← Table of contents
Het Geheimzinnige Eiland

XXVII.

Gerard Keller translation

Voorstel om langs de zuidkust terug te keeren.—Vorm van de kust.—Onderzoek naar de vermoedelijke schipbreuk.—Een wrak in de lucht.—Ontdekking van een kleine haven.—Middernacht aan de Mercy.—Een afdrijvende boot.

Cyrus Smith en zijn vrienden sliepen dien nacht den slaap der rechtvaardigen in het hol van de tijgerkat, die dat zoo beleefd ter hunner beschikking had gelaten.

“Daar hebben wij nu best linnen!” Blz. 175.
“Daar hebben wij nu best linnen!” Blz. 175.

“Daar hebben wij nu best linnen!” Blz. 175.

Bij het opgaan der zon stonden allen aan de kust, en aller blik richtte zich naar den horizon, die voor tweederden te zien was. Voor de laatste maal bevestigde Cyrus Smith dat er geen schip, geen romp op de geheele oppervlakte te bespeuren viel en ook door den verrekijker kon men niets verdachts ontdekken. Niets, zelfs op de kust, ten minste op dat gedeelte, hetwelk de zuidelijke punt van het voorgebergte vormde over een lengte van drie mijlen, want verder op hield een bocht binnenwaarts het overige gedeelte van de kust voor het oog verborgen, en zelfs aan het uiteinde van het Slangenschiereiland kon men kaap Klauw niet ontdekken, die ook achter de hooge rotsen geheel verscholen lag.

Zij moesten dus nu de zuidelijke kust van het eiland nog onderzoeken. Men zou dat onderzoek terstond ondernemen, en den geheelen dag, den 2den November, er aan te geven.

Dat was volstrekt het oorspronkelijke plan niet, want toen zij de prauw bij den oorsprong der Mercy hadden achtergelaten, waren zij overeen gekomen, dat, wanneer zij de westelijke kust onderzocht hadden, zij haar in het terugkeeren zouden medenemen en langs de Mercy het Rotshuis weder bereiken. Cyrus Smith meende toen dat de westelijke kust een voldoend toevluchtsoord kon aanbieden, zoowel voor een wrak, als voor een schip in goeden staat; maar nu er op deze kust geen schipbreuk geleden was, waren zij wel verplicht in het zuidelijke gedeelte dat te gaan zoeken, wat zij in het westelijke niet gevonden hadden. Gideon Spilett stelde nu het eerst voor, om het onderzoek te vervolgen, zoodat de vraag: of er schipbreuk was geleden, kon opgelost worden; daarom was het van het meeste belang te weten, hoe ver kaap Klauw van het uiteinde van het schiereiland verwijderd was.

“Ongeveer dertig mijlen,” antwoordde de ingenieur, “als wij de bochten, welke de kust maakt, in rekening brengen.”

“Dertig mijlen!” riep Gideon Spilett uit. “Wij zullen van daag dan een fiksche wandeling hebben. Toch geloof ik dat wij langs de zuidkust naar het Rotshuis moeten terugkeeren.”

“Maar,” merkte Harbert op, “van kaap Klauw naar het Rotshuis is nog tien mijlen.”

“Laten wij dan in ’t geheel veertig mijlen rekenen,” antwoordde de reporter, “en niet aarzelen die af te leggen. Wij hebben dan de ons geheel onbekende kust nagegaan, en behoeven geen nieuw onderzoek in te stellen.”

“Dat is zeer juist gezien,” zeide Pencroff. “Maar de prauw?”

“De prauw is wel een dag alleen gebleven,” gaf Spilett ten antwoord, “dus kan zij ook nog wel een dag langer daar liggen! Tot nog toe kunnen wij niet beweren, dat er dieven op het eiland zijn.”

“Toch,” zeide de matroos, “als ik mij de geschiedenis van de schildpad herinner, heb ik er geen groot vertrouwen in.”

“De schildpad! de schildpad!” antwoordde de correspondent, “weet ge dan niet, dat de zee haar omgekeerd heeft.”

“Wie weet het?” mompelde de ingenieur.

“Maar....” zeide Nab.

Nab had iets te zeggen, dat was zeer duidelijk, want hij opende den mond tot spreken, maar zeide niets.

“Wat wilt ge zeggen, Nab?” vroeg de ingenieur.

“Zoo wij langs het strand naar de kaap terugkeeren,” gaf Nab ten antwoord, “en als we de kaap zijn omgegaan dan kunnen we niet verder....”

“Door de Mercy! Dat is waar,” riep Harbert uit, “en wij hebben dan geen brug of boot om haar over te steken!”

“Maar, mijnheer Cyrus, vindt ge niet dat wij door middel van eenige drijvende stammen zeer goed de rivier kunnen oversteken?”

“Het doet er niet toe,” merkte Gideon Spilett op, “het zal toch altijd goed wezen een brug te maken, zoo wij een gemakkelijken toegang tot het bosch van het Verre Westen willen hebben!”

“Een brug!” riep Pencroff uit. “Welnu, is mijnheer Cyrus Smith geen ingenieur van zijn vak? Hij zal ons wel een brug maken wanneer we die verlangen!”

“Wanneer gij heden avond aan de andere zijde der Mercy wilt zijn, zonder een draadje van uw kleeren nat te maken, dan zal ik daar wel voor zorgen. Wij hebben nog slechts voor een dag levensmiddelen, meer hebben we ook niet noodig en misschien zal het ons van daag evenmin als gisteren aan wild ontbreken. Vooruit dus!”

Nu het voorstel van den reporter zoo ondersteund werd door Pencroff, gaf een ieder zijn goedkeuring er over te kennen, want allen wilden gaarne uit de onzekerheid komen, en wanneer zij over kaap Klauw terugkeerden hadden zij het eiland geheel doorzocht. Maar geen uur mocht er thans verloren gaan, want een marsch van veertig mijlen was geen kleinigheid, en zij behoefden er niet op te rekenen het Rotshuis vóor den nacht te zullen bereiken.

Ten zes ure ’s morgens begaven de kolonisten zich dus op weg. Uit voorzorg, ingeval zij soms twee- of viervoetige dieren mochten ontmoeten, laadden zij hun geweren met kogels, en aan Top, die den tocht moest openen, werd bevel gegeven den zoom van het bosch te volgen.

Toen zij de uiterste punt van het voorgebergte, dat als het ware den staart van het schiereiland vormde, verlieten, maakte de kust een bocht van vijf mijlen, welke zij spoedig hadden afgelegd, zonder dat zij, na zeer nauwkeurige nasporingen, eenig teeken gevonden hadden van een vroegere of tegenwoordige ontscheping, noch van een schipbreuk, of van eenig kamp, noch de asch van een uitgedoofd vuur, of den indruk van een voetstap.

Het geheele gedeelte van het eiland, dat zij thans bezochten, was hun vreemd, maar nadat zij een oogenblik gerust hadden, hadden zij het met een oogopslag overzien.

“Welk schip zich in deze streek durft wagen, is onherroepelijk verloren,” zeide Pencroff. “Zandbanken strekken zich hier tot zeer ver in zee uit en verder op heeft men steile klippen. Het is hier een gevaarlijke kust!”

“Maar toch zou er eenig overblijfsel van een schip moeten te vinden zijn,” merkte de correspondent aan.

“Ja, er zouden stukken hout op de klippen kunnen blijven liggen, maar op de zandbanken niet,” gaf de matroos hierop ten antwoord.

“Waarom dat?”

“Omdat die banken nog veel gevaarlijker dan de rotsen zijn, daar zij alles verzwelgen wat er op komt; en weinige dagen zijn voldoende om de romp van een schip van eenige honderden tonnen geheel te doen verdwijnen.”

“Dus Pencroff,” vroeg de ingenieur op zijn beurt, “zoo een schip hier vergaan was, zou het volstrekt niet vreemd wezen als wij geen enkel spoor er van vonden?”

“Neen, mijnheer Smith, door de werking van den tijd of van den storm. Toch zou het mij verwonderen, zoo zelfs in dat geval, geen stuk mast of splinters op de kust geworpen waren buiten het bereik der zee.”

“Laten wij onze nasporingen dus vervolgen,” antwoordde Cyrus Smith.

Om een uur ’s middags hadden de kolonisten de baai van Washington bereikt; op dat oogenblik hadden zij twintig mijlen afgelegd. Nu hielden zij eenigen tijd rust om zich wat te versterken.

Toen er een half uur om was, begaven de vrienden zich weder op weg; hun oog liet geen punt van de rotsen of het strand onopgemerkt. Pencroff en Nab waagden zich zelfs tusschen die klippen, zoodra eenig voorwerp hun aandacht trok. Maar geen enkel overblijfsel was er te bespeuren; zij werden nu en dan slechts misleid door den zonderlingen vorm van een rots. Wel waren er op dit strand een overvloed van schelpdieren te vinden, maar zij konden die eerst medenemen wanneer er gemeenschap bestond tusschen de beide oevers der Mercy en de middelen tot vervoer beter waren.

Na nog een paar uur geloopen te hebben, stelde Gideon Spilett zijn vrienden voor op deze plek weder halt te houden. Dit werd aangenomen, want de wandeling had aller eetlust opgewekt, en hoewel het uur voor het middagmaal nog niet geslagen was, weigerde niemand zich met een stuk vleesch te verkwikken. Zij zouden nu met eenig ander eten kunnen wachten tot zij in het Rotshuis waren teruggekeerd.

Eenige oogenblikken later waren de kolonisten onder een prachtige groep pijnboomen gezeten en verslonden zij de gerechten die hun door Nab werden voorgezet. De plek lag vijftig of zestig voet boven de oppervlakte der zee. Zij konden dus alles goed overzien, en achter de laatste rotsen van de kaap strekte zich de Unie-baai uit. Maar noch het eilandje, noch de bergvlakte van het Verre Uitzicht waren zichtbaar, en zij konden dit ook niet wezen, want de grond was hier hooger en de hooge boomen verborgen den noordelijken horizon.

Dit duurde langer dan twee uren. Blz. 176.
Dit duurde langer dan twee uren. Blz. 176.

Dit duurde langer dan twee uren. Blz. 176.

Het is onnoodig er nog bij te voegen, dat ondanks de uitgestrektheid der zee, die de tochtgenooten voor zich zagen, en hoewel de ingenieur met zijn verrekijker de geheele oppervlakte, waarin hemel en water te zamen smolten had nagegaan, geen schip was te bespeuren. Zij lieten eveneens over dat geheele gedeelte der kust, dat hun nog onbekend was, den verrekijker dwalen, maar geen spoor van een wrak was er te zien.

“Kom,” zeide Gideon Spilett toen, “wij moeten ons er overheen zetten en ons troosten met de gedachte, dat niemand ons het bezit van het eiland Lincoln zal komen betwisten!”

“Maar wat moeten wij dan van het hageltje denken?” vroeg Harbert. “Het was toch niet denkbeeldig.”

“Om den duivel niet!” riep Pencroff uit, toen hij aan zijn verloren kies herinnerd werd.

“Tot welk besluit moeten wij dan komen? vroeg de reporter.

“Tot dit,” gaf de ingenieur ten antwoord, “dat er drie maanden geleden hier een schip vrijwillig of onvrijwillig aan wal geweest is...”

“Wat, gij meent dus ook Cyrus, dat het geheel en al verzwolgen is, en er geen enkel overblijfsel is achtergebleven?” riep de reporter uit.

“Neen, beste Spilett; maar bedenk wel, indien het zeker is dat een menschelijk wezen hier voet aan wal heeft gezet, het niet minder zeker is dat hij het eiland thans weder heeft verlaten.”

“Dus, als ik wel begrijp, mijnheer Cyrus,” zeide Harbert, “dan is het schip weder vertrokken?”

“Waarschijnlijk wel.”

“En wij hebben zulk een goede gelegenheid gemist om weder naar ons land terug te keeren,” was thans Nab’s opmerking.

“En die zich nimmer meer voor zal doen, vrees ik.”

“Welnu, daar die gelegenheid ons ontsnapt is, laten wij dan toch maar voorwaarts gaan,” zeide Pencroff, die reeds heimwee naar het Rotshuis voelde.

Maar nauwelijks had hij zich opgericht of Top deed een heftig geblaf hooren, terwijl hij uit het bosch snelde met een lap, geheel met slijk bemorst, in zijn bek. Nab rukte hem dit uit den bek. Het was een stuk stevig linnen. Top blafte nog steeds en door zijn heen en weer loopen scheen hij zijn meester te vragen om hem te volgen.

“Er moet daar iets wezen, dat misschien wel een verklaring aan mijn hagel kan geven!” riep Pencroff uit.

“Een schipbreukeling!” antwoordde Harbert.

“Misschien gewond!” zeide Nab.

“Of dood!” luidde des reporters vermoeden.

En allen volgden den hond tusschen de hooge pijnboomen, die zoo overvloedig in dit gedeelte van het bosch groeiden. Voor alle zekerheid hielden Cyrus Smith en zijn vrienden hun geweren gereed.

Zij moesten zeer diep in het bosch doordringen; maar tot hun groote teleurstelling, zagen zij nog geen enkelen indruk van een voetstap. Kreupelhout en slingerplanten waren ongeschonden, en zij moesten zelfs door middel van hun bijlen er zich door heen werken, evenals zij in het binnenste gedeelte van het bosch gedaan hadden. Het was dus niet zeer aannemelijk, dat hier een mensch zich reeds een weg had gebaand en toch liep Top heen en weer, niet als een hond die in het wilde iets zoekt, maar als een dier, dat door eigen wil gedreven wordt en een doel volgt.

Toen zij acht of negen minuten geloopen hadden, stond Top stil. De kolonisten kwamen nu op een open plaats, omringd van hooge boomen, zij namen alles rondom zich nauwkeurig op, maar zagen niets, noch onder het kreupelhout, noch tusschen de stammen van de boomen.

“Maar wat is er dan toch, Top?” vroeg Cyrus Smith.

Top blafte nog luider, en sprong tegen een hoogen pijnboom op.

Eensklaps riep Pencroff uit:

“Goed zoo! Heel goed!”

“Wat is er?” vroeg Gideon Spilett.

“Wij zoeken eenig overblijfsel van een schipbreuk in de zee of op de aarde!”

“Welnu?”

“Wij moeten het in de lucht vinden!”

De matroos wees op een grooten witten lap, die in den top van een boom hing en waarvan Top een stukje dat op den grond lag, had medegebracht.

“Maar dat is geen overblijfsel van een schip!” riep Spilett uit.

“Ik vraag u verschooning!” antwoordde Pencroff.

“Wat? Het is?....”

“Het is alles wat er van onzen luchtballon is overgebleven; onze ballon heeft zich in den top van dezen boom vastgehaakt.”

Pencroff bedroog zich niet en hij uitte een luid hoezee, er bijvoegende:

“Daar hebben we nu best linnen! Nu zijn we voor het geheele jaar van linnen voorzien! Nu kunnen wij zakdoeken en hemden maken! Wel, mijnheer Spilett, wat zegt ge wel van een eiland, waar de hemden aan de boomen groeien?”

Het was waarlijk een geluk voor de kolonisten, dat de luchtballon, nadat hij voor de laatste maal gestegen was, weder op het eiland was neder gekomen, en dat zij hem nu vonden. Of zij zouden dit omkleedsel bewaren, ingeval zij tot een tweede luchtreis mochten besluiten, of zij zouden die honderden ellen linnen nuttig gebruiken, wanneer zij het van vernis hadden gezuiverd. Zooals men denken kan, was Pencroff ten toppunt van geluk.

Maar men moest dit linnen nu uit den boom halen, waarin het hing en op een veiliger plaats brengen. Dat was lang geen gemakkelijk werk. Nab, Harbert en de matroos waren reeds in den top van den boom en spanden al hun krachten in om den grooten luchtballon er uit te rukken.

Dit duurde langer dan twee uren, en niet alleen het omkleedsel met zijn klep, veeren, zijn koperen beslag, maar het net, dat is te zeggen, een zeer groote warboel van touwen en koorden, het anker van den ballon, alles lag op den grond. Het omkleedsel was heel gebleven behalve de vroegere scheur, en slechts de toestel, die binnen in bevestigd zat, was onbruikbaar.

Dit was een onverwacht geluk.

“Hoe het ook zij, mijnheer Cyrus,” zeide de matroos, “zoo wij er ooit toe besluiten het eiland te verlaten dan zal het wel niet in een luchtballon wezen, niet waar? Men kan met luchtschepen niet gaan waar men wil, wij weten er van mee te spreken! Geloof mij, het beste was, als wij een sterke boot vervaardigden van een twintig tonnen en gij maaktet van dit linnen een fokkezeil en een stagzeil. Met het overige kunnen wij ons kleeden!”

“Wij zullen zien, Pencroff,” antwoordde Cyrus Smith, “wij zullen zien.”

“Maar intusschen moeten wij alles goed bezorgen,” zeide Nab.

Men kon er ook niet aan denken om dien grooten lap linnen, koorden, touwen die te zamen natuurlijk vrij zwaar wogen, mede te nemen naar het Rotshuis: zij zouden dus eerst een voertuig maken. Maar het was van het grootste belang, dien schat niet langer bloot te stellen aan den eersten orkaan den besten. De kolonisten slaagden er in om hem tot aan den oever mede te sleepen, waar zij een vrij ruime grot vonden, die, dank zij hare ligging, door wind, regen, noch zee kon bedreigd worden.

“Wij hadden een kast noodig en nu hebben we er een,” zeide Pencroff; “maar daar wij haar niet kunnen sluiten zou het toch voorzichtig wezen de opening te verbergen. Ik zeg dit niet voor de tweevoetige dieren, maar voor de viervoetige!”

Ten zes ure was alles gereed en vervolgden zij hun weg naar kaap Klauw. Pencroff en de ingenieur spraken over verschillende zaken die zij in den kortst mogelijken tijd nog te doen hadden. Vóór alles moesten zij een brug over de Mercy maken, ten einde een gemakkelijke verbinding te hebben met het zuidelijk gedeelte van het eiland; dan moest de wagen den luchtballon gaan halen, want met de boot zouden zij hem niet kunnen vervoeren; en vervolgens zouden zij een pont maken.

De nacht viel in en het was reeds zeer donker, toen de kolonisten op het punt kwamen waar zij de kostbare kist hadden ontdekt. Maar hier, evenmin als elders, vonden zij iets wat hun aan een schipbreuk kon doen denken, en zij moesten dus wel tot hetzelfde besluit komen als Cyrus Smith.

Die doodelijk gewond op het strand nederstortte. Blz. 183.
Die doodelijk gewond op het strand nederstortte. Blz. 183.

Die doodelijk gewond op het strand nederstortte. Blz. 183.

Nu hadden zij nog vier mijlen af te leggen en spoedig hadden zij die achter den rug; maar het was reeds na middernacht toen zij, de kust volgende tot aan de monding der Mercy, de eerste bocht der rivier bereikten. Daar was de bedding tachtig voet breed en zij moesten aan de overzijde wezen, maar Pencroff had op zich genomen dit bezwaar te overwinnen en hij was nu verplicht zijn belofte te houden.

De kolonisten waren uitgeput van vermoeienis. De marsch was lang geweest en het voorgevallene met den ballon had hun armen en beenen niet minder afgemat. Zij verlangden dus om weder in het Rotshuis te zijn om daar wat te eten en te slapen, en zoo zij eene brug hadden, zouden zij binnen het kwartier in hun woonplaats wedergekeerd zijn.

Het was een stikdonkere nacht. Pencroff was bezig zijn belofte te vervullen, door een soort van vlot te maken, waarmede zij de Mercy zouden kunnen oversteken. Nab en hij, gewapend met hun bijlen, hadden een paar boomen uitgezocht die dicht aan den oever stonden, en waarvan zij dit vlot zouden vervaardigen door ze bij den stam af te hakken.

Cyrus Smith en Gideon Spilett zaten aan den oever te wachten totdat zij hun gezellen behulpzaam konden wezen, en Harbert liep heen en weer.

Plotseling keerde de knaap, die weder een eind weegs de rivier op was gegaan, terug en naar een drijvend voorwerp wijzende riep hij uit:

“Een boot!”

Allen naderden en zagen, tot hun niet geringe verbazing een boot die de rivier afkwam.

“Hola! boot!” riep de matroos uit, zonder er bij te denken, dat het wellicht verstandiger ware geweest te zwijgen.

Maar er volgde geen antwoord. De boot naderde steeds en zij was nog slechts op een tien pas afstands toen Pencroff uitriep:

“Maar het is onze prauw! Zij is van het touw losgebroken en heeft den stroom gevolgd! Ik moet zeggen, dat zij juist bijtijds komt!”

“Onze prauw,” mompelde de ingenieur.

Pencroff had gelijk. Het was de boot, waarvan het touw was losgegaan, en die nu alleen de Mercy afzakte! Het was dus van het uiterste belang om haar tegen te houden, vóor dat zij door den snellen stroom werd medegesleept naar de monding. Dit deden Pencroff en Nab zeer handig door middel van een langen stok.

De boot werd naar den oever gehaald. De ingenieur stapte er het eerst in, greep het touw en overtuigde zich dat het inderdaad doorgesleten was door het onophoudelijk schuiven langs de rotsen.

“Dat kan men toch,” fluisterde de reporter hem in, “een inderdaad merkwaardige gebeurtenis noemen.”

“Een merkwaardige gebeurtenis!” antwoordde Cyrus Smith.

Merkwaardig of niet, het was een zeer gelukkige gebeurtenis. Harbert, de reporter, Pencroff en Nab scheepten zich daarop eveneens in. Zij twijfelden er niet aan of het touw was gesleten; maar het meest verbazende van de zaak was dat de prauw zoo juist op het oogenblik gekomen was dat zij de rivier moesten oversteken, want een kwartier later, zou zij in zee verloren zijn gegaan. Zoo zij in den tijd geleefd hadden, toen men nog aan geesten geloofde, zouden zij gedacht kunnen hebben dat het eiland door een bovennatuurlijk wezen bewoond werd, die zijn macht ten behoeve van de schipbreukelingen aanwendde!

Met eenige riemslagen, bereikten de kolonisten de monding der Mercy. De boot werd op het strand gehaald tot aan de Schoorsteenen, en allen spoedden zich naar de ladder van het Rotshuis. Maar op dit oogenblik, blafte Top met ongekende woede, en Nab die naar de eerste sport zocht, uitte een kreet....

Er was geen ladder meer!

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings