← Table of contents
Het Geheimzinnige Eiland

X.

Gerard Keller translation

Eene uitvinding van den ingenieur.—De vraag, die Cyrus Smith bezig houdt.—Op weg naar het gebergte.—Het woud.—Vulkanische bodem.—Vreemde dieren.—De eerste vlakte.—Een nacht in de open lucht.—De top van den kegel.

Eenige oogenblikken later stonden de drie jagers voor een knetterend vuur. Cyrus Smith en de correspondent bevonden zich daar eveneens, Pencroff staarde hen aan, zonder een woord te zeggen, met zijn zwijn in de hand.

“Zeker, zeker, mijn jongen,” riep de verslaggever uit. “Vuur waarachtig vuur, dat dit prachtige stuk wild, waaraan wij ons straks te goed zullen doen, heerlijk zal braden!”

“Maar wie heeft dit aangemaakt?” vroeg Pencroff.

“De zon!”

Het antwoord van Gideon Spilett was zeer juist. De zon had deze warmte aangebracht, waarover Pencroff zich verwonderde. De zeeman kon zijn oogen niet gelooven, en hij was zoo buiten zich zelf van verbazing, dat hij er niet eens aan dacht den ingenieur naar de toedracht der zaak te vragen.

“Hadt gij dan een brandglas, mijnheer?” vroeg Harbert aan Smith.

“Neen, mijn jongen,” antwoordde hij, “maar ik heb er een gemaakt.”

En hij liet hem den toestel zien, dien hij voor brandglas gebruikt had. Het waren slechts de glazen van de horloges van den correspondent en van hem. Na ze met water gevuld en de randen door middel van een weinig klei hermetisch aaneengesloten te hebben, had hij een brandglas vervaardigd, dat, door de zonnestralen op een stuk zeer droog mos te concentreeren, de ontbranding had veroorzaakt.

De zeeman beschouwde den toestel en keek toen den ingenieur aan zonder een woord te spreken. Maar zijn blik zeide genoeg! Was Cyrus Smith voor hem al niet een God, zeker was hij meer dan een mensch. Eindelijk kreeg hij zijn spraak terug en riep uit:

“Teeken dat aan mijnheer Spilett, teeken dat in uw boek aan.”

“Het is reeds aangeteekend,” antwoordde de verslaggever.

Een rookwolk steeg kronkelend boven de rotsen op. Blz. 52.
Een rookwolk steeg kronkelend boven de rotsen op. Blz. 52.

Een rookwolk steeg kronkelend boven de rotsen op. Blz. 52.

Weldra had de zeeman, met behulp van Nab, het zwijn aan het braadspit. De ingenieur en zijn metgezel hadden hun dag goed besteed, de schoorsteenen waren weder bewoonbaar geworden, doordat de reten met steen en zand dicht waren gemaakt en de gloed van het vuur zich ook daar deed gevoelen. Cyrus Smith had zijn krachten weder teruggekregen en staarde, in gepeins verzonken, naar den top van den berg, dien zij den volgenden dag zouden bestijgen. Die berg lag ongeveer op zes mijlen noord-westelijk en verhief zich, naar zijn schatting, drie duizend vijf honderd voet boven de oppervlakte der zee. Bijgevolg kon iemand, die op den top stond den horizon met een straal van minstens vijftig mijlen overzien. Cyrus Smith zou dus waarschijnlijk zonder moeite, de quaestie van “vasteland of eiland” kunnen oplossen, welke hij, niet zonder reden, de gewichtigste van allen oordeelde.

Het avondeten werd met grooten smaak genuttigd en na eenige groote blokken hout op het vuur geworpen te hebben, begaven zich allen ter ruste.

Den volgenden morgen om half acht waren Cyrus Smith en zijn lotgenooten, met stokken gewapend, gereed om den tocht te ondernemen. De rest van het zwijn was voldoende voedsel voor vier en twintig uur; zij hoopten onder weg echter nieuwen voorraad op te doen; en de glazen waren dan ook weer op de horloges van den ingenieur en den verslaggever gezet.

Op raad van Pencroff volgde men den reeds afgelegden weg door het bosch, daar dit de naaste naar den berg was. Toen zij aan den zoom van het bosch waren, begon de weg een weinig te hellen. Ten tien uur maakte men even halt op een plaats vanwaar men den berg in het gezicht had.

“Wij zijn op vulkanisch terrein,” zeide Smith tot zijn metgezellen. Harbert maakte hen opmerkzaam op versche sporen van groote dieren, wilde of andere.

“Die beesten zullen ons misschien ongaarne hun gebied afstaan,” merkte Pencroff op.

“Welnu,” antwoordde de correspondent, die in Indië reeds tijgerjachten had mee gemaakt en in Afrika de leeuwen had vervolgd, “wij zullen ons van hen trachten te ontdoen. Maar laten wij intusschen op onze hoede zijn.”

Om twaalf uur werd er een tweede halt gemaakt om te ontbijten, waarna het troepje zich weer in beweging zette, maar nu door vrij dik kreupelhout. In de schaduw fladderde een groot aantal vogels, tot het geslacht der fazanten behoorende. Gideon Spilett doodde met een steenworp een van deze vogels, waarop Pencroff, die waarschijnlijk door de lucht honger had gekregen, gulzige blikken wierp.

De weg werd voortdurend moeielijker, want hij ging nu steil naar de hoogte en ieder moest nauwkeurig toezien, waar hij zijn voet zette. Nab en Harbert gingen vooraan, Pencroff was de laatste; tusschen hen in liepen Cyrus en de verslaggever. De dieren, die op deze hoogte verblijf hielden—en hun sporen ontbraken niet—moesten noodzakelijk behooren tot die rassen met vasten voet en lenig lichaam, waartoe de gemzen en wilde geiten behooren. Men zag er zelfs eenigen, maar Pencroff scheen ze niet met een juisten naam aan te duiden, want eensklaps riep hij uit:

“Schapen!”

Allen bleven stilstaan op vijftig passen afstand van een half dozijn groote dieren met krachtige horens, die naar achteren gebogen en plat aan het uiteinde waren, hun vacht was wollig, maar verborgen onder lang zijdeachtig haar van licht gele kleur.

Het waren geen gewone schapen, maar een soort, dat algemeen gevonden wordt in de bergen der gematigde luchtstreken en waaraan Harbert den naam gaf van wilde rammen.

“Zitten er ook bouten en koteletten aan?” vroeg de zeeman.

“Ja,” antwoordde Harbert.

“Nu dan zijn het ook schapen!” hernam Pencroff.

Deze beesten bleven onbeweeglijk en met verwonderden blik tusschen de blokken basalt staan alsof zij voor de eerste maal menschelijke wezens aanschouwden. Toen verdwenen zij in een paar sprongen achter de rotsen.

“Tot weerziens!” riep Pencroff hun op zulk een echt komischen toon na, dat zijn metgezellen begonnen te lachen.

Zeven uur lang waren zij bergopwaarts gegaan; de duisternis viel in en men besloot te kampeeren om de krachten te herstellen, het avondeten te nuttigen en vervolgens te slapen. Het weer was prachtig, de hemel onbewolkt en de nacht nog niet geheel donker. Te midden van eenige rotsen vond men een schuilplaats. Hoewel de brandstof niet overvloedig was, wisten de zeeman, Nab en Harbert spoedig zooveel mos en droog hout bij elkander te zoeken, dat er binnen weinige oogenblikken een knetterend vuurtje opvlamde, dat alleen diende om de koude nachtlucht een weinig tegen te gaan. Nab bewaarde den fazant voor den volgenden dag, de overblijfsels van het zwijn en eenige dozijnen amandelen vormden nu het souper. Het was nog geen half zeven, toen dit reeds afgeloopen was.

Cyrus Smith kwam op de gedachte om, voor hij ter ruste ging, den omtrek nog eens op te nemen; hij wilde zich overtuigen of men het pad kon volgen dat rondom dezen kegel liep, voor het geval dat de zijden te stijl mochten zijn en men den top aldus niet zou kunnen bereiken. Kon men echter geen van beiden, dan was het onmogelijk het westelijke gedeelte van de streek op te nemen en men zou het doel van den tocht gedeeltelijk missen.

Zonder zijn vermoeienis te tellen, liet de ingenieur Pencroff en Nab voor slaapplaatsen zorgen, Gideon Spilett zijn aanteekeningen schrijven en volgde hij zelf den weg, die om den top liep. Harbert vergezelde hem.

Na een marsch van ongeveer twintig minuten, konden Smith en Harbert niet verder: op dat punt vloeide de helling der beide kegels ineen; ter zelfder tijd werd hun echter de kans geopend om regelrecht op den top af te gaan. Zij bevonden zich namelijk voor een diepe spleet in den berg. Het was de mond van den krater, die zich bovenaan bevond, de hals, als het ware, waardoor de vloeibare stoffen uitgeworpen werden in den tijd dat de vulkaan nog in werking was. De lava was hard geworden, het metaalschuim had zich gezet en vormde een soort van natuurlijke trap met breede treden, die het beklimmen van den top van den berg gemakkelijk maakten.

In een oogopslag overzag Cyrus Smith den stand van zaken en, zonder aarzelen, begaf hij zich, door zijn jeugdigen makker gevolgd, in de groote spleet te midden van een diepe duisternis. Men moest nog ongeveer duizend voet stijgen. Zou de helling binnen den krater begaanbaar zijn? Men moest het onderzoeken. De ingenieur wilde zijn tocht voortzetten, zoolang hij door niets daarin belemmerd werd.

Wat den vulkaan zelf betrof, het viel geen oogenblik te betwijfelen of hij was geheel uitgedoofd. Geen rookwolkje steeg er uit. Geen vlam was er in de diepte zichtbaar. Geen gerommel, geen geluid, geen beweging kwam er uit deze donkere put, die mogelijk doordrong tot in het binnenste der aarde. Zelfs de atmosfeer in den krater was door geen enkelen zwavelachtigen damp bezwangerd. Het was meer dan een sluimerende vulkaan, het was een geheel uitgedoofde.

De poging van Cyrus Smith moest slagen. Langzamerhand zagen Harbert en hij, terwijl zij stegen, den krater boven hun hoofd wijder worden. Het gedeelte van den hemel dat zij boven zich zagen werd al grooter en grooter. Bij elken stap, dien Smith en Harbert deden kregen zij nieuwe sterren in het gezicht. Het schitterde prachtig.

Het was even voor acht uur toen Cyrus Smith en Harbert hun voet zetten op den top van den berg.

Het was geheel duister en zij konden niet verder dan twee mijlen zien. Werd dit onbekende land door de zee omgeven, of hechtte het zich in het westen aan eenig vasteland van de Stille Zee? Men kon het nog niet onderscheiden. In het westen maakte een nevelachtige streep, die scherp tegen den horizon afstak, de duisternis nog grooter en het oog kon niet beslissen of hemel en water in éen lijn samenvloeiden.

Plotseling echter vertoonde zich een flauw licht aan een punt van den horizon, dat langzaam daalde, naarmate de wolk steeg.

Het was de smalle sikkel van de maan, die weldra zou verdwijnen; maar haar licht was voldoende om de lijn van den horizon, waarvoor de wolk verdwenen was, duidelijk af te teekenen, en de ingenieur zag een oogenblik haar beeld zich in een vloeiende oppervlakte trillend weerspiegelen.

Cyrus Smith vatte de hand van den knaap en zeide op ernstigen toon, op het oogenblik dat de maan in de golven verdween:

De krater werd boven hun hoofd wijder. Blz. 56.
De krater werd boven hun hoofd wijder. Blz. 56.

De krater werd boven hun hoofd wijder. Blz. 56.

“Een eiland!”

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings