moest de muffeldieren en geiten tot een kudde brengen, door ze te omsingelen en den kring steeds nauwer te maken. Cyrus Smith, Pencroff, Nab en Jup vatten post op verschillende punten van het woud, terwijl de beide ruiters met Top in een straal van een halve mijl om de kraal rondreden.

De muffeldieren waren op dat gedeelte van het eiland zeer talrijk. Deze prachtige dieren, zoo groot als gemzen, met horens die sterker ontwikkeld zijn dan die der rammen, met een grijze langharige vacht, geleken veel op wilde steenschapen.

Het was een vermoeiende dag, waarop de jacht plaats had. Welk een heen en weer loopen, op en neer rennen en schreeuwen! Van de honderd muffeldieren die men insloot, ontsnapte meer dan tweederde gedeelte aan de jagers; maar bij het einde waren er toch een dertigtal van deze herkauwende dieren en een tiental wilde geiten naar de kraal gedreven, waarvan de geopende deur een uitweg scheen te bieden, terwijl zij hen voor goed gevangen hield.

De einduitslag was gunstig en de kolonisten hadden geen reden tot klagen. Het grootste gedeelte van deze muffeldieren waren wijfjes, waarvan sommige zelfs spoedig jongen ter wereld zouden brengen. Het was dus waarschijnlijk dat de kudde zou vermeerderen, en dat niet alleen de wol, maar ook de huiden binnen korten tijd in overvloed voorhanden zouden zijn.

De jagers kwamen dien avond uitgeput in het Rotshuis terug. Den volgenden dag gingen zij nochtans weder vroeg naar de kraal. De gevangenen hadden wel getracht de omheining om te stooten, maar waren er niet in geslaagd en zij werden al spoedig bedaard.

Gedurende de maand Februari viel er niets bijzonders voor. Het dagelijksch werk werd geregeld volbracht, en terwijl men den Kraalweg en den weg naar de Ballonhaven verbeterde, legde men ter zelfder tijd een derden aan, die van de kraal naar de westkust liep. Het onbekende gedeelte van het eiland Lincoln vormden nog steeds de groote bosschen op het Slangen-schiereiland, waar de wilde dieren, die Gideon Spilett hoopte te verdrijven, een schuilplaats zochten.

Voor dat het koude jaargetijde weder aanbrak, werd de meeste zorg besteed aan de wilde planten, die van het bosch naar de bergvlakte waren overgebracht. Harbert keerde zelden van een tocht terug zonder eenige nuttige kruiden mede te brengen. Soms waren het exemplaren van cichoreiplanten, waarvan ook het zaad door sterke persing een uitmuntende olie kon verschaffen; een ander maal was het zuring, waarvan de eigenschap om scheurbuik te genezen niet te versmaden was; vervolgens eenige van die kostbare knolvormige wortels, die sedert onheuglijke tijden in Zuid-Amerika werden verbouwd, de aardappels, waarvan men tegenwoordig meer dan twee honderd soorten kent. De moestuin, die nu goed onderhouden, geregeld begoten en tegen de aanvallen van vogels beschermd werd, was in kleine vakken verdeeld, waarop salade, aardappels, zuring, rammenas en andere kruiddragende planten groeiden. De grond op de bergvlakte was zeer vruchtbaar en men mocht hopen dat hij een overvloedigen oogst zou afwerpen.

Het ontbrak evenmin aan afwisselende dranken, en op voorwaarde dat men geen wijn zou eischen, behoefden zelfs zij, die het moeilijkst te bevredigen waren, zich niet te beklagen. Cyrus Smith had bij de Oswego-thee, die hem door de dubbele Amerikaansche lipbloem werd verschaft, en bij de gistende sappen uit de wortels van den drakenboom, zeer goed bier weten te bereiden; hij maakte het uit het jonge schot van de abies-nigra, dat, na goed gekookt en gegist te hebben, dien aangenamen en bijzonder gezonden drank verschaft, dien de Anglo-Amerikanen “springbeer” noemen.

Tegen het einde van den zomer was ook het gevogelte met een groot aantal vermeerderd.

Alles slaagde dus naar wensch, dank zij den moed en den ijver van deze mannen. De Voorzienigheid deed zeker veel voor hen; maar getrouw aan het groote voorschrift, hielpen zij eerst zich zelven, en kwam de hemel hun vervolgens te hulp.

Na die warme zomerdagen, was het voor de kolonisten het grootste genot om ’s avonds, wanneer hun werk volbracht was, zich aan den zoom van de bergvlakte neer te zetten onder een begroeide veranda, die Nab zelf vervaardigd had. Daar praatten zij en onderwezen elkander en maakten plannen, en de vroolijke zeeman vermaakte onophoudelijk die kleine maatschappij, waarin altijd de meest onverstoorde eendracht heerschte.

Zij spraken ook over hun vaderland, over dat dierbare en groote Amerika. Hoe stond het met den burgeroorlog? Hij kon niet lang meer geduurd hebben! Richmond was zeker spoedig in handen van generaal Grant gevallen! Het innemen van de hoofdstad der geconfedereerden had het laatste feit van dezen noodlottigen krijg moeten zijn. Het Noorden had nu gezegepraald en de goede zaak overwonnen. Hoe welkom zou het een of andere nieuwsblad voor de ballingen van het eiland Lincoln geweest zijn! Reeds elf maanden was alle gemeenschap tusschen hen en de overige wereld afgebroken en binnen korten tijd, den 24sten Maart, zou de gedenkdag aanbreken van den dag, waarop de ballon hen op deze onbekende kust had geworpen! Toen waren zij slechts schipbreukelingen, die zelf niet wisten of zij hun ellendig leven aan de elementen zouden kunnen betwisten.

En nu, dank zij de kunde van hun aanvoerder, dank zij hun eigen vernuft, waren zij kolonisten geworden, voorzien van wapenen, werktuigen en instrumenten, die de dieren, planten en delfstoffen van het eiland, dat is te zeggen de drie rijken der natuur, tot hun nut hadden weten te exploiteeren.

Ja, zij spraken dikwijls over dat alles, en maakten nog tallooze plannen voor de toekomst!

Cyrus Smith luisterde gewoonlijk stilzwijgend naar zijn lotgenooten. Somtijds glimlachte hij over een opmerking van Harbert, een aardigheid van Pencroff, maar altijd en overal dacht hij aan die onverklaarbare feiten, aan dat zonderlinge raadsel, waarvan het geheim hem nog steeds duister bleef!

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings