← Table of contents
Eene Egyptische Koningsdochter

Note 14 — Vijfde hoofdstuk.

Hendrik Cornelis Rogge translation

Tachot begreep dien blik, en zeide, al hare krachten verzamelende: »Gij meent dat ik ijl, moeder? Ik zeg u echter, dat ik hem niet alleen gezien, maar zelfs gesproken heb. Hij gaf mij het sistrum in de hand, en zeide dat hij mijn vriend was. Toen raapte hij mijn lotusknop van den grond op en verdween in het gedrang. Zie mij niet zoo bezorgd en verbaasd aan, moeder, ik spreek de zuivere waarheid, en heb het niet gedroomd.—Daar, hoort gij het? Tent-roet heeft hem ook opgemerkt. Hij is zeer zeker om mijnentwil naar Saïs gekomen, en het kinder-orakel in het voorhof des tempels heeft mij dus toch niet bedrogen! Thans voel ik ook niets meer van mijne ziekte, en ik droomde dat ik in een veld lag van bloeiende papavers, zoo rood als het versche bloed der jonge offerlammeren, en dat Bartja aan mijne zijde zat, en Nitetis naast ons knielde, en o zoo schoone liederen speelde op eene elpenbeenen nabla14. En in de lucht was er een geluid, zoo liefelijk, dat mijn hart iets gevoelde, als werd ik gekust door Horus, den lieven kleinen god van den morgen en de lente. Ja, moeder, wees er zeker van, dat hij weldra zal komen, en als ik hersteld ben, dan.... dan.... O! Ach!—Moeder, ik sterf!”

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings