VIII.
Gerard Keller translation
Leeft Cyrus Smith?—Nab’s verhaal.—Voetstappen in het zand.—Onoplosbare vraag.—De eerste woorden van Cyrus Smith.—Terugkeer naar de schoorsteenen.—Pencroff radeloos.
Nab verroerde zich niet. De matroos zeide slechts:
“Leeft hij?”
Nab antwoordde niet, Gideon Spilett en Pencroff werden doodsbleek. Harbert vouwde de handen krampachtig samen, maar bleef onbeweeglijk staan. Het waarschijnlijkste was, dat de arme neger, te zeer overstelpt door zijn eigen smart, noch zijn vrienden gezien, noch hun woorden gehoord had.
De reporter knielde naast dat wezenlooze lichaam neder, waarvan hij de kleederen losmaakte. Een minuut—een eeuw!.... verliep, terwijl Spilett aandachtig naar eenig kloppen van het hart luisterde. Nab had zich een weinig opgericht en staarde hen aan zonder te zien. Nog nooit had de wanhoop een menschelijk gelaat zoo kunnen veranderen. Nab was onkenbaar, uitgeput van vermoeienis en gebroken door zijn smart. Hij meende dat zijn meester dood was.
Gideon Spilett stond op na hem lang met aandacht gadegeslagen te hebben.
“Hij leeft!” zeide hij.
Pencroff knielde thans op zijn beurt naast Cyrus Smith neder; ook hij hoorde het kloppen van het hart en zijn lippen voelden den adem van den ingenieur.
Harbert snelde naar buiten, om op verzoek van den correspondent water te halen. Een honderd passen ver vond hij een helder stroomend beekje. Maar hij had niets om dit water in te scheppen. De knaap moest zich dus tevreden stellen met zijn zakdoek daarin te doopen en spoedig snelde hij naar de grot terug.
Gelukkig was deze natte zakdoek voor Gideon Spilett voldoende, daar hij slechts de lippen van den ingenieur wilde bevochtigen. Deze weinige droppelen water hadden een plotselinge uitwerking. Een zucht ontsnapte aan de borst van Cyrus Smith en het scheen zelfs dat hij wilde beproeven eenige woorden te spreken.
“Wij zullen hem behouden!” riep de reporter.
Nab kreeg bij deze woorden weer eenige hoop. Hij ontkleedde zijn meester om te zien of hij ook ergens gewond was. Maar noch het hoofd, noch de borst, noch de armen, noch de beenen hadden eenig letsel bekomen, zelfs geen enkele schram, iets wat hem zeer verwonderde, daar het lichaam van Cyrus Smith toch tegen de rotsen moest zijn geworpen. Zelfs de handen waren onbezeerd; het was hem onverklaarbaar dat er bij den ingenieur volstrekt geen sporen te bekennen waren van de pogingen die hij had moeten doen om over de klippen te komen.
Maar later zou zich deze onbegrijpelijke omstandigheid wel verklaren.
Toen Cyrus Smith weder spreken kon, verhaalde hij hun het gebeurde. Voor het oogenblik kwam het er slechts op aan, niets onbeproefd te laten, om hem in het leven terug te roepen, en het was niet onwaarschijnlijk dat men dit doel door wrijven zou bereiken. Zij hadden het aan den duffel van den matroos te danken. De ingenieur werd door de aanraking met deze ruwe stof een weinig verwarmd en gevoelde zich daardoor in staat om zijn arm even op te lichten en zijn ademhaling werd regelmatiger. Hij leed aan uitputting en ongetwijfeld zou het, zonder de komst van Spilett en zijn vrienden, met Cyrus Smith gedaan zijn geweest.
“Gij dacht dus dat uw meester dood was?” vroeg de matroos aan Nab.
“Ja! dood!” antwoordde Nab, “en zoo Top u niet gevonden had en gij niet gekomen waart, zou ik mijn meester begraven hebben en zou ik aan zijn zijde zijn gestorven!”
Men ziet dus waarvan het leven van Cyrus Smith had afgehangen.
Nab verhaalde toen hetgeen voorgevallen was. Den vorigen dag, nadat hij de schoorsteenen verlaten had, had hij de noordwestelijke richting van de kust gevolgd en was dus in dat gedeelte gekomen, wat zij reeds doorzocht hadden.
Nab was vastbesloten toch nog eenige mijlen de kust te houden. Misschien was het lijk door het opkomen van de zee verder opgespoeld. Wanneer een lijk op eenigen afstand van de kust drijft, gebeurt het zeer zelden dat de golven het niet vroeg of laat op het strand werpen. Nab wist dit en hij wilde zijn meester toch nog voor het laatst zien.
“Twee mijlen volgde ik nog de kust,” zeide hij, “en waar of ik ook zocht, nergens vond ik eenig spoor en begon nu te wanhopen, iets van hem te ontdekken toen ik gisteren, omstreeks vijf uur ’s avonds, eenige indrukken van voetstappen bespeurde.”
“Voetstappen?” riep Pencroff uit.
“Ja!” antwoordde Nab.
“En die voetstappen begonnen reeds op de klippen?” vroeg de correspondent verder.
“Neen,” antwoordde Nab, “op het strand eerst, want tusschen het strand en de klippen moeten de voetstappen zijn uitgewischt.”
“Ga voort, Nab,” zeide Gideon Spilett.
“Toen ik deze voetstappen zag werd ik waanzinnig. Zij waren goed zichtbaar en blijkbaar voerden zij naar de duinen. Ik volgde ze een halve mijl, maar zorgde wel ze niet uit te wisschen. Vijf minuten later, toen de avond begon te vallen, hoorde ik het blaffen van een hond. Het was Top en Top bracht mij hierheen, bij zijn meester.”
Nab’s eerste gedachten waren toen aan zijn makkers geweest. Deze zouden hem waarschijnlijk ook nog wel eens voor het laatst willen zien! Top was daar. Kon hij niet vertrouwen op het verstand van dit edelmoedige dier? Nab sprak toen verscheidene malen den naam van Spilett uit, daar hij een van de vrienden van den ingenieur was, dien Top het best kende; daarop wees hij hem het zuidelijke gedeelte der kust en de hond verwijderde zich in de aangewezen richting.
Men weet, hoe de hond door een bijna bovennatuurlijk instinct geleid aan de schoorsteenen was gekomen.
Allen hadden naar dit verhaal aandachtig geluisterd. Er lag iets onbegrijpelijks in, dat Cyrus Smith, na alle pogingen die hij moest aangewend hebben om aan de golven te ontsnappen en over de klippen heen te klimmen, zelfs geen enkele schram bekomen had. En wat hun niet minder onverklaarbaar toescheen, was dat de ingenieur op een mijl afstand van de kust deze grot in het midden der duinen gevonden had.

Het was de ingenieur. Blz. 38.
Slechts Cyrus Smith zelf kon hun deze vragen ophelderen. Men moest dus geduld hebben tot dat hij weer tot zich zelf was gekomen. Gelukkig ontwaakte het leven meer en meer in hem. Nab, die naast hem zat sprak nu en dan zijn naam uit, maar zijn oogen bleven altijd gesloten. Eindelijk kwamen zij overeen daar Pencroff geen vuur bij zich had, Smith zoo spoedig mogelijk naar de schoorsteenen over te brengen.
Toch kwam de ingenieur sneller bij kennis dan men had durven hopen. Pencroff kwam op het denkbeeld om bij het water, waarmede hij zijn lippen bevochtigde, een weinig vet van de vogels te doen, die hij meegebracht had. Harbert keerde eindelijk met twee groote schelpen terug. De matroos maakte een drank klaar, dien hij langzaam tusschen de lippen van den ingenieur liet vloeien, wien het blijkbaar goed deed.
Daarop opende hij de oogen. Nab en de correspondent waren over hem heen gebogen.
“Meester! Meester!” riep Nab uit.
De ingenieur hoorde hem. Hij herkende Nab en Spilett, daarna zijn beide andere metgezellen, Harbert en Pencroff; zacht raakte hij hen met de hand aan.
Toen kwamen eenige woorden over zijn lippen—woorden, die hij zeker reeds meer gezegd had en die duidelijk te kennen gaven welke gedachten in hem omgingen. Deze woorden waren slechts:
“Eiland of vasteland?”
“Och!” riep Pencroff uit, en hij kon dezen uitroep niet weerhouden, “goede hemel, wat zal er dat toe doen, als gij maar leeft, mijnheer Cyrus! Eiland of vasteland. Dat zullen wij later wel zien.”
De ingenieur knikte toestemmend en scheen weder in te slapen.
Daarop gingen Pencroff en zijn beide vrienden naar de duinen, waar zij met geen ander werktuig dan hun handen een dun boompje uit den grond haalden. Van de takken maakten zij een bed waarover zij droge bladeren en kruiden spreidden, zoodat de ingenieur daarop gelegd kon worden.
Dit was het werk van een half uur en het was tien uur toen Nab en Harbert bij den ingenieur terugkeerden, terwijl Gideon Spilett hem niet verlaten had.
Cyrus Smith ontwaakte juist. Er kwam weder kleur op zijn wangen, die tot nog toe doodsbleek waren geweest. Hij richtte zich een weinig op, wierp een blik om zich heen en scheen te vragen waar hij zich thans bevond.
Eindelijk vroeg Cyrus Smith op zwakken toon of zij hem niet op het strand gevonden hadden?
“Neen,” zeide Spilett.
“Zijt gij het dan niet, die mij in deze grot gelegd hebt?”
“Neen.”
“Hoever is de grot van de klippen verwijderd?”
“Ongeveer een halve mijl,” antwoordde Pencroff, “en zoo gij verwonderd zijt, mijnheer Smith, wij zijn niet minder verbaasd u hier te vinden.”
“Inderdaad,” hernam de ingenieur die langzamerhand meer belang in alles begon te stellen, “inderdaad, dat is zeer zonderling!”
“Maar,” zeide de matroos, “kunt gij ons zeggen, wat er met u voorgevallen is, sedert gij door dien golfslag medegevoerd werd?”
Cyrus Smith bedacht zich een oogenblik. Hij wist er weinig van. De golfslag had hem uit het net gerukt. Hij was eerst in de diepte verdwenen. Toen hij op de oppervlakte der zee terugkwam, voelde hij in deze halve duisternis een levend wezen naast zich. Het was Top, die hem ter hulp was gesneld. Hij bevond zich te midden der onstuimige golven, op geen grooteren afstand dan een halve mijl van de kust verwijderd. Hij beproefde tegen de golven te worstelen, door te zwemmen. Top hield hem aan zijn kleederen vast. Toen hij plotseling door den storm werd medegevoerd en nadat hij een half uur lang zich er met kracht tegen verzet had, moest hij zich laten drijven en sleepte hij Top in den afgrond mede. Van dat oogenblik af totdat hij zich in de armen zijner vrienden bevond, herinnerde hij zich niets meer.
“Toch moet gij kracht genoeg gehad hebben,” zeide Pencroff, “om, toen gij op het strand geworpen waart, van daar naar deze grot te loopen, want Nab heeft hier uw voetstappen ontdekt.”
“Ja.... dat moet wel....” antwoordde de ingenieur peinzend. “En gij hebt volstrekt geen spoor van eenig menschelijk wezen gevonden?”
“Geen enkel,” antwoordde Spilett. “En bovendien, zoo gij toevallig door iemand gered waart, welke redenen zou die persoon hebben u te verlaten nadat hij u aan de golven had ontrukt.”
“Ge hebt gelijk, beste Spilett.—Zeg Nab,” ging hij voort, terwijl hij zich tot zijn bediende wendde, “gij waart het niet.... ge zult toch niet gedachteloos iets gedaan hebben.... terwijl ge.... Neen, dat is al te ongerijmd.... Zijn er nog van die voetstappen te zien?” vroeg Cyrus Smith.
“Ja, meester,” antwoordde Nab, “hier bij den ingang zijn er nog eenige. De overige zijn door den storm en den regen uitgewischt.”
“Pencroff,” hernam Cyrus Smith, “wilt gij mijn schoenen medenemen en zien of zij dezelfde indrukken maken?” De matroos deed wat hem gevraagd werd. Harbert en hij gingen, geleid door Nab, naar de plaats waar de indrukken te vinden waren, terwijl Cyrus Smith tot den reporter zeide:
“Er hebben onverklaarbare dingen plaats gehad!”
“Onverklaarbare!” beaamde Spilett.
“Maar laten wij er niet langer over denken, later spreken wij er nader over.” Een oogenblik daarop kwamen de matroos, Nab en Harbert weder terug.
Er viel thans niet meer te twijfelen. De schoenen van den ingenieur pasten juist in de voetsporen. Het was dus Cyrus Smith, die ze in het zand gedrukt had.
“Ik was het dus die deze zinsverbijstering onderging, terwijl ik dacht dat het Nab geweest was. Ik moet in mijn slaap gewandeld hebben, zonder te weten waarheen ik mijn schreden richtte; en het was dus Top, die door zijn instinct geleid, mij hierheen bracht, na mij gered te hebben.... Kom eens hier Top! mijn beste trouwe hond!”
De prachtige hond sprong blaffend tegen zijn meester op en werd overladen met liefkoozingen.
Tegen den middag gevoelde Cyrus Smith zich in staat, gesteund door den arm van Spilett, naar de schoorsteenen te gaan.
Men bracht nu de draagbaar. Cyrus Smith strekte zich op het mos en de droge bladeren uit, terwijl Pencroff en Nab de baar tusschen zich namen. Acht mijlen moesten zij afleggen; en daar zij niet snel zouden kunnen loopen en zeker nog wel eens dikwijls stil zouden moeten staan, kon men rekenen dat er zes uur zouden voorbijgaan eer de schoorsteenen bereikt waren.
Tegen vijf uur waren zij hun doel nabij en bevonden zij zich vóór hun woning. Allen stonden stil en zetten de draagbaar op het zand neer. Cyrus Smith lag in een diepen slaap en ontwaakte niet.
De grond voor de schoorsteenen was geheel door den opgekomen vloed doorweekt. Pencroff snelde naar binnen, want plotseling had zich een gedachte van hem meester gemaakt.
Oogenblikkelijk daarop keerde hij terug en staarde roerloos zijn vrienden aan....
Het vuur was uitgedoofd. De tondel die de plaats van zwam kon innemen was verdwenen. De zee was zeer ver in de schoorsteenen doorgedrongen en had alles verwoest wat daar aanwezig was.