XXIII.
Gerard Keller translation
Over een hagelkorrel.—De samenstelling van een boot.—De jacht.—Niets dat de tegenwoordigheid van een mensch verraadt.—Eene vischvangst van Nab en Harbert.—De omgekeerde schildpad.—De verdwenen schildpad.—Uitlegging van Cyrus Smith.
Zeven maanden was het geleden dat de luchtvaarders op het eiland Lincoln waren geworpen. Sedert dien tijd hadden zij, welke onderzoekingen zij ook gedaan hadden, geen spoor van eenig menschelijk wezen ontdekt. Geen rook had de tegenwoordigheid van een mensch op het eiland verraden. Geen handen-arbeid was er te vinden die zijn spoor kon aanwijzen, noch in een vroeger noch in het tegenwoordige tijdperk. Niet alleen scheen het onbewoond, maar men moest zelfs gelooven, dat het nooit door eenig mensch bezocht was geweest. En thans was het geheele gebouw hunner overtuiging in een gestort door een enkel hageltje, dat zij in het lichaam van een konijnvarken hadden gevonden! Natuurlijk moest dit stuk lood uit een vuurwapen gekomen zijn en slechts een menschelijk wezen kon dit voorwerp hebben gebruikt!
Toen Pencroff het kogeltje op tafel legde, zagen zijne vrienden hem met de innigste verbazing aan. Alle gevolgtrekkingen uit deze gebeurtenis waren van groot gewicht, niettegenstaande haar schijnbare onbeduidendheid. Toch was hun geest er geheel mede vervuld. De plotselinge verschijning van een bovennatuurlijk wezen zou hun niet meer hebben kunnen verwonderen.
Cyrus Smith had niet geaarzeld terstond de onderstelling van dit zoowel wonderlijke als onverwachte feit te formuleeren. Hij nam het stukje lood in zijn hand, keerde het om en weder om, betastte het tusschen duim en voorvinger, en zeide toen:
“Gij zijt overtuigd, Pencroff, dat het diertje door dezen kogel getroffen niet ouder dan drie maanden was?”
“Nauwelijks, mijnheer Smith,” antwoordde Pencroff. “Het zoog nog bij zijn moeder toen ik het vond.”
“Welnu,” zeide de ingenieur, “wij hebben dus het bewijs dat hoogstens drie maanden geleden een geweerschot op het eiland Lincoln is gelost.”
“En dat het hageltje,” voegde Gideon Spilett er bij, “het konijn wel getroffen, maar niet gedood heeft.”
“Dat is onbetwistbaar,” hernam Cyrus Smith, “en ziehier welke gevolgen men uit dit voorval kan afleiden: òf het eiland was voor onze komst reeds bewoond, òf drie maanden geleden hebben menschen hier voet aan wal gezet. Zijn zij hier met hun eigen wil gekomen of bij toeval gestrand of hebben zij schipbreuk geleden? Deze vragen kunnen wij eerst later ophelderen. Wat zijn het voor menschen? Europeanen of Maleiers, vrienden of vijanden van ons? Niets kunnen wij raden, ook niet of zij het eiland nog bewonen, dan wel verlaten hebben; dit weten wij evenmin. Maar deze vragen zijn te belangrijk, dan dat wij langer in de onzekerheid zouden blijven.”
“Neen! honderdmaal neen! duizendmaal neen!” riep de matroos uit, terwijl hij van tafel opstond. “Er zijn geen andere menschen dan wij op het eiland Lincoln! Wat duivel! Het eiland is niet groot, en zoo het bewoond was, hadden wij reeds een zijner bewoners gezien!”
“Het tegendeel zou inderdaad zeer zonderling wezen,” zeide Harbert.
“Maar nog meer zou het mij verbazen,” merkte de reporter aan, “zoo het konijn met dit kogeltje geboren was!”
“Zoo Pencroff,” zeide Nab op ernstigen toon, “zich tenminste niet....”
“Ziet gij dit, Nab?” antwoordde Pencroff hierop. “Ik zou dus reeds vijf of zes maanden dit kogeltje tusschen mijn kaken hebben. Maar waar zou het dan verborgen zijn geweest?” voegde de matroos er nog bij, terwijl hij zijn mond opende, zoodat zijn twee en dertig witte tanden te zien kwamen. “Zie goed, Nab, en zoo je één holle kies vindt, dan geef ik je verlof er een half dozijn uit te halen!”
“Wat Nab daar zegt, kunnen wij niet aannemen,” antwoordde Cyrus Smith, die ondanks zijn ernstige gedachten een glimlach niet kon weerhouden. “Het is vrij zeker dat er hoogstens drie maanden geleden een geweerschot op het eiland gelost is. Maar ik ben geneigd te veronderstellen dat zij, die op deze kust gestrand zijn, eerst sedert kort zich op het eiland bevinden of het slechts overgestoken zijn, want, indien het eiland bewoond was geweest in den tijd toen wij den berg Franklin onderzochten, zouden wij de bewoners of zij ons gezien hebben. Het is dus waarschijnlijk dat eerst sedert eenige weken schipbreukelingen door den storm op de kust zijn geworpen. Hoe het ook zij, het is voor ons van groot gewicht dit te weten te komen.
“Toch geloof ik, dat wij voorzichtig te werk moeten gaan,” zeide de correspondent.
“Dat vind ik ook,” zeide Cyrus Smith, “want het is, helaas! te vreezen dat het zeeroovers zijn, die op het eiland voet aan wal hebben gezet!”
“Mijnheer Cyrus,” vroeg de matroos, “zou het niet raadzamer wezen, voor wij een onderzoek instelden, een boot te maken, die ons in staat stelt, hetzij de rivier op te gaan of de kust om te zeilen? Wij moeten zorgen, dat we niet overvallen worden.”
“Dat is een goed denkbeeld, Pencroff,” antwoordde de ingenieur, “maar wij kunnen het niet uitstellen, want, één maand zullen wij tot het maken dezer boot wel noodig hebben....”
“Een wezenlijke boot ja,” antwoordde de zeeman, “maar wij hebben er geen noodig die tegen de zee bestand is, en binnen vijf dagen maak ik een prauw gereed, waarmede wij de rivier kunnen bevaren?”
“Binnen vijf dagen,” riep Nab uit, “een boot maken?”
“Ja, Nab, een Indiaansche boot.”
“Van hout?” vroeg de neger, op een toon, waaruit duidelijk zijn ongeloof sprak.
“Van hout of liever van boomschors. Ik herhaal het, mijnheer Cyrus, dat in vijf dagen de geheele zaak volbracht is.”
“Goed, binnen vijf dagen dus!” antwoordde de ingenieur.
“Maar van nu af aan moeten wij zeer voorzichtig wezen,” merkte Harbert op.
“Zeer zeker, beste vrienden,” antwoordde Cyrus Smith, “en ik verzoek u dringend uw jachttochten niet ver van het Rotshuis uit te strekken.”
Het maal eindigde minder vroolijk dan Pencroff wel gehoopt had.
Het eiland was dus bewoond of bewoond geweest door anderen dan de luchtvaarders. Dit was sedert het vinden van het stukje lood onbetwistbaar geworden, en zulk een ontdekking kon niet anders dan vrees opwekken.
Cyrus Smith en Gideon Spilett hadden, vóór zij zich ter ruste begaven, nog een lang gesprek. Zij vroegen zich zelf af, of deze gebeurtenis niet in eenig verband stond met de onverklaarbare redding van den ingenieur en andere bijzonderheden, die hun menigmaal hadden verbaasd. Maar nadat Cyrus Smith het voor en tegen van de zaak overwogen had, eindigde hij met de woorden:
“Zoudt gij nu uw meening eens willen zeggen, Spilett.”
“Ja, Cyrus. Zij is deze: hoe nauwkeurig wij het eiland ook onderzoeken, wij zullen niets vinden!”
Terwijl Pencroff en Nab voor het maken der boot zorgden, gingen Harbert en Spilett elken dag op de jacht en natuurlijk liep het gesprek gewoonlijk over het hageltje. Eens zeide Harbert, het was den 26sten October:
“Mijnheer Spilett, vindt gij het toch niet zonderling, zoo er eenige schipbreukelingen op het eiland waren geworpen, dat zij zich nog niet in de nabijheid van het Rotshuis vertoond hebben?”
“Zeker verwondert mij dit, zoo zij er nog zijn,” antwoordde de reporter, “maar het verwondert mij niet, zoo zij er niet meer zijn!”
“Dus gij denkt dat zij het eiland reeds verlaten hebben?” vroeg Harbert.
“Dat is meer dan waarschijnlijk, beste jongen; want zoo zij hier langer waren gebleven en vooral zoo zij hier nog waren, zou toch het een of ander hun tegenwoordigheid hier verraden hebben.”
“Maar zoo zij in de gelegenheid geweest waren weer te vertrekken, zouden het geen schipbreukelingen zijn?”
“Neen, Harbert, of ik zou ze dan tijdelijke schipbreukelingen noemen. Het is inderdaad zeer wel mogelijk, dat een windvlaag hen op het eiland geworpen heeft, zonder dat zij hun schip daarbij verloren, en dat, toen de storm voorbij was, zij weder zijn weggezeild.”
“Maar dat is toch zeker, dat mijnheer Smith de tegenwoordigheid van menschen op ons eiland meer vreesde dan wenschte!”
“Dat is zoo,” antwoordde de reporter, “hij denkt slechts aan zeeroovers die deze zeeën doorkruisen, en het is beter met die heeren niet in aanraking te komen.”
“Het is toch niet onmogelijk, mijnheer Spilett,” hernam Harbert “dat wij eens de sporen van hun ontscheping vinden, en misschien zijn wij tot dit doel bestemd.”
“Ik zeg geen neen. Een verlaten plaats, een uitgedoofd vuur kunnen ons op het spoor brengen, en dat zullen wij voortaan op onze ontdekkingstochten zoeken.”
Eens dat Gideon en Harbert weer op jacht waren in een naburig bosch, waar zeer hooge spitstoeloopende boomen groeiden, die de inboorlingen van Nieuw-Zeeland den naam van “Kauris” geven, zeide Harbert:
“Nu heb ik iets goeds bedacht, mijnheer Spilett, zoo ik eens in den top van een dier kaurissen klom, dan zou ik het land vrij ver kunnen overzien?”
“Het is een goed denkbeeld,” zeide de correspondent, “Maar zoudt gij den top van die reuzenboomen kunnen bereiken?”
“Ik kan het in elk geval beproeven,” gaf Harbert ten antwoord.
De vlugge en behendige knaap was in een oogwenk op de eerste takken, en spoedig was hij in den top.
Van dat verheven punt kon hij zijn blik laten gaan van den zuidelijken uithoek van het eiland, tot aan kaap Klauw, het zuidwesten van het voorgebergte Hagedis, tot in het zuidoosten. In het noordwesten zag hij den berg Franklin, die een groot gedeelte van den horizon onzichtbaar maakte.
Maar Harbert kon van uit zijn uitkijk, de geheele streek overzien, die hem nog onbekend was, en aan de vreemdelingen, wier tegenwoordigheid men duchtte, een schuilplaats had kunnen geven of wellicht nog gaf.
De knaap sloeg alles nauwkeurig gade. Op zee echter was niets te bespeuren. Geen zeil, noch aan den horizon, noch op de kusten van het eiland. Toch was het mogelijk, dat achter die hooge boomen een schip lag, zonder mast, en dat Harbert niet zien kon.
Eenige oogenblikken meende Harbert in het oosten een dunne rookwolk te zien opstijgen, maar bij nader onderzoek bleek het, dat hij zich bedroog. Hij nam alles om zich heen met de uiterste zorg waar en zijn gezicht was zeer scherp.... Neen, zeer zeker was er niets.
Harbert daalde nu weder uit den boom af en de twee jagers keerden naar het Rotshuis terug. Cyrus Smith hoorde hem bedaard aan, schudde het hoofd en zeide niets. Hij kon zich over dit punt niet uitlaten vóor hij het geheele eiland onderzocht had.
Op den morgen van den 28sten October had er een voorval plaats waarvan zij nog vuriger oplossing verlangden.
Toen zij weder langs de kust dwaalden, op ongeveer twee mijlen afstands van het Rotshuis, waren Harbert en Nab zoo gelukkig, een zeeschildpad te vinden.
Harbert zag dit dier het eerst zich tusschen de rotsen bewegen om zoodoende de zee te bereiken.
“Zie eens, Nab, zie eens!” riep hij uit. Nab snelde er heen.
“Welk een prachtig dier!” zeide Nab, “hoe zullen wij dat machtig worden?”
“Wel, niets is gemakkelijker, Nab,” antwoordde Harbert. “Wij zullen de schildpad op haar rug leggen en zoodoende kan zij ons niet meer ontsnappen. Neem uw stok en doe zooals ik.”
Het dier scheen te beseffen dat het in gevaar verkeerde, en kroop in zijn schild. Men zag nu noch zijn kop, noch zijn pooten en het lag zoo onbeweeglijk als een rots.
Harbert en Nab brachten toen hun stokken onder het lichaam van het dier en met vereende krachten gelukte het hun, niet zonder moeite, het op den rug te leggen. Deze schildpad, welke drie voet lang was, moest minstens vier honderd pond wegen.
“Heerlijk,” riep Nab uit, “dat zal onzen vriend Pencroff verheugen.”
Pencroff was er dan ook zeer mede in zijn schik, want het vet der schildpadden, die zich met zeeplanten voeden, is zeer smakelijk. Op dat oogenblik liet zij haar platten kop even te voorschijn komen.
“En wat zullen wij nu met onze vangst doen?” vroeg Nab. “Wij kunnen haar niet naar het Rotshuis dragen.”
“Wij kunnen haar hier laten, daar zij zich toch niet kan omkeeren, en wij zullen haar met ons wagentje halen!”
“Dat is uitstekend!”
Toch nam Harbert nog de voorzorg, hoewel Nab het zeer overbodig vond, het dier groote steenen onder het schild te leggen. Daarop keerden zij naar het Rotshuis terug, langs het strand, dat toen tengevolge van de eb, zeer breed was. Harbert, die Pencroff een verrassing wilde bezorgen, zeide niets van hetgeen hij gevonden had; maar twee uur later waren zij met hun wagentje weder op het punt, waar zij de schildpad hadden omgekeerd op het zand, maar zij was verdwenen.
Nab en Harbert zagen elkander verbaasd aan, en zochten toen op het strand. Het was op deze plaats toch, dat zij de schildpad achtergelaten hadden. De knaap vond zelfs de steenen terug en hieruit kon hij dus opmaken, dat hij zich niet had vergist.
“Zoo, zoo,” zeide Nab, “deze diertjes kunnen zich dus omkeeren?”
“Het schijnt zoo,” antwoordde Harbert, maar hij begreep er niets van, en zag slechts naar de steenen die op het zand verspreid lagen.
“Pencroff zal nu ook niet in zijn schik zijn!”
“En mijnheer Smith zal weder verlegen zitten om deze plotselinge verdwijning te verklaren!” dacht Harbert.
“Nu,” zeide Nab, die zijn teleurstelling wilde verbergen, “laten wij er niet over spreken.”

“Dat zal Pencroff verheugen.” Blz. 144.
“Integendeel Nab, wij moeten het juist vertellen,” hernam Harbert.
En zij keerden nu met het wagentje, dat van geen nut was geweest, naar het Rotshuis terug.
Toen zij aan de timmerwerf kwamen waar de ingenieur en de matroos werkten, vertelde Harbert hun het voorgevallene.
“O, hoe onhandig zijt gij geweest!” riep de matroos uit. “Gij zijt minstens vijftig porties schildpadsoep kwijt!”
“Maar Pencroff,” hernam Nab, “het is onze schuld niet, dat het dier ontsnapt is, want wij hebben het omgekeerd.”
“Dan hebt gij het niet ver genoeg omgekeerd!” bracht hier de onhandelbare zeeman tegen in.
“Niet genoeg!” riep Harbert uit. En hij vertelde dat hij juist uit voorzorg het dier nog tusschen twee steenen had gelegd.
“Dan is er een wonder gebeurd!” hernam Pencroff.
“Ik dacht, mijnheer Cyrus,” zeide Harbert, “dat wanneer een schildpad eenmaal op haar rug ligt zij niet weer op haar pooten kon komen, vooral wanneer zij zoo groot is?”
“Dat is ook waar, beste jongen,” antwoordde Cyrus Smith.
“Hoe heeft zij het dan kunnen doen?”
“Hoever was de schildpad van de zee verwijderd?” vroeg de ingenieur, die zijn werk had gestaakt en over het voorval nadacht.
“Op vijftien voet afstands, hoogstens,” antwoordde Harbert.
“En was het laag water op het oogenblik?”
“Ja, mijnheer Smith.”
“Welnu,” antwoordde de ingenieur, “wat de schildpad niet op het strand kan doen, kan zij misschien in het water. Zij zal zich omgekeerd hebben, toen het weer vloed was, en zoodoende in zee zijn gekomen.”
“O, wat zijn wij dom geweest!” riep Nab uit.
“Juist wat ik u daareven reeds gezegd heb,” viel Pencroff in.
Cyrus Smith had deze verklaring, die zeer aannemelijk was, aan het gebeurde gegeven. Maar was hij zelf wel van de juistheid overtuigd? Men zou het moeten betwijfelen.