← Table of contents
Het Geheimzinnige Eiland

XIII.

Gerard Keller translation

Wat men bij Top vindt.—Het vervaardigen van pijl en boog.—Een steenbakkerij.—Keus en raad.—De eerste “pot op ’t vuur.”—De bijvoet.—Het zuiderkruis.—Eene belangrijke astronomische waarneming.

“Welnu, mijnheer Cyrus, waar moeten wij mede beginnen?” vroeg Pencroff den volgenden morgen aan den ingenieur.

“Met het begin,” antwoordde Cyrus Smith.

En het was inderdaad letterlijk waar dat de kolonisten met het begin moesten beginnen. Zij bezaten zelfs de noodige gereedschappen niet om gereedschappen te maken, en zij bevonden zich niet in den toestand der natuur, die de wet volgt: “tijd spaart arbeid.” Tijd ontbrak hun, omdat zij dadelijk moesten voorzien in al hunne levensbehoeften, en moesten zij al niet alles uitvinden, zij moesten toch alles samenstellen. Hun ijzer en hun staal waren nog slechts delfstoffen, hunne potten en pannen nog slechts klei, hun linnen en kleederen moesten nog gesponnen worden.

Men moet echter bekennen, dat die kolonisten “mannen” waren in de schoone en krachtige beteekenis van het woord. De ingenieur Smith kon door geen handiger metgezellen bijgestaan worden, noch met meer toewijding en ijver. Hij had hen beproefd. Hij wist wat zij vermochten. Het zou werkelijk moeite kosten vijf menschen bijeen te brengen, die beter geschikt waren te strijden tegen het noodlot en zekerder waren daar over te zegepralen.

“Met het begin,” had Cyrus Smith gezegd. Het begin, waarvan de ingenieur sprak, was het vervaardigen van een toestel, dat dienen kon om hetgeen de natuur verschafte in andere vormen te brengen. Men kent de rol, die de warmte speelt bij deze verandering van vorm. Dus brandstoffen als hout en steenkool waren reeds aanstonds bruikbaar. Men moest slechts een oven samenstellen om ze aan te wenden.

“Waartoe moet die oven dienen?” vroeg Pencroff.

“Om potten te maken, die wij hoog noodig hebben,” antwoordde Cyrus Smith.

“En waarmede zullen wij den oven maken?”

“Met steenen.”

“En deze steenen?”

“Van klei. Vooruit dan vrienden. Om het vervoeren te voorkomen, zullen wij onze werkplaats aanleggen op de plaats, waar wij de grondstoffen vinden. Nab zal voor provisie zorgen en vuur zal ons niet ontbreken om onze spijzen te bereiden.”

“Neen,” antwoordde de correspondent, “maar als wij gebrek aan spijs krijgen, omdat wij geen wapen voor de jacht hebben?”

“Hadden wij maar een mes!” riep de zeeman uit.

“Wat dan?” vroeg Cyrus Smith.

“Dan maakte ik spoedig pijl en boog, en wij zouden wild in overvloed hebben.”

“Ja, een mes, een snijdend werktuig....” zeide de ingenieur in zichzelf sprekend. Op hetzelfde oogenblik viel zijn blik op Top, die aan den oever van de rivier heen en weer snuffelde. Smith scheen plotseling op een inval te komen:

“Top, hier!” riep hij.

Op het bevel van zijn meester snelde de hond toe. Deze nam den kop van Top tusschen zijn handen, ontdeed hem van de halsband, die het dier droeg, brak deze in twee stukken en zeide:

“Hier hebt ge twee messen, Pencroff!”

Twee vreugdekreten waren het antwoord van den zeeman. De halsband van Top bestond uit een smalle band hard staal. Het moest dus slechts op een biksteen geslepen worden; de rotsen van dit fijne zand waren talloos langs de kust en twee uur later bestonden de werktuigen van de kolonie in twee scherpe messen, waarvoor men gemakkelijk twee sterke heften had kunnen vinden.

Het bezit van dit eerste werktuig werd als een overwinning beschouwd; het was inderdaad een zeer gewichtige overwinning, die hoogst welkom was.

De tocht werd aanvaard. Onderweg ontdekte Harbert een boom, waarvan de Indianen in Zuid-Amerika de takken gebruiken om hunne bogen te maken. Het was de “crejimba” een soort van palmboom, die geen eetbare vruchten oplevert. Lange, rechte takken werden afgebroken, ontbladerd en aan de uiteinden dunner gesneden dan in het midden, zoodat men nog slechts een plant moest vinden, geschikt om er de pees van te vervaardigen. Deze werd verschaft door een soort van maluweplant, die bijzonder sterke vezels levert, welke te vergelijken zijn met de zenuwen van een dier. Op deze wijze verkreeg Pencroff een boog van vrij groote kracht, waaraan nog slechts de pijlen ontbraken. Die pijlen zouden geen moeielijkheid opleveren; er waren rechte takken zonder knoesten in overvloed, maar een zelfstandigheid, welke het ijzer moest vervangen aan de punt was moeilijker te vinden. Pencroff beweerde echter, dat nu hij zijn deel aan het werk gedaan had, het toeval het overige wel zou doen.

Drie duizend steenen werden vervaardigd. Blz. 73.
Drie duizend steenen werden vervaardigd. Blz. 73.

Drie duizend steenen werden vervaardigd. Blz. 73.

De kolonisten kwamen op het terrein, dat zij den vorigen avond opgenomen hadden. Het bestond uit zachte klei, die gebruikt wordt om steenen en pannen te bakken en bijgevolg uitmuntend geschikt was voor het werk dat men ging ondernemen. Men bracht er zand bij om ze vaster te maken; de steenen werden gevormd en boven een vuur van takkebossen gebakken. Die dag en de volgende werden met dezen arbeid doorgebracht. Een geoefend werkman kan, zonder machine, in vier en twintig uur tien duizend steenen vormen; maar in de twee dagen, welke de vijf steenbakkers van het eiland Lincoln werkten, vervaardigden zij er niet meer dan drie duizend, die bij elkander gezet werden, totdat het aantal voldoende zou zijn om ze te bakken, hetgeen nog drie à vier dagen zou duren.

Cyrus Smith begon den 2den April de ligging van het eiland tot zijn ernstig onderzoek te maken.

Den vorigen avond had hij nauwkeurig aangeteekend, op welk uur de zon achter den horizon verdwenen was, de straalbreking in aanmerking nemende. Dien morgen ging hij met niet minder juistheid het uur na, waarop zij weder verrees. Er waren twaalf uur, vier en twintig minuten voorbijgegaan tusschen dat op- en ondergaan. Dien dag zou de zon dus zes uur twaalf minuten na haar opkomst den meridiaan passeeren en het punt, dat zij op dat oogenblik aan den hemel zou innemen, zou het noorden zijn.

Op het bepaalde uur nam hij het punt waar, plaatste twee boomen zoodanig, dat zij hem als baken konden dienen en verkreeg aldus een onveranderlijke meridiaan voor zijn verdere waarnemingen.

De twee dagen, welke aan het bakken van de steenen voorafgingen, werden doorgebracht met het bijeenzoeken van brandstoffen. In het bosch werden takken gesneden en al het gevallen hout opgeraapt. Middelerwijl werd er in de omstreken gejaagd, te meer daar Pencroff nu in het bezit was van een boog en eenige dozijnen pijlen met scherpe punt. Top had deze punten verschaft door het aanbrengen van een stekelvarken, dat als wild niet veel waarde had, maar van onbetwistbaar nut was wegens de scherpe stekels, waarmede het was overdekt. De punten werden stevig aan de pijlen bevestigd en de verslaggever en Harbert waren spoedig een paar geoefende schutters, zoodat er steeds wild in overvloed was. Hoe lekker en smakelijk het ook gereed werd gemaakt, het was toch altijd maar wild en nog eens wild, en de kolonisten zouden overgelukkig zijn geweest als zij weer het gekook van een eenvoudigen pot gehoord hadden; maar men moest wachten tot de pot gemaakt was en bijgevolg tot dat de oven gereed zou zijn.

Op de tochten die zich tot een nauwen kring om de steenbakkerij beperkten, zagen de jagers versche sporen van groote dieren met sterke klauwen; zij konden echter nog niet bepalen tot welke soort deze behoorden. Cyrus Smith beval de grootste voorzichtigheid aan, want het was wel waarschijnlijk dat er in het bosch eenige wilde dieren zouden schuilen. En hij had gelijk. Gideon Spilett en Harbert zagen op een dag inderdaad een dier, dat veel overeenkomst had met een jaguar. Het viel gelukkig niet op hen aan, want zij zouden er misschien niet dan met eenige ernstige wonden zijn afgekomen. Maar Gideon Spilett nam zich vast voor aan alle wilde dieren een oorlog op leven en dood te verklaren en er het eiland van te zuiveren, zoodra hij in het bezit zou zijn van een deugdelijk wapen, dat is te zeggen, van een van die geweren, waarop Pencroff aanspraak maakte.

Reeds vroeg in den morgen van 6 April waren de ingenieur en zijn lotgenooten bijeen op een open plek in het bosch, waar men de steenen zou bakken. Dit moest natuurlijk in de open lucht geschieden en niet in ovens of liever de opeenhooping van de steenen zou een reusachtige oven zijn, die zich zelf zou bakken. De brandstoffen, welke uit takkebossen bestonden, werden op den grond gelegd en daarom heen plaatste men verscheidene rijen droge steenen, die weldra een grooten kubus vormden, waarin men luchtgaten maakte. Met dit werk ging een gansche dag voorbij en eerst ’s avonds kon men de takkebossen aansteken.

Dien nacht legde niemand zich te slapen, en men waakte zorgvuldig, dat het vuur niet verflauwde. Acht en veertig uur bracht men in gespannen verwachting door, maar zij hadden de voldoening dat hun werk uitmuntend geslaagd was. Aan de rookende massa moest vervolgens tijd tot afkoeling gelaten worden en Nab en Pencroff vervoerden intusschen, door Smith geleid, op een draagbaar van takken gevlochten, een groot aantal steenen, waarvan het voornaamste bestanddeel koolzure kalk was, en welke steenen in overvloed op den noordelijken oever van het meer gevonden werden.

Toen deze steenen door de warmte ontleed werden, verkreeg men dikke ongebluschte kalk, die zeer sterk uitzette toen zij gebluscht werd, en even zuiver was alsof zij verkregen was door de verkalking van krijt en marmer. Met een weinig zand gemengd om het te sterk indrogen er van te beletten, leverde deze kalk een voortreffelijke metselspecie.

Den 9den April was de ingenieur in het bezit van eene goede hoeveelheid bereide kalk en eenige duizenden steenen.

Zonder een oogenblik verloren te laten gaan, begon men aan het samenstellen van een oven, die moest dienen tot het bakken van verscheidene potten en pannen, voor huiselijk gebruik onmisbaar. Daarin slaagde men zonder groote moeielijkheid. Vijf dagen later was de oven gevuld met steenkolen, waarvan de ingenieur een laag ontdekt had aan den mond van de Roode Beek en de eerste rookwolken stegen op uit een schoorsteen van ongeveer twintig voet hoog. De open plek in het bosch was in een werkplaats herschapen en Pencroff was overtuigd, dat uit dezen oven alle voortbrengselen van de tegenwoordige nijverheid te voorschijn zouden komen.

Het eerst werden er potten en pannen gebakken om de spijzen van de kolonisten te bereiden. De vorm was nog wel gebrekkig, maar zij beantwoordden aan hun doel, en dit was het voornaamste.

Pencroff wilde zich overtuigen of de aarde, toebereid, zooals zij dit was om de pannen te bakken, de naam van “pijpaarde”, welke er aan gegeven was, verdiende; hij maakte daarom eenige grove pijpen, die hij prachtig vond, maar waaraan de tabak, helaas, ontbrak! Een gemis, dat Pencroff onophoudelijk gevoelde.

“Maar, evenals al het andere, zal de tabak ook wel komen!” riep hij bij herhaling met het volste vertrouwen uit.

Tot den 15den April hield deze arbeid aan. Nu de kolonisten pottenbakkers waren geworden, deden zij ook niets anders dan potten bakken. Wanneer Cyrus Smith het oogenblik gekomen zou achten hen in smeden te veranderen, zouden zij smeden zijn. Maar den volgenden dag was het Zondag en wel de eerste Paaschdag en allen kwamen overeen dien dag te vieren door rust te nemen.

De oven doofde uit en de potten werden naar de Schoorsteenen meegenomen. Op den terugtocht deed de ingenieur een belangrijke ontdekking; hij vond namelijk een zelfstandigheid, die geschikt was om de zwam te vervangen. Hij nam er een zekere hoeveelheid van in zijn hand en liet die Pencroff zien, welke, vervuld als hij was met de tabak, niet anders dacht of het was die, volgens hem, onmisbare plant.

“Neen,” antwoordde Cyrus Smith, “voor de geleerden is dit de chineesche bijvoet, en voor ons zal het zwam zijn.”

Deze bijvoet was inderdaad een zeer brandbare stof, als zij goed gedroogd was en vooral later, toen de ingenieur haar in salpeterzure potasch dompelde, die overvloedig op het eiland gevonden werd, en niets anders is dan salpeter.

Nab zorgde dien avond voor een goed maal, waarbij het brood, dat nog steeds aan de kolonisten ontbrak, vervangen werd door de gekookte wortelknollen van de “caladium macrorhizum,” een niet-kruid-aardige plant, die onder de keerkringen den vorm van een boom heeft.

Vóór zij slapen gingen, wilden de kolonisten nog eens van het prachtige weer genieten. Cyrus Smith was reeds geruimen tijd in gedachte verzonken, toen hij plotseling aan Harbert vroeg:

“Hebben wij vandaag niet den 15den April?”

“Ja, mijnheer Cyrus,” antwoordde Harbert.

“Welnu, wanneer ik mij niet vergis, is het morgen een van die vier dagen van het jaar, waarop de ware tijd samenvalt met den gemiddelden tijd, dat is te zeggen, mijn jongen, dat de zon morgen, op eenige seconden na, den meridiaan zal passeeren, juist wanneer onze uurwerken den middag aanwijzen. Indien het weer dan gunstig is, hoop ik ongeveer de geographische lengte van het eiland te kunnen bepalen.”

“Zonder instrumenten, zonder sextant?” vroeg Gideon Spilett.

“Ja,” hernam de ingenieur. “En daar de nacht helder is, wil ik nog dezen avond de breedte trachten te bepalen door de hoogte te berekenen van het Zuiderkruis. Het is namelijk niet voldoende, dat wij weten, dat dit land een eiland is, wij moeten zoo nauwkeurig mogelijk berekenen op welken afstand het gelegen is, hetzij van de Amerikaansche, hetzij van de Australische kust of van de voornaamste eilanden van de Stille Zee.”

Er werden potten en pannen gebakken. Blz. 75.
Er werden potten en pannen gebakken. Blz. 75.

Er werden potten en pannen gebakken. Blz. 75.

“Inderdaad,” zei de correspondent. “Wij konden er wel eens meer belang bij hebben een schip dan een huis te bouwen, wanneer wij bij toeval op een honderd mijlen van een bewoonde kust zijn.”

“Daarom zal ik dezen avond de breedte en morgen de lengte van het eiland Lincoln trachten te bepalen.” Inderdaad berekende hij, alleen op de gegevens door Harbert medegedeeld, door het stellen van staken, de juiste ligging van het eiland.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings