← Table of contents
Het Geheimzinnige Eiland

XXIV.

Gerard Keller translation

De boot wordt beproefd.—Een wrak op de kust.—Inhoud van de kist.—Wat Pencroff ontbrak.

Den 20sten October was de boot van boomschors geheel gereed. Pencroff had zijn belofte gehouden en een soort van prauw, met een romp die uit zeer buigzaam hout van den crejimbaboom bestond, binnen vijf dagen vervaardigd.

“Prachtig! nietwaar?” riep de matroos uit, die niet aarzelde om op deze wijze zijn eigen werk te begroeten. “Hiermede kunnen wij de reis....”

“Om de wereld maken?” vroeg Gideon Spilett.

“Neen, om het eiland. Met eenige steenen tot ballast; een mast en een zeil zal mijnheer Smith ons wel maken, en dan kunnen wij een heel eind komen! Welnu! mijnheer Cyrus, en gij mijnheer Spilett, en gij, Harbert en Nab, komt gij onze nieuwe boot niet eens beproeven? Wat drommel! wij moeten toch eerst zien, of zij ons alle vijf wel houden kan!”

Zij moesten dan ook de proef er van nemen. Pencroff haalde met zijn roeispaan de boot dichter bij het strand door een nauwen doorgang, welke de rotsen daar vormden, en zij kwamen thans overeen, dat zij de prauw zouden probeeren langs de kust tot aan het punt, waar de rotsen in het zuiden eindigden.

Op het oogenblik dat zij instapten, riep Nab uit:

“Maar het water loopt er in, Pencroff!”

“Dat is niets, Nab,” antwoordde de matroos. “Het hout zal zich wel uitzetten! Eer het twee dagen verder is zal het er niet meer inloopen. Laten wij instappen!”

En Pencroff duwde de boot met een fermen stoot in het midden der schuimende golven. Het was prachtig weer en de zee was zoo kalm alsof het water tusschen de enge oevers van een meer was besloten, en de prauw kon zich te midden van deze golven wagen alsof zij den stillen stroom eener rivier opvoer.

Nab en Harbert namen elk een roeispaan en Pencroff bleef achter in het vaartuig staan, om het roer te kunnen sturen.

Zij verwijderden zich ongeveer een halve mijl van de kust, om den berg Franklin goed te kunnen zien.

De boot voortgestuwd door de beide roeispanen, stevende zonder eenige moeite de rivier op. Gideon Spilett met zijn potlood en papier in de hand, teekende met ruwe trekken de kust af. Nab, Pencroff en Harbert praatten, terwijl zij dat gedeelte van hun grondgebied gadesloegen, dat hun geheel nieuw was, en naarmate de prauw het zuiden bereikte scheen de kaap Mandibule zich te verplaatsen en zich meer bij de baai der Vereenigde Staten aan te sluiten.

Cyrus Smith sprak niet; hij zag slechts om zich heen; op zijn gelaat was duidelijk te lezen, dat hij zich hier in een hem geheel onbekende streek bevond.

Toen zij drie kwartier gevaren hadden, was de boot de zuidelijke kaap genaderd en Pencroff stond op het punt haar om te roeien, toen Harbert opstond en op een zwart punt wees, terwijl hij zeide:

“Wat zie ik daar ginds op het strand?”

Aller blikken richtten zich naar dit punt.

“Ja waarlijk,” zeide de reporter, “er is daar iets. Men zou zeggen een stuk hout dat half in het zand is verborgen.”

“O!” riep Pencroff uit, “ik zie wat het is!”

“Wat dan?” vroeg Nab.

“Vaten, vaten! die misschien gevuld zijn!” antwoordde de matroos.

“Naar de kust, Pencroff!” beval Cyrus Smith.

Met een paar slagen was de boot de kust genaderd en sprongen de passagiers op het strand.

Pencroff had zich niet vergist. Twee vaten lagen in het zand, en waren aan een groote kist bevestigd, die weder door de vaten werd tegengehouden en op de kust gedreven.

“Er moet een schipbreuk zijn geweest in de omstreken van het eiland?” meende Harbert.

“Blijkbaar,” gaf Cyrus Smith hierop ten antwoord.

“Maar wat is er in die kist!” riep Pencroff ongeduldig uit. “Wat is er toch in die kist? Hij is gesloten en wij hebben niets om het deksel er af te breken! Dan maar steenen er op geworpen....”

En de matroos nam reeds een grooten steen op met het plan om dien tegen een der wanden van de kist te werpen, toen de ingenieur hem weerhield met de woorden:

“Pencroff, heb nog slechts een uur geduld.”

“Maar, mijnheer Cyrus, bedenk toch! Misschien vinden wij daar alles in wat ons thans nog ontbreekt!”

“Wij zullen het toch te weten komen,” antwoordde de ingenieur, “maar geloof mij, verniel deze kist niet, want zij kan ons nog te pas komen. Laten wij haar naar het Rotshuis brengen; daar kunnen wij haar gemakkelijker openen. Zij is geheel voor een zeereis ingericht, en daar zij hierheen gedreven is, zal zij het ook wel tot de monding der rivier kunnen brengen.”

“Gij hebt gelijk, mijnheer Cyrus, en ik had ongelijk,” antwoordde de matroos, “maar men is zichzelf niet altijd meester!”

Het was een goede raad van den ingenieur, want de prauw zou waarschijnlijk niet alle voorwerpen, die zij bevatte, kunnen dragen, daar de kist zeer zwaar was; zij dreef dan ook op twee leege vaten. Het was dus beter haar mede te slepen.

Maar vanwaar kwam dit voorwerp? Dat was een belangrijke vraag. Cyrus Smith beschouwde nauwkeurig den grond, en ging zelfs een honderd passen het strand op. Maar geen ander overblijfsel ontdekten zij. Zij sloegen aandachtig de zee gade. Harbert en Nab beklommen een hooge rots, doch zoover hun oog reikte bespeurden zij niets. Niets was er in het gezicht, geen schip zonder mast of zeilen, noch een schip met volle zeilen.

Toch moest er schipbreuk geleden zijn. Misschien moesten zij het gebeurde in verband brengen met het hageltje? Misschien waren er vreemdelingen op een ander punt van het eiland geland? Misschien waren zij er nog? Toch waren zij het met elkaar eens, dat het geen zeeroovers konden wezen, want de inhoud was bepaald van amerikaansche of europeesche herkomst.

Bij elk nieuw voorwerp klonk een hoezee. Blz. 150.
Bij elk nieuw voorwerp klonk een hoezee. Blz. 150.

Bij elk nieuw voorwerp klonk een hoezee. Blz. 150.

Zij gingen nu allen naar de kist, die vijf voet lang en drie voet breed was. Het waarschijnlijkste was, dat zij door een schip, dat zijn koers naar het eiland richtte, over boord was geworpen, in de hoop dat zij wel naar de kust zou drijven, waar men haar later zou terugvinden. De passagiers toch hadden de voorzorg genomen om de kist aan een drijvend toestel te bevestigen.

“Wij zullen haar naar het Rotshuis slepen,” zeide de ingenieur, “en daar zullen wij eens zien wat zij bevat; zoo wij nu op de kust nog eenige overblijfselen van deze vermoedelijke schipbreuk vinden, kunnen wij ze aan de eigenaars teruggeven. Zoo we niemand vinden....”

“Zullen wij ze voor ons houden!” riep Pencroff uit. “Maar zie dan toch eens wat er in is!”

Zij haalden nu de boot en de kist op het strand, en daar het water afliep lagen beide spoedig op het drooge. Nab was de werktuigen gaan halen waarmede zij de kist konden openbreken zonder haar te beschadigen, en nu zou de inhoud te voorschijn worden gehaald. Pencroff gaf zich geen moeite zijn ontroering te verbergen.

“Zeg eens,” riep Nab uit, toen zij de kist geopend hadden, “zouden er levensmiddelen in zijn?”

“Ik hoop van niet,” antwoordde de reporter.

“Zoo er maar....” zeide de matroos fluisterend.

“Wat?” vroeg Nab, die de woorden niet gehoord had.

“Niets!”

De zinken plaat sneden ze nu door en langzamerhand werden voorwerpen van zeer verschillenden aard op het zand nedergelegd. Bij elk nieuw voorwerp klonk een nieuw hoezee uit Pencroffs mond. Harbert klapte in de handen en Nab danste als een neger. Er waren dan ook boeken, die Harbert half krankzinnig van blijdschap maakten en keukengereedschap dat Nab wel had willen kussen.

Overigens hadden de kolonisten alle reden tot tevredenheid; want de kist bevatte werktuigen, wapens, instrumenten, kleeren, boeken enz. Zij bevatte ook een bijbel, een atlas, een woordenboek van Australische talen, een encyclopedie in zes deelen en een groote hoeveelheid wit papier.

“Dat is zeker,” zeide de reporter, toen zij alles uit de kist hadden gehaald, “dat de eigenaar van dezen inboedel een practisch man is. Werktuigen, wapenen, instrumenten, kleederen, keukengereedschap, boeken, niets ontbreekt er in. Men zou waarlijk zeggen, dat hij een schipbreuk verwachtte, en dat hij nu alle voorzorgen genomen heeft.”

“Niets ontbreekt er,” mompelde Cyrus Smith geheel in gepeins verzonken.

“En ook is het wel waarschijnlijk,” voegde Harbert er bij, “dat de eigenaar van deze kist geen maleische zeeroover is!”

“Misschien is de eigenaar wel door de zeeroovers gevangen genomen....”

“Dat is toch niet waarschijnlijk,” antwoordde de reporter. “Mij schijnt het mogelijker toe, dat een Amerikaansch of Europeesch schip in deze streek is bezet geraakt en dat de bemanning het noodigste wilde redden en uit dien hoofde deze kist over boord heeft geworpen.”

“Is dat ook uw idee, mijnheer Cyrus?” vroeg Harbert.

“Ja, beste jongen,” antwoordde de ingenieur, “het heeft zoo kunnen gebeuren. Het is mogelijk dat op het oogenblik, dat zeelieden een schipbreuk voorzagen, zij in deze kist alle mogelijke noodzakelijke voorwerpen geborgen hebben, opdat zij die weder op een bepaald punt der kust zouden kunnen wedervinden....”

“Zelfs een doos met photographie-toestellen!” riep de matroos op verbaasden toon.

“Van dien toestel zie ik nu juist het nut niet in,” zeide Cyrus Smith, “en een vollediger voorraad kleeren en voedsel zou ons en elken anderen schipbreukeling beter te pas zijn gekomen en vooral meer kruit en lood!”

“Maar is er op al die instrumenten, werktuigen en boeken geen enkel teeken, geen naam, die ons op het spoor van den eigenaar zou kunnen brengen?” vroeg Gideon Spilett.

Dat zouden zij nog onderzoeken.

Elk voorwerp werd dus met de grootste nauwkeurigheid nagezien, vooral de boeken, de instrumenten en de wapenen. Maar noch de wapenen, noch de instrumenten droegen, in strijd met de gewoonte, eenig merk van een fabrikant; en toch was alles in zeer goeden staat en scheen het nog nooit gebruikt te zijn; alles was nieuw en dus een duidelijk bewijs dat de voorwerpen niet bij toeval in de kist waren geworpen, maar integendeel allen uitgezocht en gerangschikt waren. Ook bleek dit ten duidelijkste uit het tweede zinken bekleedsel, dat alles voor nat bewaard had en dat men niet in een oogenblik van haast er in had kunnen brengen.

Het woordenboek was Engelsch, maar droeg noch den naam van den schrijver noch dien van den uitgever.

Evenals de bijbel, ook Engelsch en die zeer veel gelezen scheen te zijn.

De atlas was een prachtig werk met wereldkaarten en verschillende hemelkaarten, en de namen waren allen in het fransch! maar noch een datum noch de naam van een uitgever stonden er op.

Er was dus op al deze voorwerpen geen enkel merk te vinden, waaruit zij de plaats konden opmaken, waar zij waren vervaardigd of uitgegeven, dus konden zij ook de nationaliteit van het schip niet gissen, dat zich onlangs in deze streken moest bevonden hebben.

Maar vanwaar kwam die kist, welke de kolonisten van het eiland Lincoln zoo rijk maakte, al hadden zij met behulp der natuur veel zelf weten te vervaardigen en zich uit menige moeilijke zaak weten te redden.

Toch was een van hen nog niet tevreden. Het was Pencroff. Het scheen dat die kist niet het voorwerp bevatte, waarop hij juist zulk een prijs stelde, en naarmate de kist ledig raakte, werden ook zijn hoezee’s zwakker en toen alles er uit gehaald was, mompelde hij:

“Alles is goed en wel, maar gij zult zien, dat er niets voor mij in is.”

Nab vroeg toen:

“Wat verwachttet gij dan wel, vriend Pencroff?”

“Een half pond tabak!” antwoordde Pencroff ernstig, “en niets zou dan aan mijn geluk ontbroken hebben!”

Zij konden niet nalaten over deze opmerking van den matroos te glimlachen.

De kolonisten oordeelden het thans noodzakelijker dan ooit om het eiland te gaan onderzoeken. Zij besloten dus den anderen morgen hiermede een aanvang te maken. Zoo eenige schipbreukelingen op een gedeelte van de kust geland waren, dan was het wel te vreezen, dat zij gebrek leden en moesten zij hen zoo spoedig mogelijk te hulp snellen.

Dien dag brachten zij de verschillende voorwerpen naar het Rotshuis en rangschikten die in de groote zaal.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings