← Table of contents
Het Geheimzinnige Eiland

XXIX.

Gerard Keller translation

Plannen ter uitvoering.—Een brug over de Mercy.—Een eiland maken van het Verre Uitzicht.—De graanoogst.—De beek.—Het gevogelte.—De duiventil.—De onagga’s.—De kas.—Uitstapje naar de Ballonhaven.

De kolonisten van het eiland Lincoln waren dus weder in het bezit van hun woning, zonder dat zij genoodzaakt waren geweest de oude uitloozingsplaats op te zoeken, zoodat hun veel metselaarswerk gespaard bleef. Het was inderdaad gelukkig, dat op het oogenblik toen zij op het punt stonden dit te doen, de bende apen door den schrik bevangen, hoe plotseling en onverklaarbaar dit ook wezen mocht, het Rotshuis ontvlucht waren. Deze dieren schenen een voorgevoel gehad te hebben dat het gevaar hun van een andere zijde bedreigde? Dat was de eenige reden waaraan hun snel vertrek kon worden toegeschreven.

Pencroff maakte verschillende vogelverschrikkers. Blz. 191.
Pencroff maakte verschillende vogelverschrikkers. Blz. 191.

Pencroff maakte verschillende vogelverschrikkers. Blz. 191.

Gedurende de laatste uren van dien dag werden de lijken van de apen naar het bosch overgebracht, waar men ze begroef; daarop herstelden de kolonisten de wanorde, die door de indringers was aangericht—gelukkig wanorde en geen schade, want zij hadden het huisraad slechts omgeworpen, maar niets gebroken. Nab legde zijn vuur weder aan, en met hetgeen zij in hun provisiekast hadden, konden zij een heerlijk maal bereiden, waaraan zij ook alle eer deden.

Jup werd niet vergeten, en hij at met smaak de appelen der pijnboomen, waarvan zij hem ruim voorzagen. Pencroff had zijn armen losgemaakt, maar hij achtte het raadzamer de koorden om zijn pooten te laten tot op het oogenblik dat zij op zijn onderwerping konden vertrouwen.

Voordat zij naar bed gingen, bespraken Cyrus Smith en zijn makkers nog onder elkander wat hun het noodigste te doen stond.

Het noodigste en het dringendste was het maken eener brug over de Mercy, zoodat het zuidelijke gedeelte van het eiland in verbinding kwam met het Rotshuis; voorts de stichting van een kraal, die dienen moest tot huisvesting van buffeldieren en andere, waarvan zij het haar of de wol zouden kunnen gebruiken.

Met ziet dat deze twee plannen betrekking hadden op het punt kleederen, die toen van het grootste gewicht voor hen waren. Want een brug zou hun het overbrengen van den ballon gemakkelijker maken, waardoor zij dan een goeden voorraad linnen zouden bezitten en de kraal was voor de wol, die hun winterkleederen moest verschaffen.

Het maken der brug over de Mercy duurde drie weken, en nog moesten zij hard doorwerken. Zij ontbeten altijd op de plaats waar zij werkten en daar het toen prachtig weer was, keerden zij eerst tegen den avond naar het Rotshuis terug.

Gedurende dien tijd gewende de aap hoe langer hoe meer en kwam hij op goeden voet met zijn meesters, die hij altijd met de grootste nieuwsgierigheid gadesloeg. Toch waagde Pencroff het nog niet hem de vrijheid van al zijn ledematen te schenken, en hij achtte het raadzaam hiermede te wachten totdat de grenzen van de bergvlakte onoverkoombaar waren door de inrichting, welke zij nu tot stand brachten. Top en Jup waren ook de beste vrienden en speelden graag samen, maar Jup deed alles zoo ernstig mogelijk.

Den 20sten November was de brug gereed. Nu moesten zij het omkleedsel van den luchtballon halen, want het was voor hen van het grootste belang om dat linnen in veiligheid te brengen; maar om het te vervoeren, moesten zij noodzakelijk een wagen medenemen naar de Ballonhaven en dientengevolge zagen zij zich verplicht eerst een weg door het dichte bosch van het Verre Westen te banen. Dat kostte hun ook nog eenigen tijd. Nab en Pencroff deden dan ook eerst een verkenningstocht naar de haven, en daar zij bevonden dat het linnen niets in de grot te lijden had, besloten zij dat het werk, op de vlakte het Verre Uitzicht, onafgebroken kon vervolgd worden.

“Dus,” merkte Pencroff op, “wij kunnen onze volière in den besten toestand brengen, daar wij nu noch de vossen noch eenigen onverwachten aanval van andere schadelijke dieren te vreezen hebben.”

“Ook kunnen wij nu de bergvlakte ontginnen en de wilde planten hier overbrengen....”

“En ons tweede korenveld bezaaien!” riep de matroos zegevierend uit.

Hun eerste korenveld dat zij door een enkel graantje verkregen hadden, was zeer toegenomen, dank zij de zorg van Pencroff. De graankorrel had, zooals de ingenieur gezegd had, tien aren geschoten, en elke aar droeg tachtig korrels. De kolonie was dus in het bezit van acht honderd graankorrels in zes maanden tijd—dus een dubbele oogst mochten zij elk jaar verwachten.

Deze acht honderd graankorrels, uitgezonderd een vijftigtal, die zij voorzichtigheidshalve bewaarden, zouden dus op een nieuw veld gezaaid kunnen worden met evenveel zorg als de eenige korrel, die zij aanvankelijk bezaten.

Het veld werd in orde gebracht, en daaromheen een omheining gemaakt van hooge palen, zoodat de viervoetige dieren er niet over konden. En om de vogels te verwijderen, maakte Pencroff met zijn sterke verbeeldingskracht verschillende vogelverschrikkers, die hen dan ook op een eerbiedigen afstand hielden. De zeven honderd vijftig korrels werden toen weder in regelmatige voren geplaatst, en het overige werd der natuur toevertrouwd.

Den 21sten November begon de ingenieur de gracht af te bakenen, welke de bergvlakte in het westen moest scheiden van den zuidelijken uithoek van het meer Grant tot aan de bocht der Mercy. Zij hadden daar een twee à drie voet hooge laag vruchtbaren grond op het graniet. Zij moesten dus weer nitro-glycerine maken, en de nitro-glycerine had dezelfde uitwerking. In minder dan vijftien dagen hadden zij een gracht van twaalf voet breed en zes voet diep in den harden grond van de bergvlakte gegraven. Een nieuwe uitloozingsplaats hadden zij nu verkregen door hetzelfde middel als bij de rotsachtige kust van het meer, en het water stroomde in deze nieuwe bedding, aan wier stroom men den naam van Glycerine-rivier gaf, en die een zijtak van de Mercy werd. De oppervlakte van het meer daalde weer, zooals de ingenieur voorspeld had, maar bijna onmerkbaar. Eindelijk, om de grens te voltooien, verbreedden zij de bedding der beek aanmerkelijk en het zand werd door een stevigen dijk weerhouden.

In de eerste helft van December was deze arbeid voltooid. Gedurende die maand was het zeer warm. Toch wilden de kolonisten hun werk niet staken, en daar zij thans hun volière in orde moesten brengen, gingen zij hiertoe over.

Het is onnoodig te zeggen, dat, nu de geheele grens gemaakt was, Jup ook in vrijheid werd gesteld. Hij verliet zijn vrienden niet en scheen ook niet den minsten lust te hebben om te ontsnappen. Het was een zachtaardig maar krachtig dier en bijzonder behendig. Als het er op aan kwam de ladder van het Rotshuis te beklimmen, kon niemand hem in vlugheid evenaren. Hij was hun zelfs in sommig werk reeds behulpzaam; hij trok den wagen met hout beladen en bracht de steenen over, die uit de Glycerine-rivier waren gekomen.

De volière besloeg een ruimte van twee honderd vierkante meters, op den zuidoostelijken oever van het meer. Zij omringden haar met een hek en maakten er verschillende hokken in voor de dieren die haar moesten bevolken.

De eerste bewoners waren de tinamoes, die weldra een aantal kleintjes hadden; en spoedig hadden zij tot buren de eenden, die aan de oevers van dat meer veel gevonden werden. Eenige behoorden tot het Chineesche ras, waarvan de vleugels zich waaiervormig openen en wier schitterende kleuren met die der goudlakensche faisanten kunnen wedijveren. Eenige dagen later maakte Harbert zich meester van een koppel hoenders met ronden staart en lange vleugels. Wat de pelikanen, ijsvogels en watervogels betrof, deze kwamen uit zichzelf in de volière, en die geheele kleine wereld geraakte, na eenige twisten en onlusten, met elkander op den besten voet en groeiden in zulk een mate aan, dat de kolonisten zich voor hun toekomstige voeding niet ongerust behoefden te maken.

Cyrus Smith wilde zijn werk thans voleindigen en plaatste daarom in een hoek van de volière een duiventil. Zij brachten daarin een dozijn van die vogels, welke veel op de rotsvlakten gevonden worden. Deze vogels gewenden zich spoedig en vlogen elken avond naar hun nieuwe woning terug, en schenen beter geschikt om getemd te worden dan de wilde duiven, die zich niet dan in het wild voortplanten.

Eindelijk was het oogenblik aangebroken om van het omkleedsel van den luchtballon lijnwaad te maken, want om hem in dien vorm te houden en in een ballon met warme lucht gevuld het eiland te verlaten, boven een zee, om zoo te zeggen, zonder grenzen, zou slechts een aannemelijk plan wezen voor menschen, wien het geheel aan gezond verstand ontbrak en Cyrus Smith was een practisch man, dus dat kwam in het geheel niet in hem op.

Nu moesten zij den ballon naar het Rotshuis overbrengen en de kolonisten trachtten thans hun zwaren wagen lichter en handiger te maken. Maar al had men het voertuig, een geschikt trekdier hadden zij nog niet gevonden. Bestond er dan op het geheele eiland geen herkauwend dier, dat de plaats van het paard, den ezel, den os of de koe kon vervullen? Daar kwam het nu op aan.

Jup tot kamerdienaar verheven. Blz. 199.
Jup tot kamerdienaar verheven. Blz. 199.

Jup tot kamerdienaar verheven. Blz. 199.

“Waarlijk,” zeide Pencroff, “een trekdier zou ons zeer dienstig wezen, maar intusschen moest mijnheer Cyrus een wagen met stoom maken, of een locomotief, want zeker zullen wij eenmaal een spoorweg bezitten van het Rotshuis naar de Ballonhaven met een zijtak naar den berg Franklin!”

De brave matroos meende het oprecht, wanneer hij zoo sprak! O! verbeelding, hoe hoog kunt gij stijgen wanneer het geloof er mede gepaard gaat!

Maar al had men geen locomotief, een trekdier zou Pencroff reeds veel helpen en men zou er ook niet lang op behoeven te wachten.

Eens, het was den 23sten December, hoorde men Nab roepen en Top uit alle macht blaffen. De kolonisten werkten in de Schoorsteenen; zij snelden in allerijl naar hen toe, daar zij vreesden dat hun een ongeluk was overkomen. En wat zagen zij? twee prachtige groote dieren, die zich onvoorzichtig genoeg op de bergvlakte gewaagd hadden, waarvan de hekken op dat oogenblik niet gesloten waren. Men zou zeggen, dat het twee paarden waren, of minstens twee ezels, de een van het mannelijk en de ander van het vrouwelijk geslacht, schoon gevormd en isabelkleurig, met witten staart en witte pooten, wit en zwart gestreept op den kop, den hals en den romp. Zij kwamen langzaam naderbij, zonder eenige vrees aan den dag te leggen en beschouwden met een levendig oog de menschen, waarin zij hun meesters nog niet konden herkennen.

“Het zijn onagga’s,” zeide Harbert.

“Waarom geen ezels?” vroeg Nab.

“Omdat zij geen lange ooren hebben en hun vorm bevalliger is,” antwoordde Harbert.

“Ezels of paarden,” was Pencroffs antwoord, “het zijn goede trekdieren.”

De matroos sloop, zonder deze dieren te verschrikken, naar de hekken bij de Glycerine-rivier, sloot deze en zij hadden de viervoetige dieren in hun macht. Zouden zij zich met geweld van deze onagga’s meester maken en hen dwingen zich te onderwerpen? Neen. Zij besloten, dat men ze gedurende eenige dagen vrij op de bergvlakte zou laten ronddolen, waar een overvloed van kruiden groeide, en dadelijk liet de ingenieur bij de volière een stal bouwen, waar deze dieren een goed onderkomen voor den nacht zouden vinden. Dit prachtige tweetal werd dus geheel in vrijheid gelaten en de kolonisten onthielden zich zelfs om hen te naderen, daar zij dan verschrikken zouden. Toch scheen de vlakte voor deze onagga’s te klein te wezen en beproefden zij menigmaal haar te verlaten, daar zij aan uitgestrekte en dichte bosschen gewend waren. Zij zagen hen nu eens den oever der rivier volgen, die hun een onoverkomelijken hinderpaal opleverde, dan weder door het hooge gras rennen en eindelijk kalm terugkeeren. Dan stonden zij uren lang naar die bosschen te kijken, die voor altijd voor hen gesloten bleven.

Intusschen was het tuig en alles wat zij tot het aanspannen van den wagen noodig hadden, gereed; ook was een rechte weg, door het bosch van het Verre Westen aangelegd, van de bocht der Mercy tot aan de Ballonhaven. Zij konden den wagen daarheen brengen en het was tegen het einde van December dat men voor de eerste maal met deze onagga’s de proef nam.

Pencroff had deze dieren al zoo tam gemaakt dat zij uit zijn hand het voedsel aten, en men kon ze gemakkelijk naderen, maar toen ze eenmaal aangespannen waren, werden zij wild en had men groote moeite hen in toom te houden. Toch moesten zij zich in hun nieuwen dienst schikken want de onagga, minder weerbarstig dan de zebra, wordt in de bergachtige streken van Afrika zeer veel als trekdier gebruikt en men heeft ze ook in Europa in een betrekkelijk koud klimaat overgebracht.

Dien dag gingen de kolonisten, uitgezonderd Pencroff, die deze dieren bij den kop hield, in den wagen naar de Ballonhaven. Dat zij door elkaar geschud werden, op dien pas aangelegden weg, spreekt van zelf; maar toch kwam het voertuig zonder ongelukken aan en dienzelfden dag konden de ballon en de verdere toestellen vervoerd worden. Ten acht ure ’s avonds werden de onagga’s uitgespannen en in hun stal geplaatst en, voordat zij sliepen, uitte Pencroff een zucht van voldoening, die door de wanden van het Rotshuis weerkaatst werd.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings