XXVIII.
Gerard Keller translation
Pencroff roept.—Een nacht in de Schoorsteenen.—De pijl van Harbert.—Plan van Cyrus Smith.—Eene onverwachte oplossing.—Wat in het Rotshuis is gebeurd.—Een nieuwe bediende.
Cyrus Smith stond zonder een woord te spreken stil. Zijn vrienden zochten in de duisternis tegen den muur of de wind hun ladder daar ook kon verplaatst hebben, of op den grond geworpen, ingeval zij losgegaan was.... Maar de ladder was geheel verdwenen. Om te zien of een stormvlaag haar ook tot de eerste verdieping had opgehaald, was hun in dien stikdonkeren nacht onmogelijk.
“Als het een grap is,” riep Pencroff uit, “dan is het een zeer leelijke! Wanneer men thuis komt en geen trap meer vindt om in zijn kamer te komen, dat is geen aardigheid, waarover doodvermoeide menschen kunnen lachen!”
Nab liet slechts den eenen uitroep op den anderen volgen!
“Er is toch geen storm geweest!” was Harbert’s opmerking.
“Ik begin toch te vinden dat er vreemde dingen op het eiland Lincoln gebeuren!” sprak Pencroff.
“Vreemde!” antwoordde Gideon Spilett, “wel neen, Pencroff, niets is natuurlijker. Iemand is gedurende onze afwezigheid hier gekomen, heeft van onze woning bezit genomen en de ladder opgetrokken.”
“Iemand!” riep de matroos verbaasd uit. “En wie dan?”
“Wel, de jager die het kogeltje geschoten heeft,” antwoordde de reporter. “Waartoe zou hij anders dienen, dan om dit ongeval te verklaren?”
“Welnu, zoo er iemand is,” zeide Pencroff met een vloek, want hij werd ongeduldig, “dan zal ik hem eerst toeroepen, en dan moet hij mij wel antwoorden.
En met donderende stem riep de matroos. “Ohée.... ee!” zoodat de echo dreunde.
De kolonisten luisterden aandachtig en zij meenden van uit het Rotshuis een spottend gelach te hooren, maar zonder daarvan den oorsprong te kunnen gissen. Geen stem beantwoordde het geroep van Pencroff, die herhaalde malen, maar te vergeefs, zijn stem deed hooren.
Er was daar iets, wat de meest onverschillige menschen ter wereld wel moest verbazen, en de kolonisten waren nu juist zoo onverschillig niet. In den toestand, waarin zij zich thans bevonden, had elk voorval zijn ernstige zijde, en inderdaad, gedurende de zeven maanden dat zij het eiland bewoonden, had zich geen enkel feit van dergelijken aard voorgedaan.
Hoe het ook wezen mocht, zij vergaten hun vermoeienissen door het zonderlinge van de gebeurtenis; zij stonden aan den voet van het Rotshuis, niet wetende wat er van te denken, noch te doen, elkander vragende zonder eenig antwoord te kunnen geven, oorzaken opsommende, de eene al onwaarschijnlijker dan de andere. Nab beklaagde zich over de teleurstelling dat hij niet in zijn keuken kon komen, vooral daar de voorraad levensmiddelen op was en zij voor het oogenblik geen kans zagen, dien te hernieuwen.
“Mijne vrienden,” zeide Cyrus Smith toen, “éen ding schiet ons slechts over te doen, den dag af te wachten en dan naar omstandigheden te handelen. Maar laten wij tot zoolang naar de Schoorsteenen gaan, daar hebben wij een veilige schuilplaats en zoo wij al niets te eten hebben, wij kunnen er ten minste slapen.”
“Maar wie heeft ons dien trek toch gespeeld?” vroeg Pencroff nog eens, daar hij zich onmogelijk er in kon schikken.
Wie of het ook wezen mocht, het eenige wat hun te doen stond, was zooals Smith gezegd had, naar de Schoorsteenen terug te keeren en daar den dag af te wachten. Zij gaven nu echter bevel aan Top om onder de vensters van het Rotshuis te blijven liggen, en wanneer Top iets bevolen werd, bracht hij dit zonder eenige opmerking ten uitvoer. De dappere hond bleef dus aan den voet van den muur, terwijl zijn meester met zijn vrienden een nachtverblijf in de rotsen gingen zoeken.
Wanneer we zeiden dat de kolonisten, niettegenstaande zij dood vermoeid waren, een rustigen slaap genoten op het zand der Schoorsteenen, dan zouden we onwaarheid spreken. Niet alleen dat zij zeer begeerig waren om te weten wat er gebeurd was, hetzij dit het gevolg was van oorzaken, die zij bij dag zeer natuurlijk zouden vinden, hetzij integendeel, dat dit het werk van een menschelijk wezen was, maar ook hun slaapplaats liet zeer veel te wenschen over. Wat het ook wezen mocht, op welke wijze het ook plaats had gegrepen, hun woning was op dit oogenblik in beslag genomen en zij konden er niet binnen dringen.
Bovendien was het Rotshuis meer dan hun woning, het was hun magazijn. Daar lagen alle mogelijke voorwerpen geborgen, hun wapenen, instrumenten, werktuigen, ammunitie en levensmiddelen. Als dit alles geroofd of vernield mocht zijn en zij weder van voren af aan beginnen moesten met wapenen en werktuigen te maken, dat zou verschrikkelijk wezen! Ook konden zij nu en dan hun bezorgdheid niet overwinnen en ging er een naar buiten om te zien of Top goed wacht hield. Cyrus Smith alleen bleef onverstoorbaar kalm, ofschoon zijn verstand zich ergerde, dat hij tegenover een geheel onverklaarbaar feit stond, en hij was verstoord wanneer hij bedacht dat er misschien om hem, of boven hem een invloed werd uitgeoefend, waaraan hij geen naam kon geven. Gideon Spilett deelde in dit opzicht volkomen zijn meening en zij onderhielden elkander telkens, maar op fluisterenden toon, over dit onverklaarbaar feit, waartegenover hun gezond verstand en ondervinding te kort schoten. Er was ongetwijfeld een geheim op het eiland, en hoe zouden zij dat oplossen? Harbert kon zich onmogelijk verbeelden wat het was en had gaarne Cyrus Smith eens uitgehoord. Wat Nab betreft, deze eindigde met te zeggen dat het hem niets aanging, dat zijn meester het maar weten moest, en zoo hij niet gevreesd had zijn makkers te grieven, zou de goede neger dien nacht even rustig geslapen hebben alsof hij op zijn bed in het Rotshuis lag! Pencroff eindelijk was veel onrustiger dan de overigen; hij was woedend.
“Het is een grap,” zeide hij, “zij hebben ons een poets gespeeld! Nu, ik houd niet van die grappen, en wee den grappenmaker zoo hij in mijn handen valt!”
Toen de eerste zonnestralen in het oosten doorbraken, begaven de kolonisten zich, zoo goed mogelijk gewapend, naar de kust, aan den zoom der klippen. Het Rotshuis dat het eerst door de opkomende zon beschenen werd, zou spoedig verlicht worden, en waarlijk tegen vijf uur kwamen de vensters, die gesloten waren, door het geboomte te voorschijn.
Van die zijde was alles in orde, maar een kreet ontsnapte aller mond, toen zij de deur, die zij toch voor hun vertrek gesloten hadden, wijd geopend zagen.
Iemand was in het Rotshuis binnengedrongen. Er viel niet meer aan te twijfelen.
De bovenladder, die aan den deurpost hing, was op hare plaats, maar de benedenladder was tot aan den drempel opgetrokken. Het was maar al te duidelijk dat de indringers zich gevrijwaard hadden tegen elke overrompeling.
Om hun soort en hun aantal te ontdekken, was hun vooreerst onmogelijk, daar geen een van hen te zien was.
Pencroff deed op nieuw zijn geroep hooren.
Geen antwoord.
“Die dieven!” riep de matroos. “Zie je wel, dat zij zoo gerust slapen alsof ze in hun eigen huis waren! Ohé! roovers, bandieten, zeeschuimers, kinderen van John Bull!”
Wanneer Pencroff, als Amerikaan, iemand met den naam van kind van John Bull bestempelde, dan was zijn toorn ten top gestegen. Op dit oogenblik werd het geheel dag en was de gevel van het Rotshuis verlicht door de stralen der zon. Maar inwendig zoowel als uitwendig bleef alles stil en rustig.
Nu vroegen de kolonisten zich zelf af of het Rotshuis wel bewoond was; toch was de toestand van de ladder bewijs genoeg, en het was zelfs zeker, dat de bewoners, wie zij ook zijn mochten, niet hadden kunnen ontvluchten! Maar hoe tot hen door te dringen?
Harbert kwam toen op het denkbeeld om een pijl aan een koord vast te maken, en dien pijl zoo er in te schieten, dat hij tusschen de beide touwen van de ladder terecht kwam, die op den drempel van de deur hing. Men kon haar dan, door middel van dat koord, naar den grond trekken en de gemeenschap met den grond en het Rotshuis was hersteld. Er stond hun niets anders te doen, en met een weinig behendigheid zouden zij wel slagen.
Gelukkig hadden zij pijl en boog tot hun beschikking in een der hoeken van de Schoorsteenen, waar zij ook een twintigtal strengen touw hadden. Pencroff ontrolde een gedeelte hiervan en bevestigde het aan het uiteinde van een scherpen pijl. Daarop legde Harbert den pijl op zijn boog en mikte toen, met gespannen aandacht, op de naar buiten hangende punt der ladder.
Cyrus Smith, Gideon Spilett, Pencroff en Nab waren een weinig achteruit gegaan om te kunnen zien wat er aan de vensters van het Rotshuis zou plaats grijpen. De reporter hield zijn karabijn op den ingang der deur gericht.
De pijl, het koord met zich nemende, doorkliefde de lucht en vloog tusschen de beide laatste sporten.
Het was gelukt.
Terstond daarop greep Harbert het koord; maar op hetzelfde oogenblik toen hij met een schok de ladder weder wilde doen vallen, kwam plotseling een arm tusschen den muur en de deur, die haar greep en naar het binnengedeelte van het Rotshuis mede trok.
“Vervloekte dief!” riep de matroos uit. “Zoo een kogel je geluk kan uitmaken, dan behoeft ge niet lang te wachten!”
“Maar wie is het dan?” vroeg Nab.
“Wie? hebt gij hem dan niet herkend?”
“Neen.”
“Maar het is een aap, een oerang-oetang, een gorilla! Onze woning is door apen in beslag genomen, die tijdens onze afwezigheid langs de ladder naar boven zijn geklauterd!”
En op dat oogenblik verschenen er, als om den matroos gelijk te geven, drie of vier dezer dieren aan de vensters, waarvan zij de luiken hadden geopend en begroetten nu de wezenlijke eigenaren met allerlei zonderlinge sprongen en uittartende gebaren.
“Ik wist wel dat het maar een grap was!” riep Pencroff, “maar nu zal er vast een voor de anderen boeten!”
De matroos legde zijn geweer aan, mikte op een der apen en gaf vuur.
Allen verdwenen, behalve een van hen, die doodelijk gewond, op het strand nederstortte.
De aap, die zeer groot was, behoorde tot de meest ontwikkelde soort dezer viervoetige dieren; men kon zich daarin niet vergissen. Of het een chimpansee, een oerang-oetang dan wel een gorilla was, zeker behoorde hij tot de menschvormige dieren, zooals zij genoemd worden, omdat zij zooveel op het menschelijk geslacht gelijken. Harbert verklaarde bovendien dat het een oerang-oetang was en de knaap was op het gebied der zoölogie thuis.
“Welk een prachtig dier!” riep Nab uit.
“Prachtig, dat geef ik je toe!” antwoordde Pencroff, “maar ik zie nog niet in hoe wij in onze woning moeten komen!”
“Harbert kan goed schieten,” zeide de reporter, “en zijn boog ligt daar! Laten zij maar weer beginnen!”
“Goed! Maar die apen zijn slim!” riep Pencroff uit, “zij zullen zich niet meer voor de vensters vertoonen; alzoo kunnen wij ze niet meer dooden, en als ik aan de verwoesting denk, die zij in onze kamers en onze magazijnen kunnen aanrichten....”
“Geduld,” antwoordde Cyrus Smith. “Die dieren kunnen ons niet lang tegenhouden!”
“Ik ben er niet eer zeker van, voordat zij hier op den grond liggen,” antwoordde de matroos. “En bovendien, weet ge wel, mijnheer Smith, hoeveel dozijn er van die grappenmakers daar boven zijn?”
Het was moeilijk om Pencroff hierop te antwoorden; de knaap kon niet weder een pijl schieten, want het benedeneinde van de ladder was achter de deur getrokken, en toen men aan de koord trok brak deze en de ladder bleef boven.
Het was waarlijk een lastig geval. Pencroff was woedend. Hun toestand had iets dwaas, maar hij voor zich vond hem in het geheel niet om te lachen. Het was wel waarschijnlijk dat de kolonisten in hun woning zouden komen, en de indringers op de vlucht zouden jagen, maar hoe en wanneer? Dat konden zij niet zeggen.
Twee uur gingen er op deze wijs voorbij, gedurende welken tijd de apen zich niet vertoonden; maar zij waren er nog altijd, en tot drie-, viermaal toe, kwam er eens een neus of een poot tusschen de deur of de vensters, die dan steeds met een geweerschot werden begroet.
“Laten wij ons verbergen,” zeide de ingenieur toen. “Misschien zullen de apen denken dat wij vertrokken zijn en zullen zij zich op nieuw vertoonen. Maar laten Spilett en Harbert zich achter de rotsen verschuilen en bij elke verschijning vuur geven.”
De bevelen van den ingenieur werden ten uitvoer gebracht, en terwijl de reporter en de knaap zich een plaats zochten waar de apen hen niet zien konden, begaven Cyrus Smith, Pencroff en Nab zich langs het strand naar het bosch om daar eenig wild te dooden, want het uur voor het ontbijt was aangebroken en zij hadden volstrekt geen levensmiddelen meer over.
Toen een half uur verstreken was, keerden de jagers met eenige rotsduiven terug, die zij zoo goed mogelijk braadden. Maar geen aap was te voorschijn gekomen.
Gideon Spilett en Harbert namen deel aan het ontbijt, terwijl Top onder de vensters waakte. Toen zij gegeten hadden, keerden zij naar hun post terug. Twee uur later was hun toestand nog volstrekt niet veranderd. De apen gaven niet het minste teeken dat zij er nog waren, en men moest bijna gelooven, dat zij verdwenen waren; maar wat hun nog het waarschijnlijkste voorkwam, was, dat zij bevreesd waren geworden door den dood van een van hen, alsmede verschrikt door het geweerschot en zich nu in de binnenkamers van het Rotshuis schuil hielden. En als men dan aan de schatten dacht die hun magazijn bevatten, maakte het geduld, dat de ingenieur zijn metgezellen zoozeer had aanbevolen, wel eens plaats voor woede, en eerlijk gezegd, zij hadden er ook wel reden toe.
“Het is toch te erg,” zeide de reporter, “en waarlijk ik zie geen kans, hier een einde aan te maken.”
“Wij moeten die duivels er toch uitjagen,” antwoordde Pencroff. “Het zal ons ook wel gelukken al zijn zij ook met hun twintigen; maar dan moeten wij ook man tegen man strijden! Is er dan geen enkel middel om tot hen door te dringen?”
“Jawel,” antwoordde toen de ingenieur, wien plotseling iets te binnen schoot.
“Eén maar?” zeide Pencroff. “Welnu goed, daar er geen anderen zijn! En welk is het?”
“Laten wij door de vroegere uitloozingsplaats van het meer in het Rotshuis zien te komen,” gaf de ingenieur ten antwoord.
“O, duizend duivels! Dat ik daar niet eer aan gedacht heb!” riep de matroos uit.
Dit was inderdaad het eenige middel om het Rotshuis binnen te dringen en om zoodoende de bende te verjagen. De opening van de uitloozingsplaats was wel is waar door een gemetselden muur gesloten, dien zij nu zouden moeten opofferen, maar zij konden hem altijd weer vernieuwen. Gelukkig had Cyrus Smith zijn plan nog niet ten uitvoer gebracht om de opening geheel te verbergen door haar onder water te zetten, want dan zou dit middel hun nog eenigen tijd gekost hebben.

Pencroff had zijn armen losgemaakt. Blz. 190.
Het was reeds twaalf uur toen de kolonisten, goed gewapend en voorzien van houweelen en breekijzers de Schoorsteenen verlieten, langs de vensters van het Rotshuis kwamen, waar zij Top nogmaals bevalen op zijn post te blijven en op het punt stonden den linkeroever van de Mercy te volgen, om zoo de bergvlakte van het Verre Uitzicht te bereiken. Maar zij hadden in die richting nog geen vijftig pas gedaan, toen zij den hond heftig hoorden blaffen. Het was een wanhopende waarschuwing.
Zij stonden stil.
“Laten wij omkeeren,” zeide Pencroff.
En allen liepen zoo snel mogelijk langs den oever terug.
Toen zij bij den hoek kwamen, zagen zij dat de toestand veranderd was.
De apen trachtten, verschrikt door een onbekende oorzaak, te ontvluchten. Twee of drie liepen en sprongen van het eene raam naar het andere met de vlugheid van clowns. Zij zochten zelfs niet de ladder weder goed te plaatsen, waardoor zij zoo gemakkelijk naar beneden hadden kunnen komen, en in hun angst hadden zij zeker het middel tot ontvluchting vergeten. Spoedig had men een zestal onder schot en de kolonisten gaven ook vuur. De een na den ander viel dood of gewond met een schellen kreet in de kamer neer. Sommigen vluchtten naar buiten, maar werden gedood door hun val, en eenige oogenblikken later kon men veronderstellen, dat er geen levende apen meer in het Rotshuis waren.
“Hoezee!” riep Pencroff, “hoezee! hoezee!”
“Niet zooveel hoezee’s!” zeide Gideon Spilett.
“Waarom niet! Zij zijn allen dood!” antwoordde de matroos.
“Dat is zoo, maar wij hebben daarom nog geen middel om binnen te komen.”
“Laten wij naar de uitloozingsplaats gaan,” zeide Pencroff.
Op dit oogenblik, als werd de opmerking van Spilett beantwoord, zagen zij de ladder naar den drempel der deur glijden, zich daarop ontrollen en eindelijk op den grond vallen.
“O, duizend pijpen! dat is sterk!” riep de matroos uit, Cyrus Smith aanziende.
“Al te sterk!” mompelde de ingenieur, die naar de eerste ladder snelde.
“Pas op, mijnheer Cyrus!” riep Pencroff; “zoo er nog een van die apen in is....”
“Wij zullen zien!” antwoordde de ingenieur, zonder zich hierdoor te laten weerhouden.
Zijn makkers volgden hem en een minuut later stonden zij aan de deur. Men zocht overal. Maar niemand was er in de kamers, noch in de magazijnen, die gelukkig door de bende apen waren gespaard.
“Zoo, zoo, en nu de ladder!” riep de matroos uit. “Wie is de heer, die haar ons heeft teruggegeven?”
Maar op dit oogenblik deed een kreet zich hooren en een groote aap, die in een der kamers was gevlucht, snelde de zaal binnen, vervolgd door Nab.
“O, die bandiet!” riep Pencroff. En met de bijl in zijn hand, wilde hij den kop van het dier kloven, toen hij hierin door Cyrus Smith weerhouden werd.
“Spaar hem, Pencroff.”
“Zou ik dien schelm genade schenken?”
“Ja, want hij was het, die ons de ladder heeft weergegeven!”
De ingenieur sprak deze woorden op zulk een zonderlingen toon, dat het moeilijk viel er uit op te maken of hij in ernst sprak dan niet.
Toch sprongen zij allen op den aap af, die, nadat hij zich dapper geweerd had, op den grond werd geworpen en gekneveld.
“Oef,” zeide Pencroff. “Wat zullen wij van hem maken?”
“Een knecht!” antwoordde Harbert.
Toen de knaap dit zeide, schertste hij niet, want hij wist dat men van deze verstandige dieren veel partij kon trekken.
De kolonisten naderden thans den aap en beschouwden hem aandachtig. Hij behoorde tot die soort, waarvan de aangezichtshoek niet veel kleiner is dan die der Australiërs en Hottentotten. Het was een oerang-oetang, de goedaardigste van alle apen.
Deze soort dieren zijn tot vele diensten geschikt; zij kunnen tafeldienen, de kamers opruimen, de kleeren verzorgen, schoenen poetsen, met mes, vork en lepel omgaan en zelfs wijn drinken.... alles even goed als de beste tweevoetige knecht zonder haren. Men weet dat Chateaubriand zulk een aap bezat, die hem lang en trouw diende.
De aap, die thans in een der kamers van het Rotshuis gekneveld lag, was zes voet lang, had een goed gebouwd lichaam, breede borst, de kop had een middelmatige grootte, de gelaatshoek was vijf en zestig graden, hij had een ronden schedel, spitsen neus en de huid was met zacht, glinsterend haar begroeid—kortom hij was een volmaakt type der menschvormige soort. Zijn oogen, een weinig kleiner dan die der menschen, schitterden van vernuft, zijn witte tanden kwamen van onder zijn knevel te voorschijn, en hij had een kleinen krulbaard van nootkleurig bruin.
“Een mooie jongen!” zeide Pencroff. “Als wij nu zijn taal maar konden spreken, dan zouden wij een gesprek met hem kunnen voeren.”
“Dus is het ernst,” vroeg Nab; “wij zullen hem als knecht aannemen?”
“Ja, Nab!” antwoordde Cyrus glimlachend. “Maar wees niet jaloersch!”
“En ik hoop dat hij een goede knecht zal zijn,” voegde Harbert er bij. “Hij schijnt nog jong te wezen en zijn opvoeding zal ons dus gemakkelijk vallen; wij zullen ook niet genoodzaakt wezen om hem onderwerping in te prenten, door hem met strengheid te behandelen, noch hem de snijtanden uit te trekken, zooals men in zulke gevallen dikwijls doet! Hij zal zich wel aan zijn meesters hechten, wanneer deze goed voor hem zijn.”
“En dat zullen we wezen,” antwoordde Pencroff, die al zijn haat tegen deze grappenmakers vergat.
Daarop naderde hij den oerang-oetang.
“Welnu, beste jongen,” vroeg hij, “hoe gaat het je?”
De aap beantwoordde deze vraag door een zacht gebrom, dat geen kwaad karakter verried.
“Gij wilt dus ook een deel van de kolonie uitmaken?” vroeg de matroos. “Gij wilt dus in dienst van Cyrus Smith treden?”
Weder een goedkeurend gebrom.
“En gij zult als loon met ons voedsel tevreden zijn?”
Een derde gebrom.
“Zijn gesprek is wel wat eentonig,” merkte Gideon Spilett op.
“Goed,” hernam Pencroff, “de beste bedienden zijn die, welke het minste spreken. En bovendien behoeft hij geen loon!”
“Hoort ge, mijn jongen? Om te beginnen, geven we u geen loon, maar dat zullen we later verdubbelen, wanneer we tevreden over je zijn!”
Zoo gebeurde het dat de kolonie met een nieuw lid verrijkt werd, die hun meer dan een dienst bewees. De matroos vroeg, of men hem, ter herinnering aan een aap, dien hij vroeger gekend had, den naam van Jupiter mocht geven en bij verkorting “Jup”.
Ziedaar hoe meester Jup, zonder verderen omslag een plaats in het Rotshuis kreeg.