← Table of contents
Eene Egyptische Koningsdochter

Vijfde hoofdstuk.

Hendrik Cornelis Rogge translation

Onze vrienden sloegen op dit alles echter geen acht; zwijgend volgden zij Syloson, die, aan de wacht der Helleensche krijgslieden gekomen, hen verzocht eenige oogenblikken op hem te wachten. De Samiër kende bij toeval den dienstdoenden taxiarch, en vroeg hem dus of hij ook van een moordenaar gehoord had, die men zeide dat van Naucratis naar Saïs was overgebracht.

»Zeker heb ik van hem gehoord!” luidde het antwoord. »Nauwelijks een half uur geleden is hij hier binnengebracht. Men vond aan zijn gordel een vollen buidel, en houdt hem voor een Perzischen spion. Gij weet toch zeker, dat Cambyzes toerustingen maakt tot een oorlog tegen Egypte?”

»Dat is niet mogelijk!”

»Het is de stellige waarheid! Den pharao is dit ook reeds bekend. Door Arabische kooplieden, wier karavaan gisteren te Pelusium aankwam, is dit bericht het eerst tot ons overgekomen.”

»Dit gerucht komt mij voor even dwaas te zijn als het vermoeden betreffende den Lydiër. Ik ken dezen zeer goed, en beklaag den armen jongen van ganscher harte. Hij behoort tot een der rijkste geslachten van Sardes, maar is vandaar gevlucht, omdat hij een geschil had met den Perzischen satraap Oroetes, en van diens geduchte vijandschap alles vreezen moest. Ik zal u de geheele geschiedenis uitvoerig verhalen, als gij mij binnen kort te Naucratis eens een bezoek brengt. Natuurlijk zijt gij dan voor een dag of wat mijn gast, en brengt gij eenigen uwer vrienden mede. Mijn broeder heeft mij van Samos een wijntje gezonden, dat zeker alles overtreft, wat ge tot nog toe geproefd hebt. Slechts eene fijne tong als de uwe gun ik dezen godendrank!”

»Geene van die allen zal ontbreken! Maar gij brengt mij daar weer op hetgeen ik u zeggen wilde; juist ter wille dier bloemenmeisjes zit de jonge Lydiër thans gevangen. Een ijverzuchtige botmuil, door eenigen zijner vrienden ondersteund, overviel den goeden jongen voor haar huis. Mijn Lydische driftkop weerde zich dapper....”

»En deed zijn belager den grond kussen?”

»Zóo, dat hij wel nimmer meer zal opstaan.”

»Dan moet die knaap wel goede vuisten hebben!”

»Hij had een zwaard bij zich.”

»Des te beter voor hem.”

»Neen, des te erger, want de verslagene is een Egyptenaar.”

»Het zou mij veel waard zijn, als men den armen schelm kon redden. Ik ken zijn vader.”

»Och, in den grond heeft hij ook niets gedaan, wat niet ieder ander zou doen, die hart in ’t lijf heeft. ’t Is toch van niemand te vergen, dat hij zich gedwee zal laten afranselen.”

»Weet gij ook, in welke gevangenis de arme jongen is opgesloten?”

»Ja! Het groote gevangenhuis wordt verbouwd; daarom is hij voorloopig in het magazijn gezet, dat de hoofdwacht der Egyptische lijfgarde van het bosch van den Neith-tempel scheidt. Ik ben zoo even eerst hier gekomen, en zag den armen schelm er heenbrengen.”

»Hij is moedig en sterk, zou het hem met een weinig hulp van buiten niet mogelijk zijn te ontsnappen?”

»Onmogelijk! Het gebouw, dat hem tot gevangenis dient, is twee verdiepingen hoog, en het eenige venster dat het heeft, ziet in het bosch der godin uit, dat, gelijk gij weet, door tien voet hooge muren omgeven is en als eene schatkamer bewaakt wordt. Aan al de poorten zijn dubbele posten uitgezet. Alleen waar de muur door het water bespoeld wordt, plaatst men tijdens de overstrooming natuurlijk geene schildwachten. Deze dieraanbidders zijn zoo voorzichtig als de kwikstaarten!”

»Dat is jammer! Dan zullen wij den armen hals aan zijn lot moeten overlaten. Vaarwel Daemones, geef spoedig gevolg aan mijne uitnoodiging!”

De Samiër verliet de wachtkamer, en ging aanstonds weder naar zijne vrienden, die hem met ongeduld zaten te wachten, en zijn bericht in de grootste spanning aanhoorden.

Toen de Helleen hun de gevangenis beschreven had, riep Darius: »Ik geloof, dat het ons met eenig overleg en een weinigje moed wel zal gelukken Zopyrus te redden. Hij is behendig en vlug als eene kat, en sterk als een beer. Ik heb een plan!”

»Laat hooren!” zeide Syloson. »Maar laat mij u vooraf zeggen, dat ook ik nog niet wanhoop.”

»Wij koopen touwladders, bindgaren en een goeden boog, bergen dat alles in de boot en varen, zoodra het donker wordt, naar de onbewaakte plaats van den tempelmuur. Gij helpt mij daarover te klauteren. Ik neem de gekochte voorwerpen mede, laat het geluid van den arend hooren, waaraan Zopyrus mij dadelijk zal herkennen, daar wij in onze jeugd er ons meermalen op de jacht van bedienden, om elkaar te waarschuwen, schiet den pijl met het bindgaren in het venster,—ik heb nog nooit mijn doel gemist,—roep mijn vriend toe, aan het uiteinde er van iets zwaars te hechten en dit neder te laten, en maak het garen aan de touwladder vast. Dan haalt Zopyrus het reddingstoestel op, slingert het om den ijzeren nagel, die in elk geval met de ladder naar boven moet, daar wij toch niet weten of er in zijne cel iets te vinden is, waaraan hij de ladder zou kunnen vastmaken, daalt naar beneden, snelt met mij naar de plaats, waar gij met de boot wacht, klautert met behulp van eene tweede ladder, die daar hangen moet, over den muur, springt in de boot, en is gered!”

»Heerlijk, heerlijk!”

»Welnu, dan is het gevaar ook zoo heel groot niet!” riep Darius. »Maar denken wij het eerst aan de hoofdzaak. Op staanden voet moet er eene boodschap naar Theopompus, om hem te verzoeken eene snelzeilende triëre voor ons te huren en zeilreê te doen maken. Reeds is hier de tijding van Cambyzes’ krijgstoerustingen aangekomen. Men ziet ons voor verspieders aan, en zal dus Zopyrus en zijne bevrijders met den grootsten spoed nazitten. Het zou dus onvergeeflijk zijn, indien wij ons nutteloos aan gevaren blootstelden. Gij, Bartja, moet de boodschap aan onzen gastheer overbrengen, en nog heden Sappho huwen, want morgen moeten wij Naucratis verlaten, wat er ook gebeure. Geen tegenspraak, mijn vriend, mijn broeder! Gij kent ons reddingsplan en weet dat gij bij de uitvoering, waartoe slechts éen noodig is, een werkeloos toeschouwer zoudt zijn. Ik heb den aanslag ontworpen, en zal niet dulden dat iemand anders dien ten uitvoer brengt. Morgen zien wij elkaâr weder, want Aoeramazda beschermt de vriendschap der reinen!”

Lang wilde Bartja er niet van weten, zijne makkers in den steek te laten; doch eindelijk gaf hij aan de vereende beden en voorstellen van beiden gehoor, en begaf zich naar den oever, om daar eene boot voor de terugreis naar Naucratis te huren, terwijl Syloson en Darius de benoodigdheden ter uitvoering van het ontwerp gingen aankoopen.

Om de ligplaats der huurvaartuigen te bereiken, moest de koningszoon den tempel van Neith voorbij. Dit was echter gemakkelijker gezegd dan gedaan, daar het volk zich in dichte hoopen voor de hoofdpoort van het heiligdom geschaard had. Toen Bartja was doorgedrongen tot bij de obelisken, die naast de met de gevleugelde zonneschijf en met wapperende vanen versierde poort van den tempel stonden, werd hij door de tempeldienaars, die den door sphinxen aangewezen processie-weg vrijhielden, tegengehouden. De reusachtige deuren werden geopend, en Bartja die tegen wil en dank in de voorste rij der toeschouwers was komen te staan, zag nu een schitterenden stoet de voorpoort uittrekken. De onverwachte aanschouwing van vele hem van vroeger bekende aangezichten hield zoozeer zijne opmerkzaamheid bezig, dat hij er nauwelijks acht op sloeg, hoe hem in het gedrang zijn breedgerande vilten hoed van ’t hoofd was geraakt. Uit het gesprek van twee achter hem staande Ionische soldaten begreep hij, dat het gezin van Amasis den tempel had bezocht, om voor den stervenden koning te bidden en te offeren.

Een gemompel van deelneming doorliep de menigte, die den stervenden koning van harte bemind had, en zijne wegkwijnende dochter met dat medelijden beschouwde, hetwelk men in den regel voor jeugdige teringlijders zoo diep gevoelt en zoo ruimschoots toont, vooral wanneer zij voor een schitterend en gelukkig leven geboren schijnen te zijn. Menig oog was vochtig, toen het de schoone lijderes gewaarwerd. Tachot scheen de liefderijke deelneming van het volk op te merken, althans zij sloeg hare oogen van het sistrum op, en zag de menigte met vriendelijken en dankbaren blik aan. Maar opeens verdween het blosje van hare wangen, om voor eene doodelijke bleekheid plaats te maken. Het gouden instrument ontzonk hare bevende handen, en viel kletterend op het steenen plaveisel van den processie-weg voor Bartja’s voeten neder. De jongeling gevoelde dat hij herkend was, en bezon zich een oogenblik, of het niet beter zou zijn zich te verbergen achter degenen, die naast hem stonden. Maar slechts een oogenblik weifelde hij, want spoedig had het ridderlijk karakter van den jongen held alle vrees voor eigen veiligheid overwonnen. Haastig raapte hij het sistrum op, en bood het der kranke koningsdochter aan, zonder het gevaar van herkend te zullen worden te tellen.

Alvorens Tachot het kostbare voorwerp uit zijne hand aannam, zag zij hem vragend aan, fluisterde, slechts voor hem verstaanbaar: »Zijt gij Bartja? Bij uwe moeder vraag ik u: zijt gij Bartja?”

»Ik ben het,” antwoordde hij even zacht, »Bartja uw vriend!”

Meer kon hij niet zeggen, want de tempeldienaars drongen hem met geweld onder de menigte terug. Toen hij weder op zijne vorige plaats stond, bemerkte hij, dat Tachot, wier dragers zich opnieuw in beweging hadden gesteld, nog eenmaal naar hem omzag. Hare wangen waren weder flauw gekleurd, en hare thans schitterende oogen zochten de zijne. Hij ontweek den blik der kranke niet, bukte nogmaals om eenen lotusknop, dien zij hem had toegeworpen, op te rapen, en baande zich toen met alle inspanning een weg door het volk, welks opmerkzaamheid hij in hooge mate begon te trekken.

Een kwartier later zat hij in eene boot, die hem naar Sappho en ter bruiloft moest voeren. Zijne bezorgdheid voor Zopyrus was geheel verdwenen; hij achtte hem reeds gered. Een zonderling gevoel van gerustheid vervulde zijn hart, in spijt van de hem dreigende gevaren, waarvan hij zichzelven geen rekenschap vermocht te geven.

Tachot verstond dit alles, en liet aan hare tranen den vrijen loop. Wat men tot heden toe voor haar verzwegen had, was haar thans op eens duidelijk geworden. Spoedig zou zij haar geliefden vader verliezen.

Nadat zij zich helder voor oogen had gesteld, welk een vreeselijke slag haar bedreigde, en hare dienstmaagden vergeefs had gebeden haar naar het bed van den beminden zieke te dragen, sloot zij haar oor voor de gesprekken der hovelingen, en beschouwde het sistrum, dat Bartja haar in de hand had gegeven en dat zij op het balkon had medegenomen, als verwachtte zij daarin troost te zullen vinden. En zij vond werkelijk dat, waaraan zij zoo groote behoefte had, want het was haar, als werd zij door den klank der gouden ringen van het speeltuig aan de werkelijkheid onttrokken, en in een lachend zonnig landschap verplaatst. Eene zekere matheid, een gevoel van machteloosheid, dat teringlijders meermalen overvalt, had zich van haar meester gemaakt, en voerde haar geest in de laatste levensuren in het liefelijke land der droomen. De slavinnen, die terwijl zij sluimerde met waaiers de vliegen uit hare nabijheid verdreven, verzekerden later, dat zij Tachot nooit zoo betooverend schoon gezien hadden als in die oogenblikken.

Ongeveer een uur had zij dus gelegen, toen hare ademhaling in een zwak rochelen overging, een lichte hoest hare borst deed rijzen, en een weinig bloed van eene flauwroode kleur op haar wit gewaad afvloeide. Thans ontwaakte zij, en zag verwonderd en bijna teleurgesteld de haar omringenden aan. Toen zij hare moeder Ladice bespeurde, die op dit oogenblik het balkon betrad, glimlachte zij weder en zeide: »O, moeder, hoe heerlijk heb ik gedroomd!”

»Het bezoek in den tempel is mijn lief kind dus goed bekomen?” vroeg de koningin, met schrik de bloeddruppels aan de lippen der kranke bemerkende.

»O, moeder, zoo goed! Ik heb hem weder gezien!”

Ladice zag de dienstmaagden harer dochter angstig aan, als wilde zij vragen: »Is dan het verstand uwer arme meesteres gekrenkt?”

Ladice knielde voor de rustbank harer dochter neder, en drukte brandende kussen op de reeds gebrokene oogen der jonkvrouw.

Een uur later stond de koningin voor eene andere sponde, het sterfbed van haar echtvriend.

Het aangezicht des konings was door het vreeselijk lijden zeer vermagerd en verwrongen. Koud zweet parelde op zijn voorhoofd, en zijne handen omklemden de gouden leeuwen, die de zijleuningen uitmaakten van den diepen ziekenstoel, waarin hij rustte. Toen Ladice in het vertrek kwam, opende hij de oogen, die nog altijd helder en levendig schitterden, niettegenstaande zij een tijdlang van het licht beroofd waren geweest.

»Waarom brengt gij Tachot niet tot mij?” vroeg hij met eene heesche stem.

»Zij is te ziek, te lijdende om....”

»Zij is dood!—Zij is gelukkig, want de dood is geene straf, maar het einddoel des levens, het eenige doel, dat wij zonder moeite, maar de goden weten het, ten koste van veel lijden bereiken. Ra voert haar mede in zijn schuit met zijne getrouwen, en Osiris zal haar tot zich nemen, want zij was zonder schuld. Ook Nitetis is dood. Waar is de brief van Nebenchari?—Daar staat het: ‘Zij benam zichzelve het leven en stierf, onder het uitspreken van een zwaren vloek over u en de uwen. Dit bericht, dat even waarachtig is als mijn haat tegen u, zendt u de arme, verbannene, beleedigde en bestolene oogarts uit Babylon naar Egypte toe.’

De koning zuchtte en zweeg een geruime poos. Eindelijk zag hij zijne gemalin aan, met een weemoedigen blik, die van innige liefde getuigde, en zeide: »Gij, Ladice, zijt mij eene trouwe, deugdzame gade geweest. Ik dank u daarvoor, en bid u voor vele dingen om vergeving. Dikwijls konden wij elkander niet begrijpen. Ja, het viel mij gemakkelijker mij te verplaatsen in de denkbeelden van uw volk, dan u, de godsdienstige begrippen der Egyptenaren te vatten. Gij weet, hoe hoog ik de kunst van uwe landslieden schatte, hoe gaarne ik met uw vriend Pythagoras verkeerde, hij, die zoo diep was ingewijd in hetgeen wij weten kunnen en gelooven moeten, en hoeveel ik daarvan dankbaar aannam. Hij, die den verborgen zin had gevat van leerstellingen, die mij voorkomen boven alles heilig te zijn, ontzag zich wel met waarheden te spotten, die de priesterschap misschien al te angstvallig voor het volk verborgen houdt. Dat volk buigt zich gewillig voor het onbegrijpelijke en die het verkondigen. Zou het niet schooner en edeler zijn, wanneer men het de waarheid leerde verstaan, wanneer men het ophief in plaats van het in onwetendheid te laten? Voorzeker, de priesters zouden op deze wijze minder gehoorzame dienaars vinden, maar de goden meer vrije en oprechte vereerders. Met onzen dierendienst, Ladice, hebt gij u het minst kunnen verzoenen, maar ik acht het toch beter en den mensch waardiger, den schepper in zijn schepsel dan in steenen beelden te aanbidden. Bovendien hebben uwe goden alle zwakheden met de menschen gemeen, en ik zou mijne koningin wel zeer ongelukkig hebben gemaakt, als ik gelijk de Grieksche Zeus geleefd had.”

De koning zeide dit met een glimlach. »Maar weet gij, hoe dat komt?” vervolgde hij. »Deze Hellenen stellen den schoonen vorm boven alles; daarom is het hun niet mogelijk het lichaam, dat zij als het voortreffelijkste van al het geschapene beschouwen, van de ziel te scheiden; gelijk zij ook aannemen, dat in een schoon lichaam noodwendig eene schoone ziel moet wonen. Derhalve zijn hunne goden niets dan de veredelde menschen, terwijl wij ons voorstellen, dat de godheid als een kracht in de natuur en in ons zelven werkt. Tusschen beiden in staat het dier, dat niet als wij handelt volgens geschrevene wetten, maar gehoorzaamt aan de eeuwige wetten der natuur. Gene zijn door de menschen uitgedacht, deze echter hebben onmiddellijk aan de goden haar ontstaan te danken. En welk schepsel haakt zoozeer naar vrijheid, het hoogste goed, als het dier? Welk schepsel leeft zonder leering en onderricht zoo gelijkmatig van geslacht tot geslacht voort, als het dier?”

Hier begaf den koning voor eenige oogenblikken zijn stem. Na eene pauze vervolgde hij: »Ik voel dat mijn einde nadert; daarom zal ik niet lang bij deze dingen stilstaan, maar u, mijn zoon en opvolger, mijn uitersten wil doen kennen. Handel dienovereenkomstig, want het is uit ervaring, dat ik tot u spreek! Maar helaas! Honderd malen heb ik, gedurende mijn langdurig leven, gezien dat alle levensregels, die anderen ons medegeven op onzen weg, nutteloos zijn. Geen mensch kan voor een ander ervaringen opdoen; alleen door eigen schade en schande wordt men wijs! Gij beklimt den troon op rijpen leeftijd, mijn zoon, en hebt den tijd gehad om na te denken over al wat recht en onrecht, heilzaam en verderfelijk is, en verschillende dingen te zien en met elkander te vergelijken. Daarom geef ik u geene algemeene lessen, maar stel mij tevreden met u enkele nuttige raadgevingen op ’t hart te binden. Ik geef ze u met mijn rechterhand, maar ik vrees, dat gij ze met de linker zult aannemen.

»Vóor alle dingen moet gij weten, dat ik gedurende de laatste maanden, niettegenstaande mijne blindheid, slechts in schijn een onverschillig toeschouwer was van uwe daden, en u met een bepaald doel de handen vrijliet. Rhodopis vertelde mij eens eene fabel van haar leermeester Aesopus: Een reiziger ontmoette een man, en vroeg dezen, hoe veel tijds hij noodig zou hebben om de naaste stad te bereiken. ‘Loop!’ was het antwoord.—‘Maar zeg mij eerst, hoe lang ik loopen moet om er te komen?’—‘Loop! Loop maar!’—De reiziger meende, dat de man hem voor den gek hield, en keerde dezen den rug toe, onder vloeken en verwenschingen. Nadat hij eenige schreden gedaan had, riep de ander hem terug, en zeide: ‘Gij zult een uur noodig hebben, om de stad te bereiken. Ik kon uwe vraag niet met zekerheid beantwoorden, voordat ik eerst de snelheid van uw gang had gezien!’ »Aan deze fabel heb ik vaak gedacht, en zwijgend sloeg ik uw bestuur gade, om u thans in uw eigen belang te kunnen zeggen, of gij te snel of te langzaam wandeldet. Nu weet ik wat ik wenschte te weten, en bij mijne bijzondere raadgevingen voeg ik dus de algemeene les: Onderzoek zelf alle dingen! Op ieder mensch, maar vooral op een koning, rust de verplichting, zich in eigen persoon te overtuigen van alles, wat hun betreft, voor wier welzijn hij te zorgen heeft. Gij, mijn zoon, ziet te veel door vreemde oogen, hoort te veel door vreemde ooren, en put veel te weinig uit oorspronkelijke bronnen. Uwe raadslieden, de priesters, bedoelen zeker niets dan wat goed is, maar,—Neithotep, ik bid u, laat ons een oogenblik alleen!”

Zoodra de opperpriester zich verwijderd had, vervolgde de koning: »Zij willen wat goed is, maar slechts dat wat voor hen goed is! En wij zijn niet koningen voor priesters en aanzienlijken, maar voor het volk. Geef daarom niet uitsluitend acht op den raad dezer trotsche kaste, maar onderzoek zelf, door met eigen oogen alle smeekschriften te lezen, en trouwe, u toegedane en door het volk beminde nomarchen te kiezen, die u leeren, wat den Egyptenaren ontbreekt, wat zij van u hopen en wat zij behoeven. Weet gij nauwkeurig hoe het in het land gesteld is, dan is het zoo moeilijk niet goed te regeeren. Kies gij maar bekwame beambten; voor de juiste en doelmatige verdeeling van het rijk heb ik gezorgd. Onze wetten zijn goed en proefhoudend bevonden. Houd u daaraan, en vertrouw niemand, die zich voor verstandiger uitgeeft dan de wet. Ik zeg u, de wet is altijd en in elk geval verstandiger dan de enkele mensch, en die haar overtreedt heeft straf verdiend. Niemand gevoelt dit zoo diep als het volk, dat zich voor ons te gewilliger alle offers getroost, naarmate wij meer onze eigene inzichten aan de wet ten offer weten te brengen. Gij bekommert u niet veel om het volk. De stem des volks is in den regel wat ruw; maar meestal spreekt zij de waarheid, en niemand heeft de waarheid meer noodig dan een koning. De pharao, die uiterst gewillig den raad van priesters en hovelingen volgt, zal de meeste vleierijen hooren. Daarentegen zal hij, wiens streven het is, de wenschen van het volk te vervullen, veel te lijden hebben van zijne omgeving. Met zichzelven zal hij echter vrede hebben, en eere bij het nageslacht. Veel heb ik gedurende mijn leven misdaan, en toch zullen de Egyptenaren mij beweenen, want ik kende ten allen tijde hunne behoeften, en zorgde als een vader voor hun geluk. Een koning, die zijne plichten kent, moet zich de liefde zijns volks weten te verwerven; en dit zal hem niet moeilijk vallen. Daarentegen is het een ondankbaar streven den bijval der grooten te zoeken. Bijna onmogelijk acht ik het de tevredenheid van beiden te oogsten.

»Herinner u steeds, dat gij en de priesters voor het volk, en niet het volk voor u en de priesters bestaat. Houd den godsdienst in waarde om zijns zelfs wil en als den hechtsten grondslag van de gehoorzaamheid des volks jegens zijne koningen; maar doe haren verkondigers steeds gevoelen, dat gij hen niet als de verpersoonlijking doch als de dienaren der godheid beschouwt. Het is hun gelukt zich in het bewustzijn der menigte boven de godheid te stellen, en van de Egyptenaren gehoorzame priesterknechten in plaats van godendienaars te maken. Dit werk van zoovele eeuwen kan de macht van een vorst niet vernietigen, maar wij kunnen den priesters wel beletten het belang van den staat ondergeschikt te maken aan hunne bijzondere bedoelingen. Geloof mij, mijn zoon, de priesterschap zal, zoodra zij den invloed harer kaste bedreigd ziet, zich niet ontzien het welzijn van den staat in de waagschaal te stellen!

»Houd, gelijk de wet u voorschrijft, aan het oude vast; maar sluit nimmer de poorten van het rijk voor het nieuwe, dat beter blijkt te zijn. Booze menschen alleen verwerpen haastig het oude; dwazen vinden alles goed, wat nieuw en vreemd is, maar bekrompenen van verstand of baatzuchtige bevoorrechten klemmen zich onvoorwaardelijk aan het oude vast en noemen allen vooruitgang zonde. De wijze legt er zich op toe datgene in stand te houden, wat in het verleden gebleken is goed te zijn; dat wat blijken mocht schadelijk te werken af te schaffen; wat beter is, onverschillig uit welke bron het voortvloeit, aan te nemen. Mijn zoon, handel gij evenzoo! De priesters zullen beproeven u terug te dringen, de Hellenen u voorwaarts te drijven. Sluit u bij de eene of andere partij aan; maar wacht er u voor, tusschen beide in te blijven staan en heden aan deze, morgen aan gene het oor te leenen. Wie op twee stoelen tegelijk wil zitten, komt op den grond te recht. De eene partij zij uw vriend, de andere uw vijand, want beproeft gij beide te vriend te houden, dan zullen zij zeer spoedig beide uwe vijanden zijn. De menschen zijn nu eenmaal zoo; zij haten degenen, die hunne vijanden wèl doen.

»Gedurende de laatste maanden, dat gij zelfstandig regeerdet, hebt gij, door uw onzalig weifelen, beide partijen tegen u in het harnas gejaagd. Wie, gelijk de kinderen, nu eens voorwaarts gaat, dan weer terugkrabbelt, komt nooit vooruit en verbruikt geheel nutteloos zijne krachten. Ik hield het met de Hellenen, en was de tegenstander der priesters, tot ik mijn laatste uur voelde naderen. Voor het maatschappelijk leven schenen mij de dappere en verstandige Grieken bijzonder bruikbaar; nu ik ga sterven heb ik daarentegen hen noodig, die mij een pas naar de onderwereld moeten bezorgen. Mogen de goden het mij vergeven, dat ik, zelfs nog in mijn laatste uur, mijn mond niet beletten kan een taal te spreken, die zoo lichtzinnig klinkt. Zooals ìk ben, hebben zij mij gemaakt, en zij moeten het nu ook maar voor lief met mij nemen. Ik wreef in mijne handen toen ik koning werd; moogt gij de hand op uw hart leggen, als gij den troon bestijgt!—Roep thans Neithotep weder binnen, u beiden heb ik nog iets te zeggen!”

Toen de opperpriester aan zijne zijde stond, strekte de koning de hand naar hem uit, en vervolgde: »Ik scheid zonder wrok van u, ofschoon ik meen, dat gij uwe plichten als priester beter wist te vervullen, dan die op u rustten als zoon van dit land en dienaar des konings. Psamtik zal, geloof ik, gewilliger gehoorzamen dan ik. Eén ding echter druk ik u beiden op het hart: Ontslaat de Helleensche krijgsbenden niet uit uw dienst, dan nadat gij met hare hulp de Perzische legermacht hebt bevochten, en zoo ik hoop overwonnen! Mijne voorspelling van vroeger heeft geene waarde; men verliest zijne opgewektheid, en ziet de zaken een weinig donker in, als de stervensure nadert. Zonder de hulptroepen zoudt gij reddeloos verloren zijn; met hunne hulp is het niet onmogelijk, dat het Egyptische leger de overwinning behaalt. Weest bedachtzaam en brengt den Ioniërs aan het verstand, dat zij aan den Nijl voor de vrijheid van hun eigen vaderland strijden. Cambyzes zou na eene overwinning met Egypte niet tevreden zijn, terwijl de nederlaag der Perzen den onderworpen Ioniërs de vrijheid zou kunnen hergeven. Ik wist wel, Neithotep, dat gij het met mij eens zoudt zijn, want in den grond meent gij het goed met Egypte. Thans verzoek ik u mij de heilige gebeden voor te lezen. Ik voel mij zeer uitgeput; het zal spoedig gedaan zijn. Kon ik die arme Nitetis maar vergeten! Had zij recht ons te vervloeken? Mogen de doodenrechters en Osiris zich over onze zielen erbarmen!—Zet u hier neder, Ladice, en leg de hand op mijn gloeiend voorhoofd; en gij, Psamtik, zweer, in tegenwoordigheid dezer getuigen, dat gij uwe stiefmoeder zult hoogachten en ontzien, als waart gij haar eigen kind.—Arme vrouw! Gij zult mij spoedig bij Osiris komen zoeken. Wat bindt u nog verder zonder echtgenoot en kinderen aan deze aarde? Wij hebben Nitetis als onze eigene dochter opgekweekt, en toch werden wij om harentwil zoo zwaar gekastijd. Maar haar vloek treft ons alleen; niet u, Psamtik, niet uwe kinderen!—Breng mij thans mijn kleinzoon. Ik geloof waarlijk, dat er een traan over mijne wang rolt. Zoo gaat het gewoonlijk; te scheiden van kleine dingen, waaraan men zich gewend heeft, kost ons de meeste moeite.”

De Athener had veel nieuws te vertellen, en toen Rhodopis zich eindelijk om de eene of andere bezigheid verwijderen moest, volgde hij Sappho, zijne lieveling, in den tuin, om daar naar den vriend uit te zien, dien zij verlangend wachtte. Kallias plaagde haar niet weinig, wijl zij zich na zulk eene korte scheiding reeds angstig maakte. In het eerst lokte zijne scherts een glimlach om hare lippen, doch langzamerhand nam hare bezorgdheid toe, en werd haar gelaat ernstiger. Nu riep hij de oude Melitta, die bijna nog angstiger dan hare meesteres den weg naar Naucratis opzag, en verzocht haar het snarenspeeltuig, dat hij had medegebracht, in den tuin te brengen.

“Werd op Sipylos’ gebergte, In den tijd van ’t grijs verleên, Tot heur straf Amphion’s gade, Niobé, verkeerd in steen; Is weleer Pandion’s dochter, In ’t onmeetlijk ruim der lucht, Als een vluggewiekte zwaluw, Theseus wrekend zwaard ontvlucht;— Ik, ik wilde uw spiegel wezen, Opdat mij ten allen tijd’, ’t Harte door uw hemelsche oogen Werd gekoesterd en verblijd! ’k Wenschte steeds met heet verlangen, Dat ik u ten mantel wierd, Die u met zijn losse plooien Langs de blanke schoudren zwiert! Of ik zag mij gaarn veranderd, In het helder bronkristal, Dat, met oorenstreelend ruischen, Kronkelt door het lomrig dal, Opdat, als ge uw poezle leden Wascht in ’t zilverspattend vocht, Ik, bij felle zomerhitte, Die verkoelen, streelen mocht! ’k Zag mij liever nog herschapen In den balsem, lieve maagd! Die er op uw vlechten druppelt, En u door zijn geur behaagt; In de paarlen, die er dartlen, Stoeien langs uw’ elpen hals, Of in d’overkostbren gordel Van uw golvend boezemmalsch! Maar het liefste, dierbre schoone, Als mijn hart zijn wensch bezat, In uw schoentje, opdat gedurig Mij uw kleine voet betrad.”

»Gij duidt den zanger toch niet ten kwade, dat hij een weinig vrij is geweest?”

»Hoe zou ik dat kunnen! Met een dichter moet men het zoo nauw niet nemen!”

»Allerminst met dezen!”

»Die zulk een uitstekenden zanger tot overbrenger zijner liederen kiest!”

»O, gij vleister! Ja, toen ik twintig jaren jonger was, werden mijne stem en voordracht met recht geroemd; maar thans is dat lang voorbij!”

»Ik kan niet zingen; ik maak mij te ongerust over Bartja en zijne vrienden.”

»Dat is met andere woorden, dat het verlangen naar den beminde u de keel als toeschroeft. Kent gij het lied uwer Lesbische moei, de groote Sappho, dat de gemoedsgesteldheid schildert, waarin gij u in dit oogenblik allerwaarschijnlijkst bevindt?”

»Ik geloof het niet.”

»Zoo luister. Voorheen pronkte ik het liefst met dit gedicht, dat geene vrouw, maar Eros zelf schijnt te hebben vervaardigd:

“Wel hem! die aan uw zij, uw teedre stem mag hooren; Wiens blik den lach verrast, die kleurt op lip en koon; Hij is door ’t godendom ten lievling uitverkoren, Hij evenaart de goôn.

“Wen u mijn oog ontwaart, begint mij ’t hart te jagen, En ’t bloed stroomt, als gezweept, door de adren op en neêr; Mijn tong ligt zonder spraak, en om mijn leed te klagen, Vinde ik geen klanke meer.

“Een licht en vluchtig vuur komt door mijn leen gevlogen, Een kil en machtloos zweet breekt me op ’t voorhoofd door; Het duister van den nacht omvangt de brekende oogen, En ’t suist en ruischt me in ’t oor.

“Als door een koorts vermand, vangt ’t lichaam aan te beven, Een vaal en doodlijk bleek bedekt mij ’t aangezicht; Ik kwijn, ik zwijm, ik schei, van eeuw’gen nacht omgeven, Weldra van ’t levenslicht.”

»Welnu, wat zegt gij van dit lied? Maar, bij Heracles, kindlief, wat zijt gij bleek geworden! Hebben deze regelen u zoo aangedaan, of zijt gij alleen maar getroffen door de getrouwe voorstelling van uw eigen smachtend hart? Stel u toch gerust, meisje, wie weet wat uw geliefde zoo lang ophoudt.”

»Niets, niet met al!” klonk op dit oogenblik eene heldere mannenstem. En weinige seconden later lag Sappho aan de borst van den geliefden jongeling.

Kallias zag zwijgend deze omarming aan, en glimlachte van genoegen over de uitnemende schoonheid van dit jeugdige paar.

»Vóór alle dingen,” riep de koningszoon, nadat hij met Kallias kennis had gemaakt, »moet ik uw grootmoeder thans opzoeken. In plaats van binnen vier dagen moet nog heden de bruiloft gevierd worden. Ieder uur vertragens kan ons gevaarlijk worden. Is Theopompus hier?”

»Ik denk het wel,” antwoordde Sappho, »want ik zou niet weten, waarom grootmoeder anders zoolang in huis blijft. Maar wat zeidet gij daar van de bruiloft? Ik geloof....”

»Laat ons eerst naar binnen gaan, liefste; ik vrees dat er een onweder opkomt. De lucht betrekt zwaar, en het wordt ondraaglijk drukkend.”

In het woonvertrek van Rhodopis vonden zij, gelijk Sappho terecht vermoed had, Theopompus. Hij had zoo even zijn verhaal van de gevangenneming van Zopyrus en van de reis van Bartja en zijne vrienden ten einde gebracht. Daar beiden uiterst bezorgd waren over den afloop dezer zaak, was het eene groote vreugde althans den koningszoon zoo geheel onverwacht voor zich te zien. In weinige woorden bracht Bartja hen op de hoogte van de gebeurtenissen der laatste uren, en verzocht Theopompus op staanden voet werk te maken van een zeilree schip voor hem en zijne vrienden.

»Dat treft uitnemend!” riep Kallias. »Mijne eigene triëre, die mij heden naar Naucratis bracht, ligt in de haven gereed, en is tot uw dienst. Ik heb slechts den stuurman te bevelen de manschap bijeen en alles gereed te houden.—Gij hebt mij niet te danken, veel meer ben ik u dank schuldig voor de eer, die gij mij bewijst. Hei daar, Knakias, zeg dadelijk aan mijn slaaf Philomelus, die buiten in de voorzaal wacht, dat hij zich naar de haven late roeien, en mijn stuurman Nausarchus gelaste alles tot vertrek gereed te houden. Stel hem slechts dit zegel ter hand, dat hem tot alles de noodige volmacht geeft!”

»En mijne slaven?” vroeg Bartja.

»Knakias zal mijn ouden hofmeester bevel geven, hen naar het schip van Kallias te brengen,” antwoordde Theopompus.

»Als zij dit teeken zien, zullen zij geen bezwaar maken, om hem te volgen,” hernam Bartja, den ouden knecht zijn ring gevende.

Toen Knakias met vele buigingen het vertrek verlaten had, vervolgde de koningszoon: »En nu, mijne moeder, heb ik u een dringend verzoek te doen.”

»Ik raad wat het is,” zeide Rhodopis vriendelijk. »Gij wenscht, dat men de voltrekking van uw huwelijk bespoedige, en ik zie wel in, dat ik aan uw verlangen gehoor zal moeten geven.”

»Als ik mij niet bedrieg,” riep Kallias, »dan hebben wij hier met twee menschen te doen, die, zonderling genoeg, zich van harte verblijden over het gevaar dat hen bedreigt.”

»Het kon wel zijn, dat gij juist geraden hadt,” antwoordde Bartja, heimelijk de hand zijner liefste drukkende. Daarop wendde hij zich nogmaals tot Rhodopis, en bad haar, zonder aarzelen haar kostelijk kleinood, waarvan hij alleen de waarde wist te schatten, af te staan.

Nu begonnen vijf geoefende sopraan-stemmen op klagenden toon het lied van Sappho te zingen:

“Zooals in het gebergte de hyacinth, door de voeten Van den herder vertrapt, ten bodem zinkt, waar de purpren Bloem verwelkt in het stof, geknakt, door ieder vergeten;— Zoo wordt de jonkvrouw, wanneer zij de bloem harer kuischheid verspeeld heeft, Door de mannen geminacht en door de maagden gemeden. Hymen, o Hymenaeus, o Hymen, kom, Hymenaeus!”

Een koor van zwaardere stemmen antwoordde op jubelenden toon:

“Zooals de wingerd die treurt, wen ze eenzaam staat op de vlakte, Maar aan de olmen gepaard omhoog schiet, ranken en druiven Slingerend hoog om den top, tot innige vreugd van den landman;— Zoo wordt de vrouw, in den bloei harer jeugd den huw’lijksband knoopend, Innig bemind door haar man en verheugt zij het hart harer ouders. Hymen, o Hymenaeus, o Hymen, kom, Hymenaeus!”

Hierna vereenigden beide koren zich in het: »Hymen kom, Hymenaeus” om dit nogmaals en nogmaals op smachtenden en juichenden toon te herhalen.

Plotseling verstomde het gezang, daar een bliksemstraal, gevolgd door een zwaren donderslag, door de opening van het dak flikkerde, waaronder Kallias het jonge paar had geplaatst. »Ziet gij?” riep de dadoeche, zijne hand ten hemel heffende, »Zeus zelf zwaait de bruiloftsfakkel, en zingt den hymenaeus voor zijne lievelingen!”

Nauwelijks was de volgende morgen aangebroken, of Bartja en Sappho traden uit hun slaapvertrek den tuin in, die na het onweder, dat den ganschen nacht door met heftigheid gewoed had, evenals het aangezicht der jonggehuwden, met een waas van nieuw jeugdig leven was overtogen. Het schoone paar was zoo vroegtijdig van het bruidsleger opgestaan, wijl in Bartja’s ziel de bezorgdheid over het lot zijner vrienden, die hij in den roes van zijn geluk bijna vergeten had, zich opnieuw en met onweerstaanbare kracht had doen gelden.

De tuin lag op een kunstmatig aangelegden heuvel, die zich boven de overstroomde vlakte verhief, en een uitgestrekt vergezicht opende. Op den spiegel van den prachtigen stroom dreven witte en blauwe lotusbloemen, aan den oever en op de ondiepe plaatsen vertoonden zich dicht opeengedrongen groote zwermen watervogels. Zooals de sneeuwvelden op het hooggebergte deden de aan de oevers van den stroom staande zwermen zilverreigers zich aan het oog voor. Eenzaam beschreven breedgevleugelde arenden groote kringen in de reine morgenlucht, tortelduiven wiegden zich in de kronen der palmen, terwijl pelikanen en eenden op den waterspiegel dreven, om, zoodra het gekleurde zeil eener bark zichtbaar werd, snaterend en klapwiekend omhoog te stijgen. De lucht was door het nachtelijk onweder afgekoeld. Er woei een frissche noord-oostenwind, die reeds een vrij groot aantal vaartuigen over de onder water staande velden de rivier opstuwde, ofschoon de zon nog maar even boven de kim was gerezen. Het gezang der matrozen, het plassen der riemen en het gekwinkeleer der vogelen vereenigden zich, om het eentonige en toch bonte landschap van het overstroomde Nijldal meer leven te geven.

De jeugdige echtelingen stonden, elkaar met de armen omstrengelend, voor den lagen muur, die den tuin van Rhodopis omgaf, en vermeiden zich, onder het wisselen der teederste woorden, in de aanschouwing van het liefelijke tooneel, tot Bartja’s scherpe blik een vaartuig ontdekte, dat door den wind en krachtige riemslagen met spoed voortgedreven, recht op het landhuis aanhield. Weinige minuten later legde de boot bij den tuin aan, en kort daarop stonden Zopyrus en zijne bevrijders voor den koningszoon.

De Athener verwelkomde de vluchtelingen aan boord zijner triëre en nam vooral van Sappho en Bartja een hartelijk afscheid. De laatste hing den ouden man eene ongemeen kostbare keten om den hals, ten bewijze zijner dankbaarheid; terwijl Syloson den edelen Darius, tot een aandenken aan het gemeenschappelijk doorgestane gevaar, zijn purperen mantel, een onschatbaar meesterstuk van Sidonische verfkunst, dat de bewondering van Hystaspes’ zoon had opgewekt, om de schouders wierp. Darius nam dit geschenk met blijdschap aan en riep den broeder van Polycrates bij het afscheid toe: »Herinner u steeds, Helleensche vriend, dat ik u grooten dank schuldig ben, en stel mij zoo spoedig mogelijk in de gelegenheid, u een wederdienst te bewijzen!”

»Maar dan komt gij eerst tot mij, tot Zopyrus,” riep de geredde, terwijl hij zijn belangeloozen bevrijder omarmde. »Ik ben bereid mijn laatste goudstuk met u te deelen, en wat meer zegt, mij om uwentwil eene week lang te laten opsluiten in het verwenschte gat, waaruit ge mij hebt verlost!—Maar reeds worden de ankers gelicht. Vaarwel, dappere Helleen! Groet de drie gezusters, de bloemenmeisjes van mij, vooral de kleine Stephanion, en zeg haar dat, tengevolge mijner tusschenkomst, haar langbeenige bruidegom haar in lang het leven niet zal verbitteren.—Ja, nog iets! Neem dezen buidel met goud voor de vrouw en de kinderen van den Egyptischen wijsneus, die bij die geschiedenis het leven verloor.”

Gij wijddet al uw dagen, o grijsaard, blij te moe, Aan Dionysos, Eros en ’t koor der Muzen toe.

Notes in this chapter

Note 1 · De vilten hoeden (petasos) werden eerst door de Grieken, daarna ook door de Romeinen gedragen, tot bescherming tegen de zonnestralen. Op denNote 2 · Op de oude gedenkteekenen, bijv. te Thebe, Benihassan en Saqqara vindt men het leven der nijvere handwerkslieden, zooals schoenmakers, potteNote 3 · Wevende en spinnende mannen en vrouwen komen op de monumenten dikwijls voor. In het Berlijnsch museum zijn eenige Egyptische spinrokkens; inNote 4 · Het Egyptische bier, dat de Grieken ‘zythos’ noemden, was algemeen bekend, maar stond niet hoog aangeschreven. Osiris zou het met den wijn aNote 5 · zie boven bl. 110.Note 6 · Eene beroemde hetaere van Naucratis.Note 7 · Misdadigers, die ter dood veroordeeld waren, werden in Egypte gewoonlijk opgehangen.Note 8 · Zie boven blz. 84.Note 9 · Priesters, die bij feestelijke optochten, de heilige dieren, de godenbeelden, enz. moesten dragen. De priesters waren verdeeld in opperpriesNote 10 · Zie de beschrijving van dit instrument in Ebers’ Warda, Dl. II bl. 102.Note 11 · Dergelijke optochten van vrouwen ziet men op de gedenkteekenen, bijv. te Thebe, waar de vrouw van Ramses II en de moeder, de dochter en de zNote 12 · Op de monumenten in Thebe vindt men de voorstelling van een plattegrond eener villa, in vogelvlucht gezien.Note 13 · Ramses III is de Rhampsinit, van wien Herodotus ons dat aardige sprookje vertelt, hetwelk graaf von Platen stof gaf tot een drama. De schat Note 14 · Een Egyptisch snareninstrument.Note 15 · De bijnaam “meesteres of beheerscheres der weegschaal” had zijn grond hierin, dat de godin der waarheid de zielen der afgestorvenen in de onNote 16 · zie boven bl. 29 en 31.Note 17 · Een snareninstrument, dat grooter was dan de lier. Het stond in verhouding tot de luit als eene cello tot eene viool.Note 18 · Antipater van Sidon vervaardigde op hem het volgend epigram:Note 19 · Anacreon was van Teos afkomstig.Note 20 · Een klein staafje van elpenbeen, waarmede men de snaren tokkelde.Note 21 · Hoewel een onweder in Egypte tot de zeldzaamheden behoort, zoo komt het toch wel eens voor. Ebers trof in Januari 1870 een onweder in Opper-Note 22 · De Grieken waren gewoon, als een onweder dreigde, aan de stormen, die tot de goden der onderwereld behoorden, een zwart lam te offeren.Note 23 · Zoo heetten de bruiloftsliederen, naar het refrein: “Hymen, o Hymenaee.”Note 24 · Eene Helleensche bruid verscheen in feestdos, en ook zij die haar geleidden droegen sierlijke gewaden.Note 25 · Sappho.Note 26 · De moeder der bruid ontstak de fakkel. De fakkeldrager moest den God Hymen voorstellen.Note 27 · Dit gebruik bestond later ook te Rome.Note 28 · Zie boven blz. 145.Note 29 · Het schip heette naar de godin der gezondheid.Note 30 · zie boven bl. 145.Note 31 · Het aangezicht van den taxiarch glansde van genoegen, terwijl hij, Syloson bij de hand vattende, uitriep: »Bij den hond5, vriend, wij zullenNote 32 · »Dat is eene gekke geschiedenis, die zeker slecht zal afloopen. Een vreemdeling die een Egyptenaar doodt, schiet er zoo zeker het hachje bijNote 33 · »Maar zeer gewaagd!” sprak Syloson. »Als wij in het heilige bosch betrapt worden, kunnen wij verzekerd zijn, een zware straf op te loopen. DNote 34 · Priesters, rijk getooid in pantervellen of lange witte kleederen, openden den stoet. Op deze volgden hofbeambten, met gouden staven in de haNote 35 · Intusschen was de kranke koningsdochter in het paleis teruggekeerd. Zij had zich van de feestkleederen die haar benauwden laten ontdoen en zNote 36 · Thans, nu ’s konings uiteinde met rassche schreden naderde, waren allen, zelfs de priesters, vol van zijn lof. Hier hoorde men de wijsheid zNote 37 · Tachot begreep dien blik, en zeide, al hare krachten verzamelende: »Gij meent dat ik ijl, moeder? Ik zeg u echter, dat ik hem niet alleen geNote 38 · »Verneem deze woorden, Psamtik, en laat u door uw stervenden vader waarschuwen. Alle onrecht, dat u op aarde éen drachme genot verschaft, zaNote 39 · Een nieuwe gast was dienzelfden avond in het huis van Rhodopis aangekomen, namelijk Kallias, de zoon van Phaenippus16, uit wiens mond wij inNote 40 · Nadat hij de schoone, tamelijk groote luit van goud en elpenbeen aan de jonkvrouw ter hand had gesteld, zeide hij: »Dit heerlijke speeltuig Note 41 · »Gij bedelt om nog meer lof, ik laat mij dien evenwel niet afdwingen. Maar is deze zoogenaamde barbiton, met hare zoete tonen, ook voor andeNote 42 · »Zeer zeker! Neem het plektron20 slechts, en beproef zelve eens de snaren te tokkelen, die trouwens voor uw teedere vingers wel wat zwaar ziNote 43 · »Kom dan spoedig,” riep Sappho, »zoo gij niet wilt, dat ik van nieuwsgierigheid sterf! Over het onweder behoeft gij u zoo erg niet te verontNote 44 · »Dan zult gij heden iets vreemds zien gebeuren,” zeide de Athener lachend. »Zoo even viel er een zware regendroppel op mijn kale kruin. ToenNote 45 · Rhodopis richtte zich hoog op, legde hare rechterhand op Sappho’s, hare linker op Bartja’s hoofd, en zeide: »Er bestaat eene sage, kinderen,Note 46 · Dit zeggende, legde de oude vrouw de handen der gelieven ineen, sloot Sappho aan haar hart, en drukte een zachten kus op het voorhoofd van dNote 47 · »Spoed u!” riep Kallias, die thans weder in zijne gewone opgeruimde stemming kwam. »Ook mag de nicht der grootste hymenaeën-dichteres25 nietNote 48 · Het plan van Darius was, dank zij het heftige en op dien tijd van het jaar zoo zeldzame onweder, dat de Egyptenaren niet weinig had doen ontNote 49 · Thans vielen de ankers rammelend op het dek neer; de wind vulde het uitgespreide zeil, en uit het ruim der triëre steeg het eentonig keleusm
Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings