← Table of contents
Eene Egyptische Koningsdochter

Achtste hoofdstuk.

Hendrik Cornelis Rogge translation

Het was nog twee uren vóór middernacht. Door de geopende vensters van het huis van Rhodopis kon men het schijnsel zien der helder brandende lampen, en de onbepaalde klanken opvangen der vroolijke gesprekken. Dien avond was de tafel der eerwaardige vrouw, ter eere van Cresus, bijzonder rijk voorzien. Op de matrassen lagen, met populiertakken en rozen bekranst, de ons bekende gasten van Rhodopis: Theodorus, Ibycus, Phanes, Aristomachus, de koopman Theopompus van Milete, Cresus en nog onderscheidene andere mannen.

»Ja, dit Egypte,” zeide Theodorus, de beeldhouwer, »maakt op mij den indruk van een meisje, dat een gouden schoen bezit, dien zij, ofschoon hij haar knelt en pijn doet, niet besluiten kan af te leggen, niettegenstaande de schoonste en gemakkelijkste schoeisels voor haar staan, waarnaar zij slechts de hand heeft uit te strekken, om zich op eens vrij en ongedwongen te kunnen bewegen.”

»Gij bedoelt dat halsstarrig vasthouden der Egyptenaren aan hunne, door de voorvaderen overgeleverde vormen en gewoonten?” vroeg Cresus.

»Juist,” antwoordde de beeldhouwer. »Vóór twee eeuwen was Egypte ontegenzeglijk nog het eerste land der wereld. Zijne kunst en zijne wetenschap overtrof alles, wat wij toen voortbrengen konden. Wij zagen echter den Egyptenaren hunne handgrepen af; we wisten deze te volmaken; we gaven aan de stijve, gedwongene vormen losheid en schoonheid; we hielden ons aan geene vaste afmetingen, maar namen de natuur tot model. En thans zijn we onze meesters ver vooruitgestreefd. Hoe kon dit geschieden? Alleen omdat de leermeester, door onverbiddelijke wetten gebonden, op zijn oude plaats moest blijven staan. Wij daarentegen konden ons naar vermogen en welgevallen op het gebied der kunst vrij bewegen.”

»Maar hoe kan men den kunstenaar dwingen, zijne beeldwerken, die toch altijd verschillende onderwerpen hebben, naar vaste afmetingen uit te voeren?”

»En zoudt gij de weddenschap winnen?”

»Zonder eenigen twijfel. Ook ben ik bepaald van voornemen dit werk onderhanden te nemen. Een kunststuk zal het wel niet zijn, evenmin als eenig Egyptisch standbeeld dezen schoonen naam verdient.”

»Volkomen waar. Wat het handwerk in de kunst, dat wil zeggen de gemakkelijke en zekere bewerking ook van de hardste stoffen betreft, daarin zijn ons de Egyptenaren, al zijn zij ook lang op dezelfde hoogte gebleven, nog altijd vooruit. Geen Grieksch standbeeld is zoo uitermate schoon gepolijst, als dat van Amasis in den hof van het paleis. Maar de vrije vorming, den Prometheusarbeid, het geven van ziel en leven aan den steen, dit zullen zij niet leeren, zoolang zij niet met hunne oude vormenkraam geheel gebroken hebben. Door zuivere proporties geeft men nog geen leven aan zijne beelden. De Egyptische beelden missen de zoo bevallige verscheidenheid in lichamelijke vormen. Beschouw eens opmerkzaam de honderdduizend standbeelden, die van Naucratis tot aan de watervallen bij alle tempels en paleizen sedert dertig eeuwen zijn opgericht. Alle stellen zij gemoedelijk ernstige menschen op middelbaren leeftijd voor, en toch is het eene het beeld van een grijsaard, terwijl een ander ten doel heeft het aandenken aan een jongeling van koninklijken bloede te vereeuwigen. Krijgshelden, wetgevers, wreedaards en menschenvrienden hebben allen omtrent hetzelfde voorkomen, en onderscheiden zich alleen van elkander door hunne grootte, waarmede de Egyptische kunstenaar meerdere of mindere macht en kracht uitdrukt, en door hun portret.”

»Doch onder deze portretten,” zeide Phanes, het woord nemende, »heb ik zeer voortreffelijke gevonden. Onder de oudere, die zich te Memphis bevinden en die maar weinig Grieken te zien krijgen, zijn er enkele zoo sprekend van uitdrukking, dat men zou meenen de origineelen gekend te hebben. Ik zou wel wenschen, dat gij die voortreffelijk uitgevoerde beelden, zoo vol karakter, eens kondet aanschouwen.”

»Amasis,” sprak de beeldhouwer, »heeft mij enkele getoond, en ik geef toe dat zij allen lof verdienen, ja dat ik niet in staat zou zijn die kunstwerken te overtreffen. Doch de Egyptische kunstenaars van heden staan bij hunne voorvaderen zeer verre ten achter, al moet ik erkennen, dat ik zeer goede afbeeldingen van Amasis en zijne voorgangers heb gezien. Ze zijn beter gepolijst, maar op verre na niet zoo krachtig als de andere kunstwerken. Over het geheel neem ik niets van het gezegde terug. Gelijk ik mij een zwaard bestel, evenzoo geeft de koning last tot het vervaardigen van een standbeeld. Alvorens de meester zijn werk begonnen heeft, weten wij beiden reeds, als wij namelijk slechts de lengte en breedte nauwkeurig hebben opgegeven, wat wij aanschouwen zullen, wanneer het werk gereed is.—Hoe zou ik een grijsaard, die onder den last der jaren gebukt gaat, op gelijke wijze kunnen voorstellen als een jongeling, die het hoofd vol levenslust omhoog heft; een vuistvechter gelijk aan een hardlooper; een dichter gelijk aan een krijgsman?—Plaats Ibycus naast onzen vriend, den Spartaan, en bedenk eens wat gij wel zeggen zoudt, als ik den dichter met gebalde vuist, den held met een aanminnig gelaat en bevallige gebaren wilde voorstellen?”

»En wat antwoordt Amasis op uwe aanmerkingen betreffende dezen stilstand?”

»Hij betreurt dien zeer, maar voelt zich niet sterk genoeg om de wetten der priesters op te heffen, die de kunst aan banden leggen.”

»En toch,” zeide de Delphiër, »heeft hij ter versiering van onzen nieuwen tempel, om de Grieksche kunst aan te moedigen,—ik bezig zijne eigene woorden—eene belangrijke som toegestaan.”

»Zeer waar, zeer waar!” hernam Cresus lachend.

»Verhaal ons, hoe zich dit heeft toegedragen,” verzocht Rhodopis.

»Alkmaeon van Athene kwam eens aan mijn hof. De vroolijke, fijn beschaafde man behaagde mij zoozeer, dat ik hem langen tijd bij mij hield. Op zekeren dag toonde ik hem mijne schatkamers, bij den aanblik waarvan hij schier in vertwijfeling geraakte. Hij noemde zichzelven een gemeenen bedelaar, en verbeeldde zich een allergelukkigst leven te zullen leiden, zoo hij slechts een enkelen greep in al die heerlijkheid mocht doen. Ik gaf hem verlof zooveel goud met zich te nemen, als hij maar dragen kon. Wat deed Alkmaeon nu? Hij liet zich hooge Lydische rijlaarzen aantrekken, een schort voorbinden en eene mand op den rug hangen. Deze mand vulde hij met schatten; in het schort laadde hij zooveel geld als hij maar dragen kon, in zijne laarzen liet hij gouden munten glijden, terwijl hij op zijn haar en in zijn baard stofgoud deed strooien. Ja, hij nam zelfs den mond vol goud, zoodat zijne wangen er zoo gezwollen uitzagen, als ware hij op het punt aan eene groote ramenas te stikken. Eindelijk hield hij in iedere hand een gouden schotel, en sleepte zich zoo de deur der schatkamer uit, terwijl hij bijna onder zijn last bezweek. Maar nauw was hij buiten, of hij zeeg neder. Nooit heb ik hartelijker gelachen, dan dien dag.”

»En gij liet hem die schatten behouden?” vroeg Rhodopis.

»Zeker, mijne vriendin; ik achtte toch de ervaring, dat het goud zelfs een verstandig man tot een dwaas maakt, niet te duur betaald.”

»Gij waart de mildste van alle vorsten!” riep Phanes.

»En ik ben thans de tevredenste van alle bedelaars. Maar zeg mij, Phryxus, hoeveel heeft Amasis tot den tempelbouw bijgedragen?”

»Hij gaf duizend centenaars aluin!”

»Dat komt mij voor een vorstelijk geschenk te zijn. En de kroonprins?”

»Toen ik hem om zijne medewerking verzocht, en mij op de mildheid van zijn vader beriep, antwoordde hij met een hoonenden lach, en zeide, mij den rug toekeerende: Indien gij eens eene inzameling voor de verwoesting uwer tempels doet, dan ben ik bereid voor dubbel zooveel te teekenen als Amasis.”

»Die ellendige!”

»Zeg liever: die echte Egyptenaar! Psamtik haat alles, wat niet uit dit land afkomstig is.”

»Hoeveel hebben de Grieken te Naucratis bijeengebracht?”

»Behalve de rijke bijdragen van afzonderlijke personen teekende iedere gemeente voor twintig minen.”

»Dat is veel.”

»Philoinus, de Sybariet, zond mij geheel alleen duizend drachmen en deed dit bedrag vergezeld gaan van een zeer zonderlingen brief. Mag ik hem voorlezen, Rhodopis?”

»Ongetwijfeld,” antwoordde de gastvrouw. »Gij zult er uit vernemen, dat hij berouw gevoelt over de beleedigingen, die hij mij in zijn roes onlangs heeft aangedaan.”

»Groet Rhodopis en den schoonen Phanes van mij; u echter noodig ik uit, heden over een jaar deel te nemen aan een gastmaal te mijnen huize, te Sybaris. Uithoofde er vele kleine toebereidselen moeten gemaakt worden, zijn wij gewoon onze uitnoodigingen in tijds te doen.

»Ik laat dezen brief door mijn geleerden slaaf Sophotatus in het naaste vertrek schrijven; want ik voor mij krijg reeds kramp in de vingers, wanneer ik een ander slechts zie schrijven.”

Al de gasten barstten in een schaterend gelach uit; Rhodopis hervatte echter: »Ik verheug mij zeer over dezen brief, omdat er mij uit blijkt, dat Philoinus geen slecht mensch is. Op echt Sybarietische wijze opgevoed.....”

»Vergeeft mij, heeren, als ik u stoor, en gij, eerbiedwaardige Helleensche, dat ik ongenood uw vriendelijk huis binnendring!” Met deze woorden brak iemand, dien de oude matrone volstrekt niet kende en die door niemand opgemerkt de eetzaal was ingetreden, het gesprek der gasten plotseling af.—»Ik ben Gyges, de zoon van Cresus, en het is niet voor de grap, dat ik nauwelijks drie uren geleden Saïs verliet, om hier nog ter rechter tijd aan te komen!”

»Menon, eene matras voor onzen nieuwen gast!” riep Rhodopis. »Wees hartelijk welkom in mijn huis, en neem uw gemak na uw wilden, echt Lydischen rit.”

Gyges was gedurende de eerste oogenblikken niet in staat, een woord op de vragen zijns vaders te antwoorden. Toen hij den geliefden man, voor wiens leven hij zoo bezorgd was geweest, veilig en wel aan den rijk bezetten disch zag aanliggen, was het hem als had hij ten tweeden male de spraak verloren. Eindelijk was hij weder in staat te spreken, en nu antwoordde hij: »Den Goden zij dank, vader, dat ik u levend terugzie! Geloof niet dat ik mijn post aan Bartja’s zijde lichtvaardig verlaten heb. Ik werd door de omstandigheden genoodzaakt, als een ongeluksvogel dezen vroolijken kring binnen te dringen. Weet dan mannen,—want ik mag mijn tijd niet met onnutte voorbereidingen verspillen,—verraad en overrompeling bedreigen u!”

Al de aanwezenden sprongen als door den bliksem getroffen overeind. Aristomachus trok onwillekeurig zijn zwaard ter helft uit de scheede, en Phanes rekte zijne athletische armen uit, als om zich te vergewissen, of ze nog even veerkrachtig en sterk waren als voorheen.

»Wat is er?—Wat wil men met ons?” klonk het van alle zijden.

»Dit huis is geheel omsingeld door Ethiopische krijgslieden,” hervatte Gyges. »Eene trouwe ziel heeft mij medegedeeld, dat de kroonprins één uit uw midden wil gevangennemen en wegvoeren, ja, dat hij bevolen heeft den bedoelden persoon te dooden, indien hij zich mocht willen verweren: ik vreesde voor u, vader, en spoedde mij hierheen.—De man, die mij deze mededeeling heeft gedaan, heeft niet gelogen. Dit huis is geheel ingesloten. Toen ik aan de poort van uw tuin kwam, Rhodopis, schrikte mijn paard, hoe vermoeid het ook was. Onder het afstijgen bespeurde ik bij het heldere maanlicht achter iederen struik de flikkerende wapenen en gloeiende oogen van menschen. die zich daar verscholen hadden. Zij lieten ons echter ongehinderd binnengaan.”

Met de grootste kalmte had de Athener het verhaal van Gyges en dat van den slaaf aangehoord.

Rhodopis beefde, en Aristomachus riep: »Ik zal niet dulden dat een haar van uw hoofd gekrenkt worde, al moet ik ook geheel Egypte verslaan!” Cresus gaf den raad om toch voorzichtig te handelen. Eene geweldige ontroering was op aller gelaat te lezen.

»Gij moogt u niet overgeven!” schreeuwde Aristomachus.

»Ha! Ik heb er wat op gevonden!” riep plotseling Theopompus, de Milesische koopman, terwijl de anderen allerlei plannen beraamden. »Morgen, bij het opgaan der zon, zeilt een schip met Egyptisch koorn, niet van Naucratis maar van Canopus naar Milete. Neem het paard van den edelen Pers en rijd daarheen. Wij banen u met geweld een weg door den tuin!”

»Onze ongewapende schaar zou gewis aanstonds het onderspit delven,” hernam Gyges. »Wij zijn tien man sterk, en slechts drie van ons hebben een zwaard. Die kerels daar buiten, wier aantal minstens honderd beloopt, zijn tot aan de tanden gewapend.”

»En al hadt gij, Lydiër, nu ook tienmaal geen moed, en al waren ze ook tweehonderd sterk,” riep Aristomachus, »ik zal vechten!”

Phanes drukte zijn vriend de hand. Gyges verbleekte. Die oude held, die reeds zoo menige proef had doorgestaan, noemde hem een lafaard! Weder ontbraken hem de woorden om zich te rechtvaardigen. Bij iedere heftige gemoedsbeweging begaf hem zijn spraakvermogen. Eensklaps echter kleurde een vluchtig rood zijne wangen, en snel en op beslissenden toon riep hij: »Volg mij, Athener! en gij, Spartaan, die u anders wel beraadt alvorens gij spreekt, noem voortaan niemand laf, dien gij niet kent.—Vrienden, Phanes is gered! Vaarwel, vader!”

In de grootste verbazing staarden zij, die bleven, de twee mannen na, die daarheen gingen. Eenige minuten na hun vertrek vernamen de gasten, die in angstige spanning zaten te luisteren, den hoefslag van een paar wegrennende paarden. Daarop hoorden zij na eene poos een langgerekt gefluit en een geroep om hulp van den Nijlkant.

»Waar is Knakias?” vroeg Rhodopis aan een harer slaven.

»Hij is met Phanes en den Pers in den tuin gegaan.” Op hetzelfde oogenblik trad de oude dienaar bleek en bevend het vertrek binnen.

»Hebt gij mijn zoon gezien?” riep Cresus hem reeds uit de verte tegen.

»Waar is Phanes?”

»Beiden laten u door mij hun afscheidsgroet brengen.”

»Zijn zij dan ontkomen?—Hoe zijn zij er door gekomen?—Waarheen zijn zij gegaan?—”

»Dáar, in het vertrek hiernaast,” verhaalde de slaaf, »spraken de Athener en de Pers eerst een oogenblik met elkaar. Toen moest ik beiden ontkleeden. Phanes deed de broek, den rok en den gordel van den vreemdeling aan, en zette diens spitse muts op. De Pers daarentegen hulde zich in den chiton en den mantel van den Athener, versierde zijn voorhoofd met diens gouden band, liet zich het haar van de bovenlip wegsnijden, en gebood mij hem in den tuin te volgen.

»Phanes, wien iedereen in zijne nieuwe kleeding voor een Pers zou hebben aangezien, sprong op een der voor de poort gereed staande paarden. De vreemde riep hem herhaaldelijk toe: ‘Vaarwel, Gyges! Vaarwel, edele Pers! Reis voorspoedig, Gyges!’” De dienaar, die aan de poort wachtte, reed hem achterna. In de struiken vernam ik onophoudelijk wapengekletter, doch niemand trad den vluchteling in den weg. De soldaten twijfelden er geen oogenblik aan, dat hij een Pers was.

»Toen wij weder voor het huis stonden, gebood de vreemdeling mij: ‘Vergezel mij nu naar de boot van Phanes, en noem mij dikwerf bij den naam van den Athener.’—‘Maar de matrozen zouden u kunnen verraden,’ bracht ik hier tegen in. ‘Ga dan eerst alleen tot hen, en zeg hun, dat zij mij moeten ontvangen alsof ik hun meester ware.’ Ik bad hem nog mij toe te staan, dat ik mij in zijne plaats in het kleed van den ontvlodene zou laten vangen. Doch hij wees mijn verzoek met vastheid van de hand, en hij had gelijk toen hij zeide, dat mijne houding mij aanstonds zou hebben verraden.

»Wat is er van mijn zoon geworden?” riep Cresus, den slaaf in de rede vallende.

»Hij nam mijn welgemeend offer niet aan, en zette zich, terwijl hij mij duizend groeten aan u, o koning, opdroeg, in de boot neder. Ik riep hem nog toe: ‘het ga u goed, Phanes! Voorspoedige reis, Phanes!’ Eene wolk onderschepte het licht van de maan, zoodat het buitengemeen donker was geworden. Daar hoorde ik op eenmaal om hulp roepen. Dit duurde evenwel slechts kort, en toen deed zich een gillend gefluit hooren, waarna ik niets meer vernam dan den gelijkmatigen slag der riemen. Juist wilde ik in huis gaan, om u van het voorgevallene kennis te geven, als Sebek de roeier opnieuw kwam aanzwemmen. Hij verhaalde mij het volgende: De Egyptenaren hadden in het vaartuig van Phanes, waarschijnlijk door duikers, een gat doen booren. Zoodra het zich een weinig van den oever verwijderd had, begon het te zinken. De matrozen schreeuwden om hulp. Toen kwam het koninklijk schip dat hen volgde naderbij, nam den gewaanden Phanes aan boord, als om hem te redden, en belette de matrozen van den Athener hunne banken te verlaten. Zij zijn allen met de boot in de diepte verdwenen; alleen de stoute zwemmer Sebek bereikte den oever.

»Gyges bevindt zich dus op het koninklijke vaartuig. Phanes is ontkomen, want dat fluiten strekte zeker om de krijgslieden aan de achterpoort te onderrichten, dat de zaak in orde was. Toen ik huiswaarts keerende de struiken langs den weg onderzocht, vond ik daar niemand meer. Doch in de verte vernam ik het wapengekletter en het praten der soldaten, die op den terugweg naar Saïs waren.”

Met koortsachtige spanning hadden de gasten van Rhodopis den slaaf aangehoord.

Toen hij zijn verhaal geëindigd had, waren de aandoeningen natuurlijk tweeërlei. Aanvankelijk had bij de meesten het gevoel van blijdschap over het geluk, dat de geliefde vriend aan een dreigend levensgevaar ontkomen was, de overhand. Maar daarna deed zich bij velen de vrees voor het lot van den koenen Lydiër gelden. Men zwaaide zijner edelmoedigheid grooten lof toe. Men wenschte den vader geluk met het bezit van zulk een zoon, en kwam na rijpe overweging eindelijk tot het eenparig besluit, dat de kroonprins, zoodra hij de dwaling zijner lieden zou hebben bespeurd, Gyges niet alleen zonder verwijl in vrijheid zou moeten stellen, maar ook verplicht was, hem eene genoegdoening te geven voor den hoon hem aangedaan. Cresus zelf stelde zich daarmede gerust, gedachtig aan de vriendschap van Amasis en de vrees, die deze voor de macht der Perzen aan den dag had gelegd. Kort daarop verliet hij het huis van Rhodopis, om bij den Milesiër Theopompus te overnachten.

»Groet Gyges van mij!” riep Aristomachus, toen de grijsaard zich verwijderde. »Ik bid hem om vergeving. En zeg hem uit mijn naam, dat ik zou wenschen, hem tot vriend te hebben, of, zoo dit niet zijn kan, in een eerlijken krijg als vijand tegenover hem te staan.”

»Wie zal zeggen wat de toekomst nog brengen kan!” antwoordde Cresus, den Spartaan de hand reikende.

Notes in this chapter

Note 1 · Volgens Diodorus. Plato meldt, dat de Egyptenaars in zijn tijd bij de wet verplicht waren hunne beelden even schoon of liever even leelijk tNote 2 · Het hier bedoelde standbeeld is dat van Chefren in het museum te Boelaq, dat in 1867 op de tentoonstelling te Parijs algemeen de aandacht trNote 3 · Toen de Alkmaeoniden voor Pisistratus gevlucht waren, namen zij den bouw van den nieuwen tempel te Delphi op zich, waarvoor de Delphiërs echNote 4 · Candaules, die zich door het vermoorden van koning Gyges van den troon had meester gemaakt.Note 5 · Het oude Attische zilvertalent bedroeg zoowat 2700, een mine 45 gulden; een drachme was ongeveer 8 stuivers, een obolus iets meer dan een stNote 6 · De volkstammen, die rondom een gemeenschappelijk heiligdom woonden, zooals dat van Delphi.Note 7 · De rijke erfdochter van Clisthenes van Sicyon.Note 8 · De Egyptische tandmeesters moeten zeer knap zijn geweest. Men heeft werkelijk in de kaken van mummiën kunsttanden gevonden.Note 9 · Eed van Rhadamanthus, den zoon van Zeus, om den naam der goden niet op de lippen te nemen.Note 10 · Het Nijlwater smaakt bijzonder lekker. Een reiziger noemde het den champagne onder de wateren. De vrouwen uit den harem van den sultan latenNote 11 · Voorgebergte aan de westkust van Klein-Azië.Note 12 · Naar eenige verzen van Theognis van Megara.Note 13 · »Dit laat zich in dit geval gemakkelijk verklaren. De Egyptenaren verdeelen het geheele menschelijke lichaam in 21¼ deelen1, en berekenen daNote 14 · »Maar toch zijn enkele beeldhouwwerken, onder andere die welke Amasis als geschenk voor Polycrates naar Samos zal zenden, uitmuntend bearbeiNote 15 · »Dat ’s ferm gehandeld,” riep Cresus. »Zullen de Alkmaeoniden weldra de driehonderd talenten, die zij tot de voltooiing van den tempel behoeNote 16 · »Ten onrechte beklaagt gij u over den god,” antwoordde Phryxus, »want het is niet zijne schuld, dat gij in uwe menschelijke ijdelheid aan ziNote 17 · »Uwe woorden,” liet Cresus hier dadelijk op volgen, »zouden mij in de dagen van mijn ongeluk beter te stade zijn gekomen, dan thans. Er is eNote 18 · Phryxus dankte den ouden koning; maar Phanes zeide: »De Alkmaeoniden zullen een schoon werk tot stand brengen, omdat zij eerzuchtig zijn en Note 19 · »Tot den rijkdom van dit geslacht hebt gij, Cresus, naar men zegt, na Agariste7, die Megacles zoo groote schatten ten huwelijk medebracht, wNote 20 · De Delphiër haalde het briefrolletje uit zijn zak te voorschijn, en las: »Philoinus laat Phryxus weten, dat het hem van harte leed doet, onlNote 21 · »Bij den hond9, Gyges,” zeide Cresus, zijn zoon de hand reikende, »ik begrijp niet wat u zoo laat herwaarts voert. Ik had u verzocht niet vaNote 22 · »Gewichtig nieuws!” met deze woorden viel Knakias, die de zaal kwam binnenstuiven, Gyges in de rede. »Toen ik zoo even naar den Nijl ging, oNote 23 · Eindelijk brak Phanes het stilzwijgen af: »Nooit is overleg noodzakelijker dan in gevaar. Ik heb alles rijpelijk overwogen en begrijp, dat iNote 24 · »Ach, slechts de vrije kan met opgeheven hoofd daarheen wandelen; de nek van een slaaf is altijd gebogen, en zijne bewegingen missen de beva
Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings