← Table of contents
Eene Egyptische Koningsdochter

Zesde hoofdstuk.

Hendrik Cornelis Rogge translation

Reeds te Ephesus ontving het jonge echtpaar het bericht van den dood van Amasis. Van daar leidde hun weg eerst naar Babylon, vervolgens naar Pasargadae in de provincie Persis, alwaar zich Cassandane, Atossa en Cresus ophielden. Eerstgenoemde had behoefte gevoeld, vóor den tocht naar Egypte, dien zij zou medemaken, het praalgraf van haar overleden echtgenoot te bezoeken, dat, volgens de mededeeling van Cresus, onlangs voltooid was. De eerwaardige vrouw, die door de kunst van Nebenchari het gezicht terug had gekregen, was hoog ingenomen, zoowel met het ontwerp, volgens hetwelk de grafstede was gebouwd, als met de uitvoering ervan, en bracht dagelijks uren achtereen door in den heerlijken tuin, die ze omgaf.

De frissche berglucht, die het graf van haar geliefden afgestorvene omgaf, deed Cassandane onbeschrijfelijk goed, en met vreugde zag zij, dat ook Atossa op deze stille, schoone plek hare oude vroolijkheid, die sedert het sterven van Nitetis en het vertrek van Darius, haar verlaten had, terugkreeg. Sappho hechtte zich zeer spoedig aan hare nieuwe moeder en zuster, en zeide evenals deze niet dan met weerzin het schoone Pasargadae vaarwel.

Darius en Zopyrus waren bij het groote leger gebleven, dat in de vlakte van den Euphraat bijeen werd getrokken, en ook Bartja moest alvorens het opbrak naar Babylon terugkeeren. Cambyzes trok zijne huiswaarts keerende betrekkingen tegemoet, en was niet uitgesproken over de schoonheid zijner jonge schoonzuster, terwijl Sappho, gelijk zij Bartja beleed, niet dan met vreeze tot den broeder van haar echtgenoot kon opzien. De koning was in weinige maanden zeer veranderd. Zijn bleek maar schoon gevormd gelaat van weleer was thans, tengevolge van het onmatig gebruik van den wijn, opgezet en rood geworden. Zijne donkere oogen hadden, ja, hun ouden gloed behouden, maar hun vuur was niet meer zoo rein als voorheen. Zijn vroeger zoo weelderig, ravenzwart haar was vergrijsd, en hing ordeloos om hoofd en kin; terwijl de zegevierende trotsche glimlach, die eens aan zijne trekken een eigenaardig karakter bijzette, plaats had gemaakt voor eene uitdrukking van gemelijkheid en norsche strengheid. Alleen gedurende zijne dronkenschap, een toestand die reeds sedert lang niet meer zeldzaam voor hem was, hoorde men hem lachen, en dan lachte hij als een waanzinnige.

»Gij weet,” zoo begon hij, »dat gij, mijne droomen uitleggende, hebt gezegd, dat Atossa bestemd was om een zoon ter wereld te brengen, die eens koning over dit rijk zal zijn. Zou ik tegen de goden zondigen, als ik mijne zuster tot vrouw nam, en verwezenlijkte wat mijn droom voorspeld heeft?”

Cambyzes liet de magiërs met rijke geschenken van zich gaan, en gaf Oropastes de uitgestrektste volmacht als stadhouder van het rijk. Vervolgens deelde hij aan zijne moeder, wier haren daarbij van ontzetting en afschuw te berge rezen, mede, dat hij, zoodra hij de Egyptenaren overwonnen en den zoon van Amasis gestraft zou hebben, voornemens was Atossa tot vrouw te nemen.

Eindelijk rukte het leger, dat meer dan achtmaal honderdduizend soldaten telde, bij afdeelingen op, en kwam na twee maanden in de Syrische woestijn aan, alwaar het de door Phanes tot bondgenooten gemaakte Arabische stammen der Amalekieten en Gessurieten vond, die de troepen van water voorzagen, dat zij op paarden en kameelen aanvoerden. Bij Akko, in het land der Kanaänieten, hadden zich de vloten der aan Perzië onderworpene Syriërs, Phoeniciërs en Ioniërs, en de evenzeer door Phanes geworvene schepen der Cypriërs en Samiërs vereenigd. Met de laatsten had hij een zeer bijzonder verbond gesloten. Polycrates namelijk had de uitnoodiging van Cambyzes, om hem met schepen bij te staan, als eene gunstige gelegenheid beschouwd, om zich op eens te ontslaan van alle burgers, die met zijne heerschappij niet tevreden waren. Daartoe liet hij veertig triëren bemannen met achtduizend Samiërs, die op hem gebeten waren, en zond deze den Perzen toe, met verzoek, niet éen dier lieden te laten terugkeeren. Nauwelijks had Phanes deze voorwaarde vernomen, of hij waarschuwde de Samiërs, die zoo den dood tegemoet gingen. In plaats van tegen Egypte op te trekken, voeren ze naar Samos terug en zochten Polycrates ten onder te brengen. Doch in een gevecht te land werden zij door hem geslagen, waarop zij naar Sparta vluchtten, om daar hulp tegen den tyran te zoeken.

Ruim een maand vóor den tijd der jaarlijksche overstrooming stonden de Perzische en Egyptische legers bij Pelusium, op de noordoostkust van den Delta, tegenover elkander.

Al de schikkingen en maatregelen van Phanes hadden zijn uitnemend doorzicht doen blijken. De tocht van het leger door de woestijn, die anders in den regel duizenden offers kostte, was ditmaal, dank den Arabieren, die aan hunne beloften getrouw gebleven waren, zonder verliezen van eenige beteekenis ten einde gebracht. Het gelukkig gekozen jaargetijde stelde de Perzen in staat langs droge wegen en zonder tijdverlies in Egypte door te dringen.

De koning had zijn Helleenschen vriend met groote onderscheiding ontvangen en hem vriendelijk toegeknikt, toen Phanes hem op eerbiedigen en tegelijk vertrouwelijken toon toeriep: »Ik heb gehoord, dat gij sedert den dood uwer schoone vriendin minder opgeruimd zijt dan gij placht te wezen. Het past den man zijn smart lang te dragen, terwijl de vrouw haar leed in onstuimige maar ras voorbijgaande klachten uitstort. Ik gevoel met u, wat er in u omgaat, want ook ik verloor het dierbaarste wat ik had. Danken wij den goden, dat zij ons de beste middelen tegen de smart, namelijk strijd en wraak schenken!”

Daarop vergezelde Phanes den vorst door het leger en naar den disch. Verbazend was de invloed, dien hij op den woesten man wist uit te oefenen. Opmerkelijk was het te zien, hoe kalm en opgeruimd de koning werd, zoodra de Athener in zijne nabijheid was.

Zoodra de beide legers tegenover elkander stonden, deed Cambyzes de struiken en boomen der uitgestrekte Pelusinische vlakte weghakken, en de zandheuvels die zich hier en daar verhieven slechten, ten einde voor zijne ruiters en strijdwagens ruim baan te maken. Phanes stond hem met zijne nauwkeurige kennis van de plaatselijke gesteldheid getrouw ter zijde, en wist te bewerken, dat zijne, met groote krijgskunde ontworpene plannen niet alleen door Cambyzes, maar ook door den grijzen opperbevelhebber Megabyzus en de meest ervarene Achaemeniden werden goedgekeurd. Zijne kennis van het terrein was van te meer waarde, omdat de vlakte van Pelusium doorsneden werd door moerassen, die door de Perzen, wilden zij den slag winnen, zorgvuldig vermeden moesten worden. Na afloop van den krijgsraad verzocht de Athener nog eens het woord, en nu sprak hij: »Thans mag ik eindelijk ook uwe nieuwsgierigheid naar den inhoud der geslotene wagens, die ik hierheen heb doen brengen, bevredigen. Die wagens bevatten vijfduizend katten.—Gij lacht! Ik verzeker u echter, dat deze dieren ons van meer nut zullen zijn dan honderdduizend zwaardvechters. Velen van u zijn bekend met het bijgeloof der Egyptenaren, dat hun eerder de hand aan hun eigen leven, dan aan dat eener kat zou doen slaan. Ik zelf heb vroeger, door het dooden van zulk een dier, bijna mijn leven verspeeld. Gedachtig aan dit bijgeloof, heb ik, waar ik ook kwam, op Cyprus bijvoorbeeld, waar men prachtige muizenvangers vindt, op Samos, Creta en in geheel Syrië, alle katten, die men maar meester kon worden, doen vangen. Thans doe ik het voorstel deze dieren te verdeelen onder de soldaten, die tegen de eigenlijke Egyptische troepen zullen worden aangevoerd, opdat zij ze dan op hunne schilden binden, en ze den Egyptenaren voorhouden. Ik ben overtuigd, dat ieder echt Egyptenaar liever het slagveld zal verlaten, dan op een dier heilige dieren schieten!”

Aan den ingang er van vond hij zijn slaaf, in vrij hevige woordenwisseling met een zwaar gebaarden, in lompen gekleeden, morsigen ouden man, die met alle geweld Phanes op staanden voet wilde spreken. Phanes, meenende een bedelaar voor zich te zien, wierp hem een goudstuk toe; doch de oude zag niet eens naar de rijke gift, die aan zijne voeten nederviel, maar riep, hem bij den mantel vattende: »Ik ben Aristomachus van Sparta!”

Nu herkende Phanes zijn vriend, die door lijden en ontbering veel had geleden, en bijna onkenbaar was geworden. Hij leidde hem in zijne tent, liet hem de voeten wasschen en het hoofd zalven, versterkte hem met wijn en vleesch, ontdeed hem van zijne lompen, en wierp hem eene nieuwe chiton om de vermagerde maar nog altijd gespierde schouders.

»Met een boog, dien ik een onzer wachters ontstolen had, voorzag ik in ons onderhoud. Waar zich geen wild opdeed, daar voedden wij ons met wortels, boomvruchten en vogeleieren. De stand van zon en sterren hielp ons den rechten weg vinden. Wetende dat de Roode Zee niet ver van de bergwerken verwijderd was, en dat wij in het zuiden van Memphis en Thebe hadden vertoefd, waren wij er op bedacht altijd noordwaarts te trekken. Eindelijk bereikten wij het zeestrand, waar wij menschlievende zeelieden vonden, die ons verpleegden, tot wij aan boord van een Arabisch schip gingen, dat mij en den Jood, die de taal dier lieden verstond, naar Ezeon-Geber, in het land der Edomieten bracht. Daar vernamen wij dat Cambyzes met een machtig leger tegen Egypte oprukte, en reisden met eene Amalekietische ruiterbende, die de Perzen van water moest voorzien, naar Harma. Van daar zwierf ik met de achterhoede van het groote Aziatische leger, bij welke ik soms medelijdende kerels vond, die mij een eindweegs op hunne paarden lieten rijden, naar Pelusium, en vernam daar dadelijk, dat gij den grooten koning als krijgsoverste diendet.—Ik heb mijn eed gehouden, en de belangen der Hellenen in Egypte getrouw behartigd; thans is de beurt aan u, den ouden Aristomachus te helpen, en hem het eenige te verschaffen, waarnaar hij smachtend verlangt: wraak op zijne vijanden!”

»Die zal u gegeven worden,” riep de Athener, terwijl hij de hand van den grijsaard drukte. »Ik zal u aan de spits der zwaargewapende Milesiërs stellen, en u volle vrijheid laten, tegen onze gemeenschappelijke vijanden te woeden zooveel gij maar wilt! Maar daarmede heb ik mij nog in lange niet van den plicht der dankbaarheid gekweten, en ik prijs de goden, dat zij mij het geluk beschoren hebben, u door een enkel woord gelukkig te maken.—Weet, dat weinige dagen na uw verdwijnen een Spartaansch schip, onder bevel van uw voortreffelijken zoon, te Naucratis is binnengeloopen, om u, den vader van twee overwinnaars in de Olympische spelen, op bevel der ephoren naar uw vaderland terug te brengen!”

Bij dit bericht voer den grijsaard eene trilling van vreugde door de leden; tranen welden er in zijne oogen, en zijne lippen prevelden zachtkens een gebed. Daarop sloeg hij zich met de vlakke hand voor het voorhoofd, en zeide met bevende stem: »Thans wordt het verwezenlijkt,—thans zal het waarheid worden!—Vergeef mij, Phoebus Apollo, dat ik aan de woorden uwe priesteres dorst twijfelen! Wat beloofde de godspraak mij?

‘Als van ’t besneeuwd gebergt een ruiterschaar komt dalen In ’t effen land, door vruchtbaar nat gedrenkt, Dan voert de ranke boot u, moe van ’t ommedwalen, Waar ’t vreedzaam oord den zwervling ruste schenkt; En van de vijf moogt gij in ’t eind verwerven Wat gij zoo lang, met rouw in ’t hart, moest derven.’

»Thans wordt vervuld, wat de god mij heeft toegezegd. Thans mag, thans wil ik naar mijn vaderland terugkeeren! Eerst echter hef ik de handen op en bid Dike, de godin der eeuwige rechtvaardigheid, dat zij mij het zalige genot der wrake niet onthoude!”

»Morgen breekt de dag der vergelding aan!” riep Phanes, met het gebed van den ouden man instemmende. »Morgen breng ik aan de schim van mijn zoon de doodenoffers, en ik zal mij niet ter ruste begeven, alvorens Cambyzes, met de door mij gepunte pijlen, het hart van Egypte heeft getroffen!—Kom thans, mijn vriend, en laat mij u aan den koning voorstellen. Een man als gij zijt drijft een ganschen hoop Egyptische slingeraars op de vlucht!”

Zoodra de lichtende Mithra boven de kim verrees, en de duistere geesten van den nacht zich in hunne holen terugtrokken, werd het heilige vuur, dat van Babylon aan de spits van het heir vooruit gedragen was, tot eene verbazende hoogte opgestookt en door de magiërs en den koning met kostbare reukwerken gevoed. Daarop bracht Cambyzes het offer, en smeekte, terwijl hij de gouden schaal ophief, om overwinning en roem.

Psamtik liet zich langs de rijen zijner dapperen rijden en hield eenige oogenblikken voor de Hellenen stil. Hij sprak hun op deze wijze toe: »Het verheugt mij, gij helden, van wier dapperheid Cyprus en Lybië getuigen kunnen, dat ik ditmaal uw roem zal mogen deelen en uwe hoofden met nieuwe kransen sieren. Vreest niet dat ik, wanneer wij onze vijanden verdelgd hebben, uwe vrijheden zal gaan verkorten. Ik weet het: lasteraars hebben u in het oor geblazen, dat gij zulk een snooden ondank van mij te verwachten hebt; ik verzeker u echter dat, zoo wij overwinnen, ik u en uwe nakomelingen op alle wijzen zal begunstigen en bevoordeelen, en de Hellenen ten allen tijde de steunpilaren van mijn rijk zal noemen! Bedenkt verder, dat gij heden niet alleen voor mij, maar voor de vrijheid van uw eigen vaderland zult strijden. Het ligt toch voor de hand dat Cambyzes, indien hij Egypte onder den voet krijgt, niet tevreden zal zijn met deze éene zegepraal, maar al spoedig de begeerige hand zal uitstrekken naar het schoone Hellas en zijne eilanden. Behoef ik u er nog op te wijzen hoe deze juist ingesloten zijn door Egypte en het gebied uwer Aziatische broeders, die reeds als slaven onder het juk der Perzen zuchten?—Uwe toejuichingen bewijzen mij dat gij mij toestemt; ik verzoek u mij nog slechts een oogenblik aan te hooren, want mijn plicht gebiedt mij, den man te noemen, die niet alleen Egypte, maar ook zijn eigen vaderland voor goud aan den grooten koning van Perzië heeft verkocht. Die man heet Phanes!—Gij moogt niet morren als had ik gelasterd, want ik zweer u, dat diezelfde Phanes de door Cambyzes hem aangebodene schatten heeft aangenomen, en dezen beloofd hem niet slechts den weg naar Egypte te wijzen, maar hem ook de poorten van zijn en uw vaderland te openen. Deze man kent landen en volken door en door, en is voor geld tot alles in staat. Ziet gij niet, hoe hij ginds naast den koning op en neer gaat, hoe hij zich voor hem in het stof werpt? Is dat een Helleen? Ik meen wel eens gehoord te hebben, dat de Grieken zich slechts voor hunne goden dus vernederen. Maar in waarheid, wie zijn vaderland verkoopt, houdt op een burger er van te zijn!—Gij zijt het met mij eens? Gij weigert, den schelm langer uw landgenoot te noemen? Welnu, zoo wil ik de dochter van dien ellendeling, die ik als gijzelares heb moeten behouden, en die de vrek tegelijk met zijn vaderland verkocht, in uwe handen stellen. Doet met het kind van een schurk, wat u goeddunkt. Versiert het met rozen, valt voor hetzelve neder; maar vergeet niet, dat het den man toebehoort, die den naam ‘Helleen’ te schande maakte, die u, die zijn vaderland verried!”

Op dit oogenblik schoot Psamtik, met een oog fonkelende van helsche vreugde, zijn eersten pijl op de Perzen af. De soldaten wierpen het lijkje van het kind met verachting van zich, hieven hun krijgslied aan, dronken van het ingezwolgen bloed, en snelden hunne Egyptische krijgsmakkers ver vooruit, den dood of de overwinning tegemoet. Maar ook de gelederen der Perzen stelden zich thans in beweging, en Phanes wierp zich, buiten zich zelf van woede en smart, gevolgd door zijne, over de schandelijke wreedheid hunner landgenooten, verontwaardigde zwaargewapenden, op dezelfde mannen, wier liefde hij door zijne tienjarige trouw meende te hebben verdiend en verworven.

Van de Hellenen, die onder de vanen van Psamtik gestreden hadden, waren slechts weinigen aan den dood ontkomen. Zoozeer had de naar wraak dorstende Phanes met zijne Ioniërs in hunne rijen gewoed. Tien duizend Kariërs werden gevangengenomen. Den moordenaar van zijn kind velde de Athener met eigen hand. Ook Aristomachus had, in spijt van zijn houten been, wonderen van dapperheid verricht. Toch was het zoo min hem, als iemand dergenen die hunne wraak te koelen hadden, mogen gelukken, Psamtik in handen te krijgen.

Toen, na het einde van den slag, de Perzen juichend naar hunne legerplaatsen terugkeerden, werden zij door Cresus, de achtergeblevene priesters en soldaten met vreugdekreten ontvangen en met offers en gebeden werd den goden voor de roemrijke overwinning dank gebracht. Aan den anderen morgen riep de koning al de bevelhebbers bijeen, en verdeelde onder hen, naar hunne verdiensten, allerlei eereteekens, als: kostbare kleederen, gouden ketens, ringen, sabels en sterren van edelgesteenten, terwijl hij onder de soldaten gouden en zilveren munten deed uitstrooien.

De hoofdaanval der Egyptenaren had het centrum van het Perzische leger gegolden, dat door den koning in persoon werd aangevoerd, en was zóo heftig geweest, dat de lijfwachten reeds begonnen te wijken, toen Bartja op het juiste oogenblik met zijne ruiterij aankwam, de vluchtenden met nieuwen moed bezielde, en eindelijk, vechtende als een leeuw, door zijne dapperheid en behendigheid den slag ten voordeele der Perzen besliste.

De Perzen jubelden den jongeling te gemoet en noemden hem luide »Overwinnaar van Pelusium” en »den beste der Achaemeniden”.

Dit gejuich drong ten laatste ook tot den koning door en vervulde hem met spijt en wrok. Cambyzes was zich bewust, met waren heldenmoed en reuzenkracht gestreden te hebben, zonder zijn leven te sparen; en toch zou het met hem en zijn leger gedaan zijn geweest, zoo deze knaap hem niet intijds was ter hulp gesneld. Zijn broeder, die hem reeds het geluk verbitterd had, dat hem de liefde had kunnen schenken, ontstal hem nu de helft van zijn krijgsroem. Hij gevoelde dieper dan ooit dat hij Bartja haatte, en onwillekeurig balde hij de vuisten, toen hij den jongen man, op wiens gelaat een edel bewustzijn van eigenwaarde was te lezen, zag naderen.

Phanes werd door zijne wonden aan zijn leger gebonden; naast hem lag Aristomachus, die doodelijk gekwetst was.

»Toch heeft het orakel gelogen,” mompelde de Spartaan. »Ik sterf, zonder mijn vaderland te hebben wedergezien!”

»Het orakel sprak de waarheid!” antwoordde Phanes. »Hoe luidden de laatste woorden der Pythia?

‘Dan voert de boot u, moe van ’t ommedwalen, Waar ’t vreedzaam oord den zwervling ruste schenkt.’

»Zoudt gij den zin dier woorden niet verkeerd hebben uitgelegd? Zij doelen ongetwijfeld op de boot van Charon, die u naar uw eigenlijk vaderland, naar de groote rustplaats van alle zwervers, naar het rijk van den Hades zal overvoeren.”

»Ja, gij hebt gelijk, mijn vriend, naar den Hades is de reis!”

»En de vijf, de ephoren, hebben u vóor uw dood vergund, wat zij u zoo lang weigerden, namelijk, naar uw geliefd Lacedaemonië terug te keeren. Gij hebt alle reden om den goden dankbaar te zijn, die u zulke zonen en zulk een wraak op uwe vijanden schonken. Als ik van mijne wonden herstellen mag, zal ik naar Hellas trekken en uw zoon mededeelen, dat zijn vader een roemrijken dood gestorven is, na op zijn schild van het slagveld te zijn gedragen.”

»O, doe dat, en breng hem mijn schild, opdat hij het als eene gedachtenis van zijn ouden vader beware. Ik behoef hem overigens niet te vermanen steeds deugdzaam te zijn.”

»Zal ik Psamtik, wanneer wij hem in onze handen krijgen, zeggen dat gij niet weinig hebt bijgedragen tot zijn val?”

»Dat is niet noodig, hij zag mij, alvorens te vluchten, en liet van schrik over deze onverwachte verschijning zijn boog vallen. Die hem vergezelden meenden, dat hij hun hiermede een teeken gaf, om hun heil in de vlucht te zoeken, en gehoorzaamden onmiddellijk.”

»De goden verderven den booswicht door zijne eigene wandaden. Psamtik liet den moed zinken, meenende, dat zelfs de geesten uit de onderwereld tegen hem te velde trokken.”

»Hij had met de levenden reeds de handen vol genoeg! De Perzen hebben goed gevochten. Niettemin zou zonder Bartja en zonder ons de slag verloren zijn geweest!”

»Ongetwijfeld!”

»Zeus Lacedaemonius, ik dank u!”

»Bidt gij?”

»Ik prijs de goden, die mij vergunnen van de aarde te vertrekken zonder zorg voor mijn vaderland. Deze bijeengeraapte benden zijn niet gevaarlijk voor den Griekschen staat.—Hei daar, arts! Wanneer zal ik sterven?”

De heelmeester van Milete, die de Klein-Aziatische Grieken naar Egypte gevolgd was, glimlachte droevig, en zeide, wijzende op den pijl, die nog in de borst van den Spartaan stak: »Nog slechts weinige uren blijven u te leven overig. Zoodra ik het wapen uit de wonde trek, zult gij sterven.”

De Spartaan dankte den arts, zeide Phanes vaarwel, droeg hem de groete aan Rhodopis op, en trok, voordat men het hem kon beletten, met vaste hand den pijl uit zijne borst. Weinige oogenblikken later was hij een lijk.

Dienzelfden dag bracht een Lesbisch vaartuig een Perzisch gezantschap naar Memphis, dat van den koning moest eischen zich en de stad op genade en ongenade over te geven. Cambyzes volgde het op den voet, na eene afdeeling van het leger onder Megabyzus te hebben afgezonden om het beleg voor Saïs te slaan.

De Athener glimlachte, en zeide: »Cambyzes, mijn heer, heeft mij op mijn verzoek toegestaan er zulke voorname dienstmaagden op na te houden.”

»Maar u verboden,” viel Cambyzes in, »een der leden van het gevallen vorstenhuis naar het leven te staan. Slechts een koning mag koningen straffen!”

Phanes boog zich. Cambyzes wendde zich weder tot Megabyzus, en beval hem de tweeduizend veroordeelden den volgenden dag, tot een waarschuwend voorbeeld, ter dood te doen brengen. Betreffende het lot van den koningszoon zou hij later wel een besluit nemen; intusschen moest deze met de overige veroordeelden naar de gerechtsplaats worden geleid. »Men moet zien,” riep hij, »dat wij van plan zijn, alle vijandelijkheden met de grootste gestrengheid te keer te gaan!”

Toen Cresus het waagde om genade voor den onschuldigen knaap te smeeken, glimlachte Cambyzes, zeggende: »Wees gerust, oude vriend, het kind is nog in leven, en zal het misschien niet minder goed bij ons hebben, dan uw zoon, die bij Pelusium zoo dapper heeft gestreden! Maar ik zou gaarne weten of Psamtik zijn lot zoo gelaten en mannelijk weet te dragen als gij, nu vijf en twintig jaar geleden.”

»Dat is gemakkelijk te onderzoeken!” riep Phanes, »zoo het den koning slechts behaagt hem naar het slotplein te doen geleiden, en de gevangenen en veroordeelden voor zijn aangezicht te laten voorbijvoeren; dan zal het blijken, of hij zich als een man, dan wel als een lafhartige gedraagt.”

»Dat zal geschieden!” antwoordde Cambyzes. »Ik zal mij verborgen houden, en hem ongemerkt gadeslaan. Gij zult mij vergezellen, Phanes, en mij den naam en den stand van iederen gevangene noemen!”

Aan den morgen van den volgenden dag begaf de Athener zich met den koning op het balkon, dat het uitgestrekte, met boomen beplante, slotplein omgaf. De planten en bloemen hielden de twee mannen verborgen, die de geringste beweging van menschen daar beneden opmerken en ieder woord verstaan konden. Door eenigen zijner vroegere hovelingen omgeven, leunde Psamtik tegen een palmboom en staarde met een somberen blik onafgebroken op den grond, terwijl zijne dochter en het kind van Neithotep, benevens andere aanzienlijke jonkvrouwen, als slavinnen gekleed, het plein overgingen, gevulde waterkannen dragende. Zoodra de meisjes den koning gewaarwerden, hieven zij luide klachten aan, die Psamtik uit zijn gemijmer opwekten. Hij herkende de jammerende maagden en boog zijn hoofd diep neder. Doch spoedig hief hij het weder op, en vroeg zijne oudste dochter, voor wien zij water droeg? Toen hij vernam, dat zij voor Phanes het werk van slavinnen verrichten moest, verbleekte hij, liet het hoofd op de borst vallen, en riep de meisjes toe: »Gaat!”

Kort daarop verschenen zij, die te Saïs in hechtenis waren genomen. Onder dezen bevond zich ook de grijze Neithotep. De vroegere opperpriester was in lompen gehuld en strompelde met moeite voort, leunende op een stok. De poort binnentredende en de oogen opslaande, zag hij zijn ouden leerling Darius. Vergetende waar hij zich bevond, liep hij aanstonds naar dezen toe, klaagde hem zijn nood, bad hem om zijne hulp en voorspraak, en eindigde met om eene aalmoes te smeeken. Darius schonk hem een rijke gift, ’t geen ten gevolge had, dat de andere Achaemeniden, die in de, nabijheid stonden, den oude schertsend tot zich riepen, en hem kleine muntstukken toewierpen, die hij niet zonder moeite en met vele dankbetuigingen opraapte. Toen Psamtik dit gewaarwerd, barstte hij in tranen los, riep op smartelijken toon zijn ouden vriend bij den naam, en sloeg zich met de krampachtig gesloten vuist voor het voorhoofd.

Cambyzes verwonderde zich hierover, verwijderde de bloemen en planten, waarachter hij zich tot dusver had verborgen gehouden, en riep den ongelukkige toe: »Zeg mij, zonderling mensch, waarom gij, bij de aanschouwing van uwe diep vernederde dochter, en van uw zoon die den dood te gemoet gaat, niet geweeklaagd en geschreid hebt, en jegens een bedelaar, die niet eens tot uw huis behoort, zoo groote deelneming aan den dag legt?”

Psamtik zag naar zijn overwinnaar op, en antwoordde: »Het ongeluk van mijn huis, zoon van Cyrus, is te groot voor mijne tranen; het lot van een vriend, die op hoogen ouderdom, van den aanzienlijksten en gelukkigsten man in het rijk een ellendige bedelaar is geworden, mag ik echter beweenen!”

Cambyzes knikte den armen vorst minzaam toe, en toen hij zich omkeerde, bemerkte hij, dat niet alleen in zijn oog een traan was opgeweld. Cresus, Bartja en alle aanwezige Perzen, ja zelfs Phanes, die beiden koningen tot tolk had gediend, waren diep geroerd. De trotsche veroveraar had een welbehagen in deze tranen, en sprak, zich tot den Athener wendende: »Mij dunkt, Helleensche vriend, dat wij genoeg gewroken zijn.—Sta op, Psamtik, en beproef gelijk deze edele grijsaard—dit zeggende wees hij op Cresus—u aan uw tegenwoordig lot te gewennen. Het bedrog van uw vader is aan u en aan uw huis streng genoeg vergolden geworden. Dezelfde kroon, die Amasis de dochter van Hophra, mijne onvergetelijke gemalin, ontroofd heeft, heb ik u van het hoofd gerukt. Om Nitetis’ wil heb ik dezen oorlog begonnen; thans schenk ik uw zoon het leven, wijl zij hem heeft liefgehad. Voortaan moogt gij als onze dischgenoot in volle vrijheid aan ons hof verkeeren, en de eer mijner grooten deelen. Ga den knaap halen, Gyges! Hij zal, gelijk gij voorheen, met de zonen der Achaemeniden worden opgevoed.”

De Lydiër snelde naar de deur van het balkon, om dezen hem zoo aangenamen last ten uitvoer te brengen, doch eer hij deze had bereikt, riep Phanes hem terug. Met opgericht hoofd en een fier gelaat plaatste zich de Athener tusschen den koning en Psamtik, die van zalige verrukking stond te trillen, en zeide:

»Door den vader van dezen man werd ik in zijne plaats tot bevelhebber der tegen Cyprus gezondene troepen benoemd en streed met roem, terwijl hij slechts vernedering en schande had geoogst; tegen mijn wil, werd ik bekend met een geheim, dat zeer gevaarlijk had kunnen worden voor zijne aanspraken op den troon; eindelijk belette ik hem, eene deugdzame jonkvrouw weg te voeren uit het huis harer grootmoeder, eene vrouw, die door alle Hellenen hooggeacht en geëerbiedigd wordt.—Dat is het, wat hij mij nooit heeft kunnen vergeven, en hem heeft bewogen mij, toen ik den dienst van zijn vader verlaten moest, tot een strijd op leven en dood uit te dagen. Thans is onze worsteling beslist. Gij hebt mijne onschuldige kinderen doen vermoorden, en op mij als op een schadelijk ondier jacht gemaakt; dat is uwe geheele wraakoefening geweest! Ik heb u van den troon gestooten en u en uw volk tot slaven gemaakt. Ik heb uwe dochter mijne slavin genoemd, uw zoon heb ik doen ombrengen, en ik heb gezien hoe hetzelfde meisje, dat gij eenmaal vervolgdet, de gelukkige gade van een held is geworden. Gij, gevallen koning, hebt mij rijker en machtiger dan een mijner landslieden zien worden; gij, ongelukkige, moest mij—en dit was het schoonste gedeelte mijner wraak—van mededoogen met uw ijzingwekkend lot zien weenen!—Wie, gelijk ik, de diepste rampzaligheid van zijn vijand slechts eene seconde overleven mag, dien noem ik even gelukkig als de zalige goden. Thans heb ik niets meer te zeggen!”

Phanes boog zich zwijgend, kuste het kleed van den koning en steeg langzaam de trap af naar het plein. Psamtik zag hem na met verbeten woede, sprong toen naar de borstwering van het balkon, doch zonk, eer hij zijne lippen tot een vloek had kunnen openen, uitgeput neder.

Cambyzes wenkte zijn gevolg, en gebood zijn jachtmeester de toebereidselen te maken tot eene leeuwenjacht in de Lybische bergen.

Notes in this chapter

Note 1 · Perzische lusthoven.Note 2 · zie boven bl. 165.Note 3 · In onze maand Maart.Note 4 · Ook de hedendaagsche Perzen houden een huwelijk tusschen bloedverwanten in eersten of tweeden graad voor zeer gelukkig.Note 5 · Een korps, gedeeltelijk uit vreemdelingen samengesteld, dat de krijgsgevangenen moest bewaren en andere diensten bewijzen.Note 6 · Wagenstrijders vindt men op bijna alle Egyptische gedenkteekenen. Ofschoon daarop tot hiertoe niet meer dan vijf ruiters zijn gevonden, blijNote 7 · Waarschijnlijk waren dit de door Herodotus genoemde Noord-Afrikaansche Maxyers.Note 8 · Van vele standaarden zijn afbeeldingen gevonden. Elke nomos had ook zijn wapen.Note 9 · Zoo gewapend vinden wij de troepen op de monumenten voorgesteld. Verschillende der genoemde wapenen worden in de musea gevonden, o. a. te BeNote 10 · Toen Themistocles later aan het Perzische hof kwam, werd hem insgelijks eene aanzienlijke Perzische vrouw ten huwelijk gegeven.Note 11 · Deze mijnen lagen in het zuiden, niet verre van de Roode Zee. De arbeiders waren deels krijgsgevangenen, deels lieden die men om de eene of Note 12 · zie boven bl. 213.Note 13 · Zoo worden de kleuren van de rijksbanier door Firdusi opgegeven. De banier van Kawe bestond uit het schootsvel van een dapperen smid, die voNote 14 · Dit was het wachtwoord der Grieken in den slag bij Mycale.Note 15 · Dat die wagenmenners aanzienlijke personen waren, blijkt uit de wijze waarop de vorsten met hen omgingen. Op een gedenkteeken te Thebe werd Note 16 · Herodotus verhaalt ons van een Egyptenaar, die op last van Darius aan den oever van den Ister ging staan, om Histiaeus van Milete te roepen,Note 17 · Herodotus geeft ons werkelijk het verhaal van dit verschrikkelijk feit.Note 18 · Het is een doorgaande regel, dat bij de oude schrijvers de overwinnaars altijd veel minder manschappen verliezen dan de overwonnenen.Note 19 · Ongeveer ƒ 22.500.Note 20 · Zij was de gemalin van koning Battus III.Note 21 · In het Gregoriaansch museum van het Vaticaan is het standbeeld van een scheepsgezagvoerder; het opschrift behelst de bijzonderheden omtrent Note 22 · Op de gedenkteekenen komen herhaaldelijk gevangenen voor, met eene soort van houten boeien, waarin de handen zijn gesloten, en die met een tNote 23 · Toen Solon den Lydischen koning bezocht, had deze den wijsgeer zijne schatten getoond en hem gevraagd, wien hij wel voor den gelukkigste hieNote 24 · De laatste Perzische koning, Darius Codomannus, verwees op dezelfde wijze zijn uitstekenden Griekschen veldheer Memnon ter dood, die hem dooNote 25 · Het praalgraf van Cyrus bestond uit een reusachtigen sarkophaag van marmerblokken, dat, gelijk een huis, op een basis van zes hooge marmerenNote 26 · Onafgebroken toonde hij den grootsten afkeer van zijne vrouwen, en zelfs toen hij naar Egypte optrok, liet hij zijn harem te Suza achter, teNote 27 · Na het nieuwjaarsfeest3 moest het leger opbreken. Na de viering er van, die, overeenkomstig het verlangen van Cambyzes met den grootsten luiNote 28 · De magiërs beraadslaagden eenige oogenblikken onderling; daarop wierp Oropastes, de opperpriester, zich voor den koning neder, en zeide: »WiNote 29 · Waren de strijdkrachten der Perzen verbazend groot, ook het aantal der Egyptische krijgers was niet minder te achten. Het leger werd in den Note 30 · Met een schaterend gelach werd dit voorstel begroet, dat bij nadere overweging met algemeene stemmen werd aangenomen. Cambyzes bood den vindNote 31 · Aristomachus liet hem stil begaan. Nadat hij zich met de voedzame spijs en den opwekkenden drank een weinig versterkt had, beantwoordde hij Note 32 · »Mijne lotgenooten,” vervolgde Aristomachus, »waren deels ter dood veroordeelde moordenaars, doch die genade hadden gekregen, deels van hunnNote 33 · ’t Was intusschen nacht geworden. Daar de onversterkte legerplaats der Perzen ieder oogenblik blootlag voor een aanval van den vijand, stondNote 34 · Hierop gaf hij den Perzen het wachtwoord: ‘Aoeramazda, helper en aanvoerder’, en stelde zich aan het hoofd zijner garde, wier tulbanden met Note 35 · De Grieken hieven na deze toespraak een geweldig geschreeuw aan, terwijl zij het bevende meisje uit de handen van den koning ontvingen. Een Note 36 · Toen de zon hare middaghoogte bereikt had, scheen zich het geluk der wapenen naar de zijde der Egyptenaren te neigen. Toen de dagtoorts op hNote 37 · Te Heliopolis kwamen hem gezanten van de Helleensche inwoners van Naucratis en van de Lybiërs te gemoet, die hem baden om bescherming en vreNote 38 · Koning Psamtik zelf trok, aan het hoofd zijner voornaamste hofbeambten, zijn overwinnaar te gemoet. De ongelukkige man had zijne kleederen gNote 39 · Onder de voorname Egyptenaren, die het volk tot tegenstand hadden aangezet, nam Neithotep, de opperpriester van Neith, de eerste plaats in. Note 40 · Weinige oogenblikken later betraden de gevangenen het plein, met strikken om den hals en toomen in den mond, door Perzische wachters geleid2Note 41 · »Uw gang, edele Lydiër, zou vergeefsch zijn; Necho, de zoon van Psamtik, is reeds niet meer! Ondanks uw bevel, mijn vorst, heb ik, onder vooNote 42 · Phanes zweeg en drukte zijn hand op zijn wond. Cambyzes zag hem een tijdlang met de grootste verbazing aan, deed daarop een stap voorwaarts,
Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings