VI.
Gerard Keller translation
De inventaris der schipbreukelingen.—Niets.—Gebrand linnen.—Een tocht door het bosch.—De bloem der groene boomen.—Het boomkruipertje.—Sporen van wilde dieren.—Koeroekoes.—Schildpadden.—Zonderlinge vangst met een hengel.
De inventaris van al wat de schipbreukelingen, op dit verlaten eiland geworpen, bezaten, was spoedig opgemaakt.
Zij hadden niets dan de kleeren, die zij droegen, toen hen het onheil trof. Toch had Gideon Spilett, bij ongeluk zeker, een opschrijfboekje en een horloge behouden, maar overigens was er geen wapen, geen werktuig, zelfs geen zakmes te vinden. De reizigers in het bootje hadden alles overboord geworpen om het luchtschip lichter te maken.

“Ik ben nog nooit zoo ontroerd geweest.” Blz. 28.
De denkbeeldige helden van Daniël de Foe of van Wyss, zoowel als de Selkirken en de Raynals, die schipbreuk leden op de Juan-Fernandez eilanden of in den archipel der Auckland eilanden, waren nooit zoo geheel en al van alles beroofd of zij vonden toereikende hulpmiddelen in hun gestrand schip, of hadden een voorraad graan, vee, werktuigen en kruit en lood. Of wel er dreef een wrak naar de kust, dat hen van de eerste levensbehoeften voorzag. Zij bevonden zich niet zoo terstond geheel ongewapend tegenover de natuur. Hier echter was geen enkel stuk gereedschap, geen werktuig. Maar vóor alles moesten zij zich vestigen op dit gedeelte der kust, zonder eerst te onderzoeken tot welk land zij behoorden, of het bewoond werd, dan wel slechts het strand van een onbewoond eiland uitmaakte.
Dit was een gewichtige vraag, die zoo spoedig mogelijk moest opgelost worden. Toen dit besluit genomen was, moest men slechts voor het dadelijk noodige zorgen. In elk geval volgde men den raad van Pencroff op, die het geschikter vond nog eenige dagen te wachten, voor men tot een onderzoek overging. Men moest toch eenige levensmiddelen bereiden en zich versterkender voedsel verschaffen dan eieren en schelpdieren.
De schoorsteenen boden voor het oogenblik een voldoende schuilplaats aan. Nu het vuur eenmaal brandde, viel het hun niet moeielijk dit te onderhouden. Voor ’s hands hadden zij geen gebrek aan schelpdieren en eieren, die zij op de rotsen en het strand vonden. Nu en dan gelukte het hun eenige duiven te vangen, die bij honderden over de bergvlakte vlogen, en die zij dan met stokken of steenen doodden. Misschien zouden de boomen van het naburige bosch hun wel van eetbare vruchten voorzien. En eindelijk had men hier toch zoet water. Men kwam dus overeen, dat men nog eenige dagen in de schoorsteenen zou blijven om zich tot een ontdekkingstocht gereed te maken, hetzij langs de kust, hetzij in het binnenste gedeelte van het eiland.
Zeer vroeg in den ochtend van den 26sten Maart was Nab, die niet aan den dood zijns meesters geloofde, de noordelijke richting van het eiland gevolgd en hij was teruggekeerd naar het punt, waar de zee den ongelukkigen Smith vermoedelijk had verzwolgen.
Toen zij dien dag het middagmaal gebruikt hadden, vroeg Pencroff aan den reporter of deze hen naar het bosch wilde vergezellen, daar Harbert en hij van plan waren te gaan jagen?
Maar alles wel overlegd, moest er toch iemand thuis blijven, om het vuur te onderhouden, en ook voor het geval dat zich misschien mocht voordoen, hoewel het zeer onwaarschijnlijk was, dat Nab hulp noodig had. De reporter bleef dus.
“Op jacht, Harbert,” zeide de matroos. “Wij zullen wel op onzen weg jachtgereedschap vinden en ons in het bosch van een geweer voorzien.”
Maar op het oogenblik dat zij zouden vertrekken, merkte Harbert op dat zij geen zwam hadden en misschien verstandig handelden tondel mede te nemen.
Het was toen negen uur in den morgen. Het weer was onstuimig en de wind blies uit het zuidoosten.
Harbert en Pencroff sloegen den hoek van de schoorsteenen om, maar wierpen eerst een blik op den rook, die boven de rots opsteeg; daarop volgden zij den linker oever der rivier.
Toen zij in het bosch kwamen, was Pencroffs eerste werk om twee stevige takken af te breken, die hij tot knuppels maakte, en waaraan Harbert tegen een rots een punt sleep. Wat zou hij niet hebben willen geven om een mes te bezitten! Daarop gingen zij in het hooge gras, terwijl zij den steilen oever volgden.
De zeeman beschouwde intusschen aandachtig de gesteldheid en de natuur van het land. In het bosch, zoowel als aan de kust, was geen spoor van eenig menschelijk wezen te ontdekken. Pencroff zag slechts sporen van viervoetige dieren, maar tot welke soort die behoorden, kon hij niet nagaan.
Zéér zeker—en dit meende Harbert ook—waren er eenige verslindende dieren, waarmede zij ongetwijfeld ook nog te strijden zouden hebben; maar nergens was de houw van een bijl op een boomstam te vinden, noch de overblijfselen van een uitgedoofd vuur, noch de indruk van een voetstap. Dit was misschien nog gelukkig, want op dit eiland, in het midden van den Stillen Oceaan, was de tegenwoordigheid van een mensch meer te vreezen dan te wenschen.
Harbert en Pencroff spraken weinig, want de moeielijkheden, die de weg opleverde waren talrijk en zij vorderden slechts zeer langzaam. Na een uur loopen hadden zij nog nauwelijks een mijl afgelegd.
Tot nog toe had de jacht weinig opgeleverd. Soms hoorden zij eenige vogels zingen en zagen ze tusschen het groen fladderen, waarop ze dan zeer verschrikt wegvlogen alsof de mensch hun een instinctmatigen angst inboezemde.
Onder het gevogelte herkende Harbert, in een zeer moerassig gedeelte van het bosch, een dier met langen spitsen bek, die veel op een ijsvogel geleek. Vooral deed hij aan dezen denken door zijn donker gevederte, waarover een metalen glans lag.
“Het moet een boomkruipertje wezen,” zeide Harbert, terwijl hij beproefde het dier te naderen.
“Dit zou een goede gelegenheid wezen, om zoo’n boomkruipertje eens te proeven,” hernam de zeeman, “zoo dat vogeltje tenminste geschikt is om gebraden te worden.”
Op hetzelfde oogenblik wierp de knaap met krachtige hand een steen, die het dier aan zijn vleugel trof; maar de worp was niet doodelijk geweest, want de boomkruiper vluchtte in allerijl en was in een oogenblik uit het gezicht.
“Domkop, die ik ben!” riep Harbert uit.
“Wel neen, beste jongen!” zeide de matroos. “Gij hebt goed gemikt en menigeen zou den vogel niet geraakt hebben. Kom, treur er maar niet over! Wij zullen hem een andermaal wel vangen!”
De ontdekkingstocht werd voortgezet. Naarmate de jagers verder kwamen, werden de boomen schaarscher maar ook prachtiger, hoewel er aan geen enkelen eetbare vruchten gevonden werden. Juist vloog er een zwerm kleine vogels, met langen staart en prachtige veeren, tusschen het geboomte op en bedekte den grond met vederen.
“Het zijn koeroekoes, nietwaar?”
“Ik zou wel zoo graag een parelhoen of een korhoen gehad hebben,” antwoordde Pencroff; “maar zij zullen toch ook lekker zijn?”
“Zij smaken uitmuntend, hun vleesch is zelfs zeer fijn,” hervatte Harbert. “En, zoo ik mij niet vergis, kan men ze gemakkelijk naderen en met een stok dooden.”
De matroos en de knaap drongen tusschen het gras door en slopen op hun teenen naar een zeer lagen tak, waarop een menigte van die vogeltjes zaten. Deze koeroekoes loeren op de kleine insecten waarmede zij zich voeden.
De jagers richtten zich op en met hun stokken, die zij als zeisen hanteeren, doodden zij geheele rijen van deze kleine vogels, die er niet aan dachten om weg te vliegen en zich argeloos lieten treffen. Een honderdtal lag reeds over den grond gestrooid, toen de overigen besloten te vluchten.
“Ziezoo,” zeide Pencroff, “nu hebben wij een wild, zooals voegt aan jagers, gelijk wij! Wij zouden ze met de hand kunnen grijpen!”
Tegen drie uur ’s middags ontdekte men een nieuwe vlucht vogels boven zekere boomen, waarvan zij de bessen afplukten, die een welriekenden geur verspreidden. Plotseling weerklonk een waar trompetgeschal door het bosch. Deze zonderlinge en helderklinkende fanfare was het gezang van hoendervogels, welke men in de Vereenigde Staten ook aantreft. Weldra kwamen er eenige te voorschijn. Pencroff achtte het noodzakelijk om zich van een dezer vogels meester te maken, die ongeveer de grootte van een kip hebben en wier vleesch even malsch als van een hoen is, maar het ging met zeer veel moeielijkheden gepaard, daar men ze niet naderen kon. Na eenige vruchtelooze pogingen, die tot geen andere uitkomst leidden dan dat zij de vogels schrik aanjoegen, zeide de matroos tot den knaap:
“Zeker moeten wij die, daar men ze niet in de vlucht kan grijpen, aan den hengel vangen.”
“Als een karper?” riep Harbert verwonderd over dit voorstel uit.
“Als een karper,” antwoordde de zeeman op ernstigen toon.

Hoezee! riep hij. Blz. 34.
Pencroff had in het gras een zestal nestjes dezer vogels gevonden en in elk lagen twee a drie eieren. Hij zorgde wel dat hij deze nestjes niet aanraakte, daar ongetwijfeld de eigenaars wel er in terug zouden keeren. Om hen te vangen zou hij een net spannen, met een lokaas er in. Hij wenkte Harbert op korten afstand van de nestjes nader te komen en bracht daar alles tot de vangst in gereedheid. Daarop verscholen zij zich beiden achter een boom, waar zij geduldig afwachtten wat gebeuren zou. Het behoeft wel niet gezegd te worden dat Harbert weinig vertrouwen stelde in de goede uitwerking van zijn toestel.
Toen een half uur verloopen was, gebeurde wat de matroos voorzien had, en keerden verscheidene vogels in hun nest terug. Zij trippelden rond en zochten op den grond hun voedsel, en schenen volstrekt de tegenwoordigheid der jagers niet te bespeuren, die dan ook wel gezorgd hadden, dat zij niet door de hoenders bemerkt konden worden.
Inmiddels kwamen de vogels langzamerhand op het lokaas af; Pencroff bewoog het nu en dan eens, alsof de wormen nog levend waren.
Zeker is het, dat zich op dat oogenblik een geheel andere gewaarwording van den matroos meester maakte dan die, welke de hengelaar gevoelen moet, daar deze zijn prooi niet onder het water zien kan.
Spoedig trok het op en neer gaan van het aas de aandacht van de hoenders en pikten zij in het lokaas. Op hetzelfde oogenblik had Pencroff er verscheidene in zijn bezit.
“Hoezee!” riep hij en snelde naar zijn buit.
Harbert klapte in de handen van vreugde over het welslagen zijner poging, want hij had nog nooit vogels met een hengel zien vangen.
Maar daar de avond begon te vallen, achtten zij het raadzamer huiswaarts te keeren, en tegen zes uur kwamen zij vermoeid in de schoorsteenen aan.