XXI.
Gerard Keller translation
Eenige graden onder nul.—Onderzoek van het moeras in het zuidoosten.—De Chilische honden.—Een gesprek over de zee.—Gezicht op de zee.—Het werk der infusiediertjes.—Wat er van de wereld zal worden.
Sedert dat oogenblik ging er geen dag voorbij of Pencroff bracht een bezoek aan zijn “korenveld.” En wee de insecten, welke zich in de nabijheid daarvan bevonden, want geen een bleef er gespaard.
Tegen het einde van de maand Juni, na onafgebroken regenbuien viel de winter in en den 29sten zou een thermometer van Fahrenheit, ongeveer twintig graden boven nul aangewezen hebben.
Den volgenden dag, 30 Juni, was het nog kouder. Het meer was bijna dichtgevroren. Voortdurend moesten zij hout op het vuur leggen. Gelukkig had Pencroff niet gewacht tot het water bevroren was om zijn houtvlotten naar hun bestemming te brengen. Ook hadden zij bij den berg Franklin steenkolen gevonden. De groote hitte die deze verspreidden, toen de temperatuur nog lager was, werd algemeen gewaardeerd, vooral toen den 4den Juli de thermometer tot acht graden Fahrenheit zonk. Een tweede schoorsteen hadden zij in de eetzaal aangebracht.
Eindelijk besloten zij den 5den Juli bij droog weer een gedeelte van het eiland te gaan onderzoeken. Reeds ten zes uur in den ochtend begaven Smith, Spilett en Pencroff, Harbert en Nab zich zoo warm mogelijk gekleed op weg. Gewapend met houweelen, strikken, bogen en pijlen, en voorzien van een goeden voorraad levensmiddelen, verlieten zij het Rotshuis, voorafgegaan door Top.
Zij sloegen den kortsten weg in, en die kortste weg was de rivier over te steken, op de ijsschotsen, welke er in dreven.
“Maar,” deed de reporter opmerken, “zij kunnen toch de plaats van een wezenlijke brug niet vervangen?”
Bij het werk dat zij nog te doen hadden, voegden zij nu nog een brug. Nog geen halve mijl hadden zij afgelegd, toen eensklaps uit een dicht begroeid bosch een aantal viervoetige dieren te voorschijn kwamen, die door Top’s geblaf op de vlucht werden gejaagd.
“Het zijn vossen, zou ik zeggen!” riep Harbert, toen hij de geheele bende vóor zich zag wegrennen.
Het waren inderdaad vossen, maar zeer groote en die zoo blaften, dat Top zelf er verbaasd over scheen te zijn, want hij stond stil en gaf zoodoende aan die vlugge dieren den tijd te ontsnappen.
De hond had alle recht om hierover verbaasd te wezen, daar hij de natuurlijke geschiedenis niet kende. Maar door hun geblaf hadden de vossen met hun grijs roodachtige huid en zwarten staart, die in een witte pluim eindigde, hun oorsprong bekend gemaakt. Harbert gaf hun dan ook terstond den naam van Chilische honden. Deze dieren hooren thuis in Chili, en in die streken van Amerika, welke tusschen dertig en veertig graden zuiderbreedte gelegen zijn. Het speet Harbert geducht dat Top niet een van die vleeschetende dieren machtig was geworden.
“Kan men ze eten?” vroeg Pencroff, die de vertegenwoordigers der dierenwereld altijd uit dit bijzondere oogpunt beschouwde.
“Neen,” antwoordde Harbert, “maar de dierkundigen zijn het nog niet eens of de oogappels dezer vossen voor den dag of voor den nacht geschikt zijn, en of men ze niet onder de soort honden moet rangschikken.”
Cyrus Smith kon een glimlach niet weerhouden, bij het hooren dezer opmerking van den knaap, die voor zijn denkenden geest getuigde. Wat de matroos betreft, daar deze dieren toch niet onder degenen behoorden, welke men eten kon, ging het hem verder weinig aan. Maar in elk geval was het toch raadzaam, dat zij eenige voorzorg tegen mogelijk bezoek van deze dieren namen, wanneer zij vogels mochten houden.
Toen zij nog eenigen tijd hun tocht voortgezet hadden, besloten zij een vuur aan te leggen en Nab zou dan een maal bereiden, bestaande uit koud vleesch en thee. Terwijl zij dit gebruikten sloegen zij de natuur rondom zich gade. Dit gedeelte van het eiland Lincoln was zeer onvruchtbaar, en verschilde met alle overige westelijke streken, wat den reporter tot de slotsom leidde, dat zoo het toeval hen op dit strand geworpen had, zij een zeer treurig denkbeeld van hun toekomstige woonplaats hadden moeten krijgen.
“Ik geloof zelfs dat wij het niet zouden kunnen bereikt hebben,” antwoordde de ingenieur, “want de zee is diep en zij biedt ons zelfs geen rots aan, waar wij een schuilplaats hadden kunnen vinden. Vóor het rotshuis zijn tenminste nog klippen, een eilandje, en dat verhoogt de kans om hier te blijven leven. Het is hier niets dan een woestenij!”
“Het is toch ook opmerkelijk,” hernam Gideon Spilett, “dat dit eiland, betrekkelijk klein, zulk een verschil van grondgestelheid aanbiedt. De voortbrengselen behooren thuis in zeer groote landen. Men zou geneigd zijn te gelooven, dat het westelijk gedeelte van het eiland Lincoln, zoo rijk en vruchtbaar, begrensd werd door het warme water van de golf van Mexico, en dat de noordelijke en zuidelijke kust bespoeld worden door een ijszee.”
“Gij hebt gelijk, beste Spilett,” antwoordde Cyrus Smith, “deze zelfde opmerking heb ik ook reeds bij mij zelfgemaakt. Dit eiland, zoowel in zijn vorm als voortbrengselen, is zeer zonderling. Men zou zeggen, dat het een verzameling was van al hetgeen een vasteland oplevert, en het zou mij zelfs niet verwonderen dat het vroeger vasteland was geweest.”

“Laat mij gelooven dat het varkens zijn.” Blz. 131.
“Hoe? vasteland te midden van den Stillen Oceaan!” riep Pencroff uit.
“Waarom niet?” antwoordde Cyrus Smith. “Waarom zou Australië, Nieuw-Ierland, alles wat de aardrijkskundigen Australië noemen, vereenigd met de archipels van den Stillen Oceaan, niet een zesde werelddeel hebben gevormd, van even groot belang als Europa, Azië, Afrika of Zuid- en Noord-Amerika? Ik kan het zelfs niet uit mijn hoofd zetten, dat alle eilanden, die in dezen Oceaan liggen, slechts toppen zijn van een vasteland dat geheel overstroomd is, maar dat in de voorwereld boven het water uitstak.”
“En het eiland Lincoln zou een gedeelte van dat vasteland uitgemaakt hebben?”
“Zeer waarschijnlijk,” hernam Cyrus Smith; “en hierdoor laat zich de verscheidenheid van voortbrengselen, welke men hier vindt, zeer gemakkelijk verklaren.”
“En evenzoo dat groot aantal dieren, welke zich hier bevinden,” voegde Harbert er bij.
“Dat is weder een nieuwe bewijsreden voor mijn stelling. Het is zeker, naar hetgeen wij gezien hebben, dat hier vele dieren zijn, en wat nog zonderlinger is, dat zij veel verscheidenheid aanbieden. Hiervoor moet ook een reden zijn, en naar mijn inzien, heeft het eiland Lincoln vroeger een gedeelte van het vasteland uitgemaakt en is het langzamerhand door den Stillen Oceaan verzwolgen.”
“Dus kan, op een mooien dag,” hernam Pencroff, die nog niet geheel overtuigd was, “het overige gedeelte van dit oude land op zijn beurt verdwijnen, en blijft er tusschen Amerika en Azië niets meer over?”
“Zeker,” antwoordde Cyrus Smith, “milliarden op milliarden, voor het bloote oog onzichtbare diertjes, werken thans tot de opbouwing.”
“En wat voor soort van metselaars zijn dat?” vroeg Pencroff.
“De infusiediertjes van het koraal,” hernam Cyrus Smith. “Zij hebben, door hun aanhoudend werken het eiland Clermont-Tonnerre gebouwd en nog andere koraal-eilanden, die in zoo groote hoeveelheid in den Stillen Oceaan gevonden worden. Een millioen van deze infusiediertjes wegen nog geen milligram, en toch met het zout der zee, met die vaste bestanddeelen, welke in het water voorhanden zijn, leveren deze diertjes een kalkachtige stof, en deze kalkachtige stoffen vormen onmetelijke onderzeesche grondslagen, die even vast en hard zijn als die welke van graniet zijn gevormd. Eertijds, in het eerste tijdperk der schepping, gebruikte de natuur het vuur, en heeft zij de landen door opwerping voortgebracht; maar nu laat zij haar plaats vervullen door de microscopische diertjes, omdat hare groote kracht in het binnengedeelte der aarde waarschijnlijk verminderd is,—een bewijs hiervan is, dat de vulkanen meer en meer uitdooven. En ik geloof dat, eeuwen op eeuwen, infusiediertjes op infusiediertjes dezen Stillen Oceaan misschien eenmaal in een vasteland kunnen doen herscheppen, dat dan door een nieuw geslacht bewoond en bebouwd zal worden.”
“Maar dat zal lang duren,” zeide Pencroff.
“De natuur heeft den tijd aan zich!” antwoordde de ingenieur.
“Maar waartoe zou dit nieuwe vasteland dienen?” vroeg Harbert. “Mij dunkt dat de tegenwoordige uitgestrektheid der bewoonbare landen voldoende is voor het menschdom. Maar de natuur doet niet wat zij niet moet doen.”
“Daar hebt ge gelijk in,” hernam de ingenieur, “maar luister op welke wijze men de noodzakelijkheid van nieuwe landen voor de toekomst kan verklaren, en vooral in deze warme landstreek waar de meeste koraalriffen zich bevinden. Tenminste mijn verklaring komt mij zeer natuurlijk voor.”
“Wij luisteren naar u, mijnheer Smith.”
“Ziehier mijn denkbeeld. De geleerden nemen algemeen aan, dat onze aarde eenmaal vergaan zal, of liever dat het dierlijk en plantaardig leven daarop niet meer mogelijk zal wezen, tengevolge van de kou waaraan zij zal zijn blootgesteld. Maar, waar zij het niet over eens zijn, is over de oorzaak van deze afkoeling. Sommigen meenen die te moeten toeschrijven aan de steeds afnemende kracht van de warmte der zon; anderen weder aan de uitdooving der vuren, die in onze aarde zijn, en die een grooteren invloed op haar uitoefenen dan men algemeen vermoedt. Ik voeg mij bij de laatsten, daar ik ook geloof dat de maan een afgekoeld hemellichaam is, dat dus niet bewoond kan worden, ofschoon de zon toch steeds haar zelfde hoeveelheid warmte op haar doet stralen. Zoo de maan afgekoeld is, moet men het daaraan toeschrijven dat het inwendige vuur, waaraan zij evenals alle andere hemellichamen haar bestaan te danken heeft, geheel is uitgedoofd. Maar, wat de oorzaak hiervan ook zijn moge, onze aarde zal eenmaal ook afgekoeld worden, maar die afkoeling zal zeer langzaam geschieden. Wat zal er dan gebeuren? De gematigde luchtstreken zullen vroeg of laat evenmin bewoonbaar zijn als de poolstreken. Alzoo zullen de menschen zoowel als de dieren meer en meer de keerkringen naderen, waar zij beter onder het bereik der zon zijn. Een ontzaglijke volksverhuizing zal dan plaats hebben. Europa, Midden-Azië, Noord-Amerika zullen verlaten worden, evenals Australië en Zuid-Amerika. De dieren zullen de menschen volgen. Zoowel het planten- als dierenrijk zal zich meer naar den evenaar verplaatsen.
“Het middengedeelte van Zuid-Amerika en Afrika zullen het meest bevolkt worden. De Laplanders en Samojeden zullen dezelfde luchtgesteldheid, welke zij aan de poolzeeën vonden, dan aan de Middellandsche Zee vinden. Wie zegt ons, dat in dit tijdperk de streken bij den evenaar niet te klein zullen wezen om het menschdom te huisvesten en te voeden? Waarom zou dus de natuur die alles voorziet, niet nu reeds, ten einde een wijkplaats aan de geheele planten- en dierenwereld te geven, onder den evenaar de grondslagen hebben gelegd van een nieuw vasteland en hiertoe de infusiediertjes hebben gekozen?”
“Menigmaal heb ik over al deze dingen nagedacht, en ik geloof inderdaad dat het aanzien van onze aarde eenmaal geheel veranderen zal, tengevolge van de oprijzing van nieuwe landen; de oude zullen door de zee verzwolgen worden en in de volgende eeuwen zullen Columbussen de eilanden van Ghimborasso, Himalaya en Mont-Blanc gaan ontdekken, die de overblijfselen zullen zijn van een verzwolgen Amerika, Azië of Europa. Eindelijk zullen natuurlijk die nieuwe eilanden op hun beurt onbewoonbaar worden; de warmte zal ook daar afnemen, evenals een lichaam dat sterft en het leven zal van de aarde verdwijnen, zoo niet voor altijd, dan toch voor het oogenblik. Misschien zal onze bol dan tot rust komen en zich weder door haar dood herstellen om eenmaal een hoogere plaats in te nemen. Maar dit alles, mijn vrienden, is het geheim van den Schepper aller dingen, en wat het werk dezer infusiediertjes betreft, wellicht heb ik te ver in de geheimen der toekomst willen doordringen.”
“Beste Cyrus,” antwoordde Gideon Spilett, “deze theorieën zijn voor mij profetieën, en eenmaal zullen zij verwezenlijkt worden.”
“Dat is het geheim van God,” antwoordde de ingenieur.
“Dat alles is goed en wel,” zeide Pencroff toen, die aandachtig geluisterd had, “maar kunt gij mij zeggen, of het eiland Lincoln door infusiediertjes is gemaakt?”
“Neen,” hernam Cyrus Smith, “het is geheel van vulkanischen oorsprong.”
“Dan zal het eenmaal verdwijnen?”
“Waarschijnlijk.”
“Ik hoop dan dat wij er niet meer zijn zullen.”
“Neen, stel u gerust, Pencroff, wij zullen er niet meer zijn, omdat wij niet den minsten lust hebben om te sterven en misschien zal het ons gelukken eraf te komen.”
“Maar laten wij ons hier toch inrichten alsof we tot in de eeuwigheid hier moeten blijven. Men moet niets ten halve doen.”
Hiermede eindigde dit gesprek. Het ontbijt was afgeloopen. Zij hervatten hun onderzoek en nu naderden zij dat gedeelte waar de moerassige streek een aanvang nam.
Het was een moeras, waarvan de uitgestrektheid tot aan de afronding van het eiland in het zuidoosten ongeveer twintig vierkante mijlen bedroeg.
Een menigte vogels fladderden boven deze stilstaande wateren. Maar bij gebrek aan geweer, waren zij genoodzaakt hen door pijlschoten te dooden.
Tegen vijf uur ’s avonds keerden Cyrus Smith en zijn vrienden naar hun woning terug over de brug, welke zij den vorigen ochtend gemaakt hadden.

Alles was wit. Blz. 132.
Om acht uur ’s avonds zaten zij weder bij elkaar in het Rotshuis.