← Table of contents
Het Geheimzinnige Eiland

XII.

Gerard Keller translation

De horloges worden geregeld.—Pencroff is voldaan.—Een verdachte rook.—De roode beek.—De bloemen van het Lincolns eiland.—De dieren.—De bergfazanten.—Jacht op Kangaroes.—Het Grantmeer.—Terugreis naar de Schoorsteenen.

De kolonisten van het eiland Lincoln wierpen een laatsten blik om zich heen en daalden door den krater neder, en een half uur later waren zij op de plaats, waar zij hun nachtleger hadden opgeslagen. Pencroff dacht dat het tijd was om te ontbijten, en daardoor kwam men op het denkbeeld de horloges van Gideon Spilett en den ingenieur gelijk te zetten.

Zooals men weet, had dat van Gideon Spilett niet door het zeewater geleden, omdat de correspondent dadelijk op het zand was terecht gekomen, buiten bereik van de golven. Het was een uitmuntend uurwerk, een ware zak-chronometer, dien Gideon Spilett nooit vergeten had op te winden. Het horloge van den ingenieur had natuurlijk stilgestaan gedurende den tijd dien Smith in de duinen had doorgebracht.

De ingenieur wond het op en rekende dat het te oordeelen naar de zon, ongeveer negen uur in de morgen moest zijn: hij zette zijn horloge op dat uur.

Spilett wilde zijn voorbeeld volgen, toen Smith hem weerhield en zeide:

“Neen, wacht even. Gij hebt den tijd van Richmond behouden, nietwaar?”

“Ja, Cyrus.”

“Bijgevolg is uw horloge geregeld naar den meridiaan van de stad, de meridiaan, die bijna dezelfde is als die van Washington.”

“Zeker.”

“Nu, houd het dan zoo. Wind het slechts trouw op, maar kom nooit aan de wijzers. Dit kan ons van dienst zijn.”

“Waartoe moet dat dienen!” dacht de zeeman.

Men besloot een anderen weg terug te gaan om het meer Grant eens van naderbij te beschouwen. Er was overeengekomen dat de kolonisten, zonder juist allen bij elkander te loopen, toch niet te ver uiteen zouden gaan. In de dikke bosschen van het eiland zouden zeker eenige wilde dieren verblijf houden en men moest dus voorzichtig zijn. Meestal gingen Pencroff, Harbert en Nab voorop, zonder echter bij Top te kunnen blijven, die overal rondsnuffelde. De ingenieur en de correspondent liepen samen; Gideon Spilett gereed om de minste bijzonderheid aan te teekenen, en Smith in gedachten verzonken; hij bukte zich slechts nu en dan om een steen of plant op te rapen, die hij, zonder er een woord over te zeggen in zijn zak stak.

Pencroff ging vooruit. Blz. 64.
Pencroff ging vooruit. Blz. 64.

Pencroff ging vooruit. Blz. 64.

“Wat drommel raapt hij daar toch op?” mompelde Pencroff. “Ik kijk al, maar zie niets, dat de moeite waard is om er voor te bukken!”

Tegen tien uur was de kleine troep aan den voet van den berg Franklin. Slechts hier en daar stond eenig laag hout en een paar boomen. Men liep over een vlakte van ongeveer een vierkante mijl, die aan den zoom van het bosch vooraf ging en waarvan de grond geel en kalkachtig was. Hier en daar lagen groote blokken basalt, die, volgens Bischof, drie honderd vijftig millioen jaren noodig hebben gehad om af te koelen. Er waren echter nergens sporen van lava te ontdekken; deze was meer langs de noordelijke helling afgevloeid.

Op eens snelde Harbert op Smith toe, terwijl Nab en de zeeman zich achter een rots verscholen.

“Wat is er mijn jongen?” vroeg Gideon Spilett.

“Rook,” antwoordde Harbert. “Wij hebben rook zien opstijgen achter de rotsen op ongeveer honderd passen van ons verwijderd.”

“Hier menschen?” riep de verslaggever uit.

“Laten wij ons niet laten zien, voordat wij weten met wie wij te doen hebben,” antwoordde Cyrus Smith. “Ik vrees de bewoners van dit eiland meer, dan dat ik naar hen verlang. Waar is Top?”

“Top is vooruit.”

“En hij blaft niet.”

“Neen.”

“Dat is zonderling. Laten wij niettemin trachten hem terug te roepen.”

In een oogwenk waren de ingenieur, Gideon Spilett en Harbert bij hun twee metgezellen en verscholen zich, evenals deze achter blokken basalt. Van daar zagen zij duidelijk een rookwolk in de lucht opstijgen, waarvan de geelachtige kleur hunne bijzondere aandacht trok.

Top was op een zacht fluitje van zijn meester teruggekomen en deze gaf een teeken aan zijn lotgenooten om hem te wachten terwijl hij zelf tusschen de rotsen vooruit sloop. De kolonisten wachtten met zekere angst den uitslag van deze verkenning af, toen zij allen op het geroep van Cyrus Smith toesnelden. Toen zij bij hem kwamen, waren zij verbaasd over de onaangename reuk, waarmede de lucht bezwangerd was.

“Dat vuur,” zei Cyrus Smith, “of liever, die rook, is alleen door de natuur ontstaan. Daar is een zwavelbron en niet anders.”

“Welzoo,” zeide Pencroff. “Hoe jammer dat ik niet verkouden ben.”

De kolonisten begaven zich vervolgens naar de plaats, waar de rook opsteeg. Daar zagen zij een bron van zwavelzure soda die vrij overvloedig tusschen de rotsen stroomde na de zuurstof uit de lucht te hebben opgeslorpt, en waarvan het water sterk naar zwavelwaterstof rook.

Toen Cyrus Smith zijn hand in dat water stak, bevond hij, dat het olieachtig was. Hij proefde het en bevond, dat het een flauw zoeten smaak had. De temperatuur er van schatte hij op vijf en negentig graden Fahrenheit. En toen Harbert hem vroeg op welken grond hij dit deed, antwoordde hij:

“Zeer eenvoudig, mijn jongen, omdat ik kou noch warmte gevoelde op het oogenblik, dat ik er mijn hand indompelde. Het is dus van dezelfde temperatuur als het menschelijk lichaam, dat ongeveer vijf en negentig graden heeft.”

Daar de zwavelbron op dat oogenblik van geen nut was, richtten de kolonisten zich naar den zoom van het bosch. Zooals men vermoed had, stroomde de beek met haar helder doorschijnend water tusschen steile oevers van rood zand, waarvan de kleur de aanwezigheid van ijzeroxyde verried. Naar aanleiding van deze kleur noemde men dit water de Roode Beek. Het water was zoet, hetgeen deed veronderstellen, dat het meer eveneens zoet zou zijn. Voor het geval dat men aan zijn oevers een betere woning dan de schoorsteenen mocht vinden, was deze omstandigheid van zeer veel belang.

De boomen behoorden grootendeels tot die soort, welke overvloedig gevonden wordt in de gematigde luchtstreek van Australië of van Tasmanië en waren niet dezelfde als men gevonden had op eenige mijlen van de bergvlakte. Het waren in het bijzonder de cassia boomen en een soort van myrteplant, waarvan eenige het volgende voorjaar een suikerachtig mannabrood moesten leveren, dat geheel overeenkwam met het oostersche manna. Kleine cederbosschen stonden hier en daar verspreid, maar de kokosboom, die zoo weelderig groeit op de eilanden der Stille Zee scheen geheel te ontbreken op dit eiland dat waarschijnlijk op te geringe breedte was gelegen.

“Hoe jammer!” zeide Harbert, “zulk een nuttige boom, waaraan zulke heerlijke vruchten groeien!”

Wat de vogels betreft, deze fladderden tusschen casuar- en myrteboomen, waarvan de takken ver uit elkander groeiden, en het uitspreiden van hunne vleugels niet verhinderde. Zwarte, witte en grijze kakketoes, papegaaien en parkietjes met bontgekleurde veeren vertoonden zich als door een prisma gezien en fladderden rond met een oorverdoovend gekrijsch.

Plotseling deed zich uit een boschje een onharmonisch concert hooren. De kolonisten vernamen achtereenvolgens het gezang van vogels, de kreten van wilde dieren en geluiden die zij aan een menschelijk wezen konden toeschrijven. Nab en Harbert waren op het boschje toegeschoten en verloren daarbij de meest noodzakelijke maatregelen van voorzichtigheid uit het oog. Gelukkig was er noch een verscheurend dier noch een gevaarlijke inboorling te vreezen, maar slechts een half dozijn van die spottende zangvogels die men weldra als “bergfazanten” herkende. Eenige behendig toegebrachte stokslagen maakten een einde aan die nabootsing van den mensch en verschaften heerlijk wild voor het avondeten.

Harbert wees nog op prachtige duiven met gebronsde vleugels, sommigen met schitterende kammen, anderen groenachtig evenals hunne stamverwanten van Port-Macquarie, maar men kon ze onmogelijk vangen, evenmin als de kraaien en eksters welke bij massa’s opstegen.

Het gebrek aan vuurwapens deed zich zeer levendig gevoelen, toen een troep viervoetige dieren door het kreupelhout heen wegvlood en daarbij zulke groote sprongen nam, van dertig voet en meer dat men zou gezegd hebben dat zij als eekhorens van boom op boom huppelden.

“Kangaroes!” riep Harbert uit.

“Kan men die eten?” vroeg Pencroff.

“Gestoofd,” antwoordde de verslaggever, “zijn zij even goed als het fijnste wildbraad!”

Spilett had nauwelijks dit aangenaam vooruitzicht geopend of Pencroff, Nab en Harbert waren de kangaroes achterna gesneld. Cyrus Smith riep hen te vergeefs terug. Maar het was ook te vergeefs, dat de jagers deze vlugge beesten nazetten, die als hazen liepen. Na vijf minuten waren ze buiten adem, en het wild verdween in het kreupelhout. Top was evenmin als zijn meester geslaagd.

“Mijnheer Cyrus,” zeide Pencroff, toen zij weder bij den ingenieur en den correspondent waren, “mijnheer Cyrus, ge ziet wel dat het noodzakelijk is, dat wij geweren maken. Zou dat niet mogelijk zijn?”

“Misschien,” antwoordde de ingenieur. “Maar we zullen eerst boog en pijlen maken, en ik twijfel niet of gij zult er even handig mee leeren omgaan als de Australische jagers.”

“Pijlen, bogen!” zeide Pencroff met minachting. “Dat is goed voor kinderen!”

“Geloof dat maar niet, vriend Pencroff,” antwoordde de correspondent. “Eeuwen lang zijn pijl en boog voldoende geweest om stroomen bloeds te vergieten. Het kruit is slechts van gisteren, en de oorlog is even oud als het menschelijk geslacht,—helaas!”

Harbert kwam intusschen weder op de kangaroes terug, daar de natuurlijke historie zijn geliefkoosde wetenschap was.

“Wij hadden daar dan ook te doen met het soort dat het moeilijkst te vangen is. Het reuzensoort met lang haar; maar als ik mij niet vergis, bestaan er zwarte en roode kangaroes, rots- en rattenkangaroes, die allen gemakkelijker te vangen zijn. Men heeft een twaalftal soorten....”

“Harbert,” antwoordde de zeeman ernstig, “er bestaat voor mij slechts een soort van kangaroe, de “kangaroe aan het spit gebraden”, en juist dien zullen wij van avond missen.”

Daar ontdekten zij eene rookkolom. Blz. 66.
Daar ontdekten zij eene rookkolom. Blz. 66.

Daar ontdekten zij eene rookkolom. Blz. 66.

Top, die scheen te begrijpen dat ook zijn belang op het spel stond, draaide en snuffelde overal, rondgeleid door zijn instinct, dat nog verhoogd werd door zijn grooten honger. Het was zelfs waarschijnlijk, dat wanneer hij hier of daar een stuk wild machtig mocht worden, er weinig voor de jagers zou overblijven, en dat Top voor eigen rekening jaagde; maar Nab ging hem nauwkeurig na en deed daar wel aan.

Tegen drie uur verdween de hond in het kreupelhout; een dof geknor bewees weldra, dat hij eenig wild op het spoor was.

Nab snelde er op los en zag Top bezig een viervoetig dier te verscheuren, dat tien minuten later geheel in zijn maag zou verdwenen zijn. Maar gelukkig had de hond een nest vol aangevallen; hij had een driedubbele vangst gehad en twee andere knaagdieren—de prooi van Top behoorde tot die soort—lagen doodgebeten op den grond.

Nab keerde zegepralend terug, in iedere hand een knaagdier houdende, grooter dan een haas. Hun gele huid was bezaaid met groenachtige vlekken en hun staart bestond slechts uit een begin van dat lichaamsdeel.

Een burger der Vereenigde Staten kon geen oogenblik aarzelen den waren naam aan deze knaagdieren te geven. Het waren “patagonische hazen,” een soort van konijn-varken, een weinig grooter dan men ze in de tropische streken vindt, de konijnen van Amerika, met lange ooren, in den bek aan weerskanten met vijf scherpe kiezen gewapend, hetgeen ze juist van het varken-konijn onderscheidt.

“Hoezee!” riep Pencroff. “Daar hebben wij het gebraad! Nu kunnen wij naar huis gaan!”

De tocht huiswaarts werd aanvaard en snel voortgezet tot aan het meer Grant. Daar proefde men het water en bevond dat het zoet was. Aan sommige kringen, welke zich nu en dan aan de oppervlakte vertoonden, kon men bespeuren, dat het zeer vischrijk moest wezen.

“Dat meer is werkelijk schoon!” zeide Gideon Spilett. “Men zou aan zijn oever willen leven!”

“En wij zullen er leven!” antwoordde Cyrus Smith.

De kolonisten namen den naasten weg naar huis; zij baanden zich niet zonder moeite een pad door het kreupelhout en richtten zich naar de kust. Bij de Schoorsteenen gekomen, legden Nab en Pencroff een goed vuur aan en zorgden verder voor het middagmaal.

Toen allen zich te goed hadden gedaan en zich ter ruste wilden begeven, haalde Cyrus Smith de kleine stalen van verschillende delfstoffen, welke hij onderweg opgeraapt had, uit zijn zak, en zeide slechts:

“Mijne vrienden, dit is ijzererts, dit is een vuursteen, hier is klei, kalk en steenkool. Dit alles schenkt ons de natuur, en dit is haar deel in den gezamenlijken arbeid!—Morgen is het onze beurt!”

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings