← Table of contents
Het Geheimzinnige Eiland

XXXI.

Gerard Keller translation

Slecht weer.—De hydraulische hijschtoestel.—Glas en glaswerk.—De broodboom.—Bezoeken aan de kraal.—Vermeerdering der kudde.—Een vraag van den reporter.—Voorstel van Pencroff.

In de eerste week van Maart veranderde het weer. In het begin van die maand was het volle maan geweest en het was nog steeds brandend heet. Men gevoelde, dat de dampkring met electriciteit bezwangerd was en het was inderdaad te vreezen, dat in de volgende dagen een hevig onweder zou woeden.

Den 2den Maart rolde dan ook de donder geweldig. De wind blies uit het oosten, en de hagel sloeg tegen den voorgevel van het Rotshuis alsof er met schroot op gevuurd werd. Men moest deuren en vensterluiken hermetisch sluiten, anders werd alles in de kamers overstroomd.

Toen Pencroff deze hagelsteenen zag vallen, waarvan sommigen zoo groot als duiveneieren waren, dacht hij er slechts aan dat zijn korenveld zeer veel gevaar liep.

Hij ging oogenblikkelijk naar zijn land, waar reeds kleine, groene sprietjes te zien waren en met behulp van een groot zeil slaagde hij er in zijn oogst te beschermen. Hij werd nu, wel is waar, zelf in plaats van zijn planten gesteenigd, maar hij beklaagde er zich niet over.

Dit slechte weer hield acht dagen aan; men hoorde den donder onophoudelijk rollen. Tusschen twee onweders vernam men hem nog buiten de grenzen van den horizon, en dan kwam hij weder met vernieuwde woede naderbij. Het weerlicht was niet van de lucht af en de bliksem trof verscheidene boomen op het eiland, onder anderen een grooten den, die bij het meer stond aan den zoom van het bosch. Ook het strand werd twee of drie keer getroffen door den electrischen stroom, welke op het zand neersloeg en er dondersteenen van maakte. Toen de ingenieur deze dondersteenen zag, kwam hij op het denkbeeld, dat het niet onmogelijk zou zijn om dikke, stevige glasruiten voor de vensters te brengen, die tegen wind, regen en hagel bestand waren.

Hij bracht de koddigste figuren te voorschijn. Blz. 210.
Hij bracht de koddigste figuren te voorschijn. Blz. 210.

Hij bracht de koddigste figuren te voorschijn. Blz. 210.

Daar de kolonisten buitenshuis geen werk hadden waarbij spoed vereischt werd, maakten zij van het slechte weer gebruik om binnen het Rotshuis te arbeiden, waarvan het huisraad van dag tot dag verbeterd en vermeerderd werd. De ingenieur vervaardigde een draaibank, waardoor hij in staat was eenige benoodigdheden voor toilet en keuken te maken, en vooral knoopen, die men zeer miste. Er was een tropee gemaakt van de wapens, die met de grootste zorg onderhouden werden, en kasten noch bergplaatsen lieten iets te wenschen over. Men zaagde, schaafde, vijlde en draaide, en gedurende dat ongunstige weer hoorde men niets dan het geluid der werktuigen of van de draaibank, dat op het rollen van den donder antwoordde.

Jup werd niet vergeten, hij had een kamer alleen, bij het groote magazijn met een goed bed, hetgeen hem uitmuntend beviel.

“Die beste Jup,” zeide Pencroff dikwijls, “hij spreekt nooit tegen, geeft nooit een ongepast woord! Wat een knecht, Nab, wat een knecht!”

“Mijn leerling,” antwoordde Nab, “en weldra mijns gelijke!”

“Je meerdere,” antwoordde de zeeman lachend, “want dat is toch waar Nab, jij praat en hij doet het niet!”

Het spreekt van zelf, dat Jup nu volkomen op de hoogte was van hetgeen hij doen moest. Hij klopte de kleeren uit, draaide het braadspit, veegde de kamers, bediende aan tafel, stapelde het hout en—iets wat Pencroff verrukte—ging nooit naar bed, zonder eerst bij den zeeman gekomen te zijn.

De gezondheid van de kolonisten, zoowel der tweevoetige als der tweehandige, der vierhandige als der viervoetige, liet niets te wenschen over. Dat leven in de open lucht, op dien gezonden grond, onder deze gematigde luchtstreek, terwijl hoofd en handen moesten werken, kon niet anders dan elken zweem van ziekte verjagen.

Ieder was dan ook gezond. Harbert was in dat jaar reeds twee duim gegroeid. Zijn lichaam vormde zich en werd mannelijker, en hij beloofde een man te worden even volmaakt naar lichaam als naar geest. Hij trok overigens partij van elk ledig uur, dat hem zijn handenarbeid liet, om zich te onderrichten, hij las de weinige boeken, welke in de kist gevonden waren en, na de practische lessen die hij trok uit den toestand, waarin hij verkeerde, vond hij in den ingenieur voor de wetenschap, in den correspondent voor de talen, meesters, die met hart en ziel zijn opvoeding voltooiden.

Het was het vaste plan van den ingenieur, om alles wat hij wist op Harbert over te planten, hem zoowel door voorbeeld als door woord te onderwijzen, en Harbert trok goed partij van de lessen van zijn leermeester.

Indien ik sterf, dacht Cyrus Smith, zal hij mij vervangen!

Den 9den Maart bedaarde de storm, maar de hemel bleef gedurende de gansche laatste zomermaand, door zware volken beneveld. De dampkring was door die electrische schokken zeer verstoord en herkreeg zijn vorige kalmte niet meer; op vier of vijf mooie dagen na, welke de kolonisten waarnamen om verscheidene tochten te maken, regende en mistte het onophoudelijk.

Tegen dien tijd bracht de onagga een jong ter wereld, dat eveneens tot het vrouwelijk geslacht behoorde en dat zeer welkom aan de kolonisten was. Ook de kraal werd meer bevolkt tot groote vreugde van Nab en Harbert, die onder de jonggeborenen hun lievelingen hadden.

Men beproefde ook de muskuszwijnen te temmen, waarin men volkomen slaagde. Bij de plaats van het gevogelte werd een stal gebouwd, waarin weldra een groot aantal jonge zwijnen zich meer kwamen beschaven, dat is te zeggen, vetter worden onder toezicht van Nab. Jup vervulde stipt de taak, die hem opgelegd was om de zwijnen te voeren met de overblijfsels van het middagmaal. Soms plaagde hij zijn kleine kostgangers wel eens en trok ze aan hun staart, maar dit was speelschheid en geen boosheid, want die kleine stompe staartjes vermaakten hem als een stuk speelgoed, en zijn instinkt was geheel dat van een kind.

Toen Pencroff op een mooien dag van de maand Maart eens met den ingenieur praatte, herinnerde hij Cyrus Smith een belofte, die deze nog geen tijd had gehad te vervullen.

“Gij hebt gesproken van een toestel, dat de lange ladders van het Rotshuis onnoodig zou maken, mijnheer Smith,” zeide hij. “Zult gij het niet binnen kort vervaardigen?”

“Gij meent een hijschtoestel,” antwoordde Cyrus Smith.

“Laten wij het een hijschtoestel noemen, als gij het zoo wilt,” antwoordde de zeeman. “De naam doet er niets toe, als het ons maar zonder vermoeienis naar onze woning voert.”

“Niets zal gemakkelijker zijn, Pencroff, maar is het wel noodig?”

“Zeker, mijnheer Cyrus. Na ons het noodige verschaft te hebben, moeten wij ook eens aan ons gemak denken. Voor personen zou het een weelde zijn, indien gij wilt, maar voor dingen is het onmisbaar! Het is niet gemakkelijk, een lange ladder op te klimmen, wanneer men zwaar beladen is!”

“Welnu, Pencroff, wij zullen ons best doen u tevreden te stellen,” antwoordde Cyrus Smith.

“Maar gij hebt geen machine tot uw beschikking?”

“Wij zullen er een maken.”

“Een stoommachine?”

“Neen, een watermachine.”

Om zijn toestel te bewegen, had de ingenieur inderdaad een natuurkracht tot zijn beschikking, waarvan hij zonder veel moeite gebruik zou kunnen maken.

Daarvoor was het voldoende den uitloozingsmond, die het water binnen het Rotshuis bracht, te vergrooten, en den stroom te bezigen als beweegkracht voor een hydraulisch toestel, wat hem zonder veel moeite gelukte. Pencroff althans was volkomen bevredigd.

Den 17den Maart werd het hijschtoestel voor het eerst gebruikt tot groote voldoening der kolonisten. Van dat oogenblik af werd alles opgeheschen, hout, steenkolen en provisie, en ook de kolonisten zelven maakten van dat eenvoudige toestel gebruik, dat de ladder verving, welke door niemand betreurd werd. Top vooral was verrukt over deze verbetering, want hij bezat niet die handigheid van Jup in het beklimmen van een ladder, en zelfs was hij verscheiden malen op den rug van Nab en zelfs op dien van den aap naar het Rotshuis geklommen.

Cyrus Smith beproefde tegen dien tijd glas te vervaardigen, maar hij moest eerst den ouden steenoven in orde brengen voor deze nieuwe proeven. Dit bracht vrij groote moeilijkheden met zich; maar na vele vruchtelooze pogingen, slaagde hij er eindelijk in, een kleine glasfabriek in orde te maken, welke Gideon Spilett en Harbert, de aangewezen helpers van den ingenieur, gedurende eenige dagen niet verlieten.

Wat de zelfstandigheden betreft die voor het samenstellen van het glas noodig waren, zij bestonden hoofdzakelijk uit zand, krijt en soda. Het strand leverde zand, de kalk verschafte krijt, de zeeplanten gaven soda; zwavelzuur was in overvloed voorhanden in de metaalverbindingen en de grond bevatte genoeg steenkolen om den oven tot op den vereischten warmtegraad te verhitten. Cyrus Smith zag zich dus van alles voorzien wat voor de bewerking noodig was.

Het werktuig dat de grootste moeilijkheid opleverde, was de glastang, een ijzeren buis, vijf à zes voet lang, die dient om de geblazen voorwerpen aan te vatten. Maar met een lange dunne ijzeren strook, die als de loop van een geweer gerold werd, slaagde Pencroff er in, deze tang te vervaardigen, en zij werd weldra in gebruik gesteld.

Den 28sten Maart werd de oven gloeiend gestookt. Honderd deelen zand, vijf en dertig krijt, veertig soda, vermengd met drie of vier deelen fijn gestampte deelen steenkool. Dit alles samen maakte de zelfstandigheid uit, die in de aarde potten werd gestort. Toen de hooge warmtegraad van den oven die stoffen vloeibaar had doen worden of liever in deeg had veranderd, “plukte” Cyrus Smith met zijn tang een zekere hoeveelheid van dit deeg; hij rolde het heen en weer over een metalen plaat, die daarvoor bestemd was om het den vorm te geven, die voor het blazen vereischt werd; toen gaf hij de pijp aan Harbert, en beval hem door het andere uiteinde te blazen.

“Alsof ik bellen blaas?” vroeg de knaap.

“Net zoo,” antwoordde de ingenieur.

Acht dagen later zag men reeds een kiel van 35 voet lengte. Blz. 215.
Acht dagen later zag men reeds een kiel van 35 voet lengte. Blz. 215.

Acht dagen later zag men reeds een kiel van 35 voet lengte. Blz. 215.

En Harbert blies zijn wangen op, blies en blies zoo goed in de buis, terwijl hij onder de hand zorgde deze onophoudelijk rond te draaien, dat de glazen massa uit elkander ging en opzwol. Een andere hoeveelheid deeg werd bij de eerste gevoegd en men verkreeg spoedig een bol, waarvan de middellijn ongeveer een voet bedroeg. Toen nam Cyrus Smith de buis uit de handen van Harbert en door haar een slingerende beweging te laten ondergaan, slaagde hij er in de bel zoodanig te verlengen, dat men haar den vorm van een kegelvormigen cylinder geven kon.

Door het blazen had men dus een glazen cylinder verkregen, eindigende in twee halve bollen, die gemakkelijk er van af werden genomen, door een scherp ijzer, dat men in koud water had gedompeld. Daarop werd door dezelfde methode de kegel overlangs doorgesneden en nadat men hem door eene tweede verhitting wederom kneedbaar had gemaakt, werd hij op een plaat gelegd en plat gestreken met een houten rol.

De eerste ruit was dus vervaardigd, en men moest slechts vijftig maal dezelfde bewerking herhalen om vijftig ruiten te krijgen. De vensters van het Rotshuis waren weldra van doorschijnende schijven voorzien, misschien niet zeer helder, maar toch genoeg licht doorlatende.

Wat glazen en flesschen betreft, dit had niets te beteekenen. Men gebruikte ze overigens zooals ze aan het einde van de pijp geblazen werden. Pencroff had als gunst gevraagd, ook eens te mogen blazen, en het was voor hem een waar genot, maar hij blies zoo hard, dat hij de koddigste figuren te voorschijn bracht, die hij zelf steeds met de grootste opgetogenheid bewonderde.

Op een van de tochten werd er een nog niet bekende boom ontdekt, waarvan de vruchten een nieuwe bron van voeding voor de kolonie opleverde.

Cyrus Smith en Harbert waagden zich eens op jacht in het bosch van het Verre Westen, op den linkeroever van de Mercy, en zooals altijd had de knaap honderden vragen aan den ingenieur te doen, waarop deze steeds even bereid was te antwoorden. Maar het is met de jacht even als met alles hier op aarde: als men er niet den waren lust bij heeft, loopt men veel gevaar met ledige weitasch thuis te komen. Daar Cyrus Smith nu volstrekt geen jager was en Harbert van zijn kant over schei- en natuurkunde sprak, kwamen er dien dag menig kangaroe, moeraszwijn en konijn binnen hun bereik, dat aan het geweer van den knaap ontsnapte. Dit had ten gevolge, dat de dag reeds ver gevorderd was en de jagers veel kans hadden een vergeefschen tocht te hebben gedaan, toen Harbert met een kreet van vreugde stilstond en uitriep:

“Mijnheer Cyrus! ziet gij dien boom?”

Het was eer een struik waarop hij wees dan een boom, want het was slechts een enkele stengel, met een geschubde bast bekleed, waaraan gestreepte bladeren groeiden.

“Wat is dat voor een boom, die zooveel op een kleinen palmboom gelijkt?” vroeg Cyrus Smith.

“Het is een “cycas revoluta”, waarvan ik een afbeeldsel in onzen atlas over de natuurlijke historie heb!”

“Maar ik zie geen vruchten aan dezen struik?”

“Neen, mijnheer Cyrus,” antwoordde Harbert, “maar de stronk bevat een soort meel, dat de natuur ons gemalen verschaft.”

“Het is dus de broodboom?”

“Ja! de broodboom.”

“Dat is een kostbare ontdekking, mijn jongen, in afwachting van onzen oogst. Aan het werk, en de hemel geve, dat gij u niet bedrogen hebt!”

Harbert had zich niet bedrogen. Hij brak den stengel van een der “cycas”, die uit een kleiachtig weefsel bestond en een zekere hoeveelheid fijn meel bevatte. Dit was echter vermengd met een slijmerig sap van onaangenamen smaak, maar dat door sterke drukking verwijderd kon worden. Het meel was overigens van de beste soort en zeer voedzaam, voorheen werd de uitvoer er van door de japaneesche wetten verboden.

Nadat Cyrus Smith en Harbert nauwkeurig hadden opgenomen in welk gedeelte van het bosch deze cycas groeiden, maakten zij herkenningsteekens en keerden naar het Rotshuis terug, waar zij hunne ontdekking meedeelden.

Den volgenden morgen gingen de kolonisten den oogst halen, en Pencroff, die hoe langer hoe meer met zijn eiland begon te dweepen, zeide tot den ingenieur:

“Mijnheer Cyrus, gelooft gij, dat er eilanden voor schipbreukelingen zijn?”

“Wat bedoelt gij daarmee, Pencroff?”

“Ik meen, eilanden, die opzettelijk, geschapen zijn opdat men er gemakkelijk schipbreuk zou kunnen lijden, en waarop arme stakkers zich altijd uit den nood kunnen redden!”

“Dat is wel mogelijk,” antwoordde de ingenieur lachende.

“Dat is zeker, mijnheer,” hernam Pencroff, “en het is even zeker dat het eiland Lincoln een van die eilanden is.”

Zij kwamen in het Rotshuis met een grooten oogst van cycas-stengels terug. De ingenieur vervaardigde een pers om er het slijmachtige sap uit te persen en hij verkreeg een aanzienlijke hoeveelheid meel, dat, onder de handen van Nab, in gebakken brood veranderde. Het was nog niet het ware tarwebrood, maar het verschil was toch gering.

De onagga, de schapen en de geiten van de kraal verschaften nu ook dagelijks in overvloed melk aan de kolonie. De kar, of liever de lichte kariool, die deze vervangen had, deed verscheiden tochten naar de kraal, en wanneer het de beurt van Pencroff was nam hij Jup mede en hij liet deze mennen, van welke taak de aap zich onder het klappen van zijn zweep, even uitmuntend als van alle andere kweet.

Alles ging dus naar wensch, zoowel in de kraal als in het Rotshuis, en de kolonisten hadden zich waarlijk over niets te beklagen, zoo het niet ware dat zij steeds ver van hun dierbaar vaderland verwijderd bleven. Zij waren zoo goed voor dat leven geschikt en hadden zich zoozeer aan het eiland gehecht, dat zij zijn gastvrijen bodem niet zonder spijt zouden verlaten hebben!

En toch is de liefde tot het vaderland bij den mensch zoo diep geworteld, dat wanneer er onverwacht een schip in het gezicht ware gekomen, de kolonisten seinen zouden gegeven hebben, het tot zich hadden geroepen en vertrokken zouden zijn.... In afwachting leefden zij gelukkig, en zij vreesden meer dan zij wel wenschten, dat een onverwachte gebeurtenis hen mocht storen.

Maar wie kan er zich op beroemen de fortuin aan banden gelegd te hebben en buiten bereik van haar tegenspoeden te zijn!

Hoe het ook zij, het eiland Lincoln, dat de kolonisten sedert meer dan een jaar bewoonden, was dikwijls het onderwerp van hun gesprek, en eens werd een opmerking gemaakt, die later gewichtige gevolgen zou hebben.

Het was op den 1sten April, eersten Paaschdag, dien Cyrus Smith en zijne lotgenooten gevierd hadden als een rustdag en een dag des gebeds. Het weder was zoo schoon als men dit kon verlangen; het was als in October in noordelijke streken.

Tegen den avond, na het middagmaal waren allen onder de veranda bijeen aan den zoom van de bergvlakte en zij zagen den nacht aan den horizon nederdalen. Nab had eenige kopjes van het aftreksel van vlier, dat als koffie diende, rondgediend. Zij spraken over het eiland, over zijn verlaten ligging in de Stille Zee, toen Gideon Spilett zeide:

“Mijn waarde Cyrus, hebt gij de ligging van ons eiland wel weder waargenomen nadat gij den sextant bezat, dien wij in de kist gevonden hebben?”

“Neen,” antwoordde de ingenieur.

“Maar het zou misschien niet kwaad zijn het nog eens te doen, met dat instrument dat beter is dan hetgeen gij gebruikt hebt.”

“Waartoe?” zeide Pencroff. “Het eiland ligt toch nu waar het toen ook lag.”

“Ongetwijfeld,” hernam Gideon Spilett, “maar het zou kunnen gebeuren, dat het gebrekkige der toestellen schade had gedaan aan de juistheid van de waarnemingen, en daar het niet moeielijk is zekerheid daaromtrent te verkrijgen....”

“Gij hebt gelijk, Spilett,” antwoordde de ingenieur, “en ik had dit reeds eerder moeten inzien, maar heb ik mij al vergist, dan kan dit toch niet meer dan vijf graden in lengte of breedte zijn.”

“Wie weet?” hernam de correspondent, “of wij niet veel dichter bij een bewoond land zijn dan wij dachten.”

“Welk een monster?” riep Nab uit. Blz. 220.
“Welk een monster?” riep Nab uit. Blz. 220.

“Welk een monster?” riep Nab uit. Blz. 220.

“Dit zullen wij morgen weten,” antwoordde Cyrus Smith, “en had ik niet zooveel te doen gehad, dan zouden wij het nu reeds geweten hebben.

“Och,” zeide Pencroff, “mijnheer Cyrus is een te goed waarnemer om zich vergist te hebben; indien het niet van plaats veranderd is, dan moet het eiland nog liggen, waar hij gezegd heeft dat het lag!”

“Wij zullen zien.”

Den volgenden morgen nam de ingenieur met behulp van zijn sextant de noodige waarnemingen om te zien of zijn reeds verkregen uitkomsten goed waren en ziehier het resultaat van zijne proef:

Door zijn eerste waarneming had hij verkregen dat de ligging van het eiland Lincoln was:

150° à 155° westerlengte; 30° à 35° zuiderbreedte.

Door zijn tweede verkreeg hij nauwkeurig:

150° 40′ westerlengte; 34° 57′ zuiderbreedte.

Cyrus Smith had dus, ondanks zijn gebrekkige instrumenten, zoo goed waargenomen, dat hij zich nog geen vijf graden vergist had.

“Nu wij, evenals een sextant, ook een atlas bezitten,” zeide Gideon Spilett, “laten wij nu eens nagaan, Cyrus, welke plaats het eiland Lincoln in de Stille Zee inneemt.”

Harbert ging den atlas halen, die in Frankrijk uitgegeven was en waarop dus de namen in het Fransch waren aangegeven.

De kaart van de Stille Zee werd opgeslagen en de ingenieur was gereed om met zijn passer in de hand de ligging te bepalen.

Plotseling hield hij den passer onbeweeglijk in zijn hand en hij riep uit:

“Maar er bestaat reeds een eiland in dit gedeelte der Stille Zee!”

“Een eiland?” vroeg Pencroff.

“Zeker het onze?” antwoordde Spilett.

“Neen,” hernam Cyrus Smith. “Dit eiland is gelegen op 153° lengte en 37° 4′ breedte, dat is te zeggen, twee en een halven graad westelijker en twee graden zuidelijker dan het eiland Lincoln.”

“En welk is dat eiland?” vroeg Harbert.

“Het eiland Tabor.”

“Een eiland van eenige beteekenis?”

“Neen, een verloren eilandje in de Stille Zee, op welks bodem misschien nog nooit een voet is gezet.”

“Dan zullen wij dien voet zetten,” zeide Pencroff.

“Wij?”

“Ja, mijnheer Cyrus. Wij zullen een schip met een dek bouwen, en ik belast mij met het besturen er van.—Hoe ver zijn wij van dat eiland verwijderd?”

“Ongeveer honderd vijftig mijlen noordoostelijk,” antwoordde Cyrus Smith.

“Honderd vijftig mijlen! Wat beteekent dat nu?” antwoordde Pencroff. “Die leggen wij, bij gunstigen wind, in acht en veertig uur af!”

“Maar waartoe zou dat dienen?” vroeg de verslaggever.

“Men kan nooit weten!”

Er werd besloten een vaartuig te maken om tegen de volgende maand October zee te kunnen kiezen, wanneer het zachte jaargetijde zou zijn aangebroken.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings