Note 10 — Achtste hoofdstuk.
Hendrik Cornelis Rogge translation
»Gewichtig nieuws!” met deze woorden viel Knakias, die de zaal kwam binnenstuiven, Gyges in de rede. »Toen ik zoo even naar den Nijl ging, om water voor het mengvat te halen10, vloog mij een mensch tegen het lijf, die mij bijna omverwierp. Ik herkende hem aanstonds. Het was een Ethiopisch roeier van Phanes. Hij vertelde me dat, toen hij een oogenblik te voren om zich te baden uit de boot in den Nijl was gesprongen, eene koninklijke bark het vaartuig van Phanes was genaderd. Een soldaat had aan de manschap, die daarin de wacht hield, gevraagd, aan wien deze boot toebehoorde. ‘Aan Phanes,’ antwoordde de stuurman. De koninklijke bark voer langzaam verder, schijnbaar zonder zich om uw vaartuig te bekommeren, overste! Maar de badende roeiknecht had zich zonder eenige bedoeling op het roer van het vreemde vaartuig neêrgezet, en hoorde nu, hoe een Ethiopisch soldaat een zijner kameraden toeriep: ‘Houd die boot goed in het oog; wij weten nu waar de vogel zijn nest heeft. Nu zal het niet veel moeite kosten hem te vangen. Bedenk dat Psamtik ons vijftig gouden ringen toegezegd heeft, wanneer wij den Athener, dood of levend, te Saïs brengen.’—Dit berichtte mij Sebek, de roeier, die u sinds zeven jaren dient, Phanes!”