Note 23 — Vijfde hoofdstuk.
Hendrik Cornelis Rogge translation
Rhodopis richtte zich hoog op, legde hare rechterhand op Sappho’s, hare linker op Bartja’s hoofd, en zeide: »Er bestaat eene sage, kinderen, die verhaalt, dat in het land der rozen een blauw meer is, dat nu eens rustig kabbelt, dan heftig golft en woedt; dat het water van dit meer nu eens zoet smaakt als honig, dan bitter als gal. Gij zult de beteekenis dezer sage leeren kennen en in het gewenschte rozenland van uwen echt, nu kalme dan onrustige, nu zoete dan bittere uren doorleven. Zoolang gij kind waart, Sappho, zijn uwe dagen zonder eenige droefenis, als een lentedag voorbijgegaan. Toen gij als jonkvrouw leerdet, wat het zegt lief te hebben, heeft zich uw hart geopend voor de smart, die u eene welbekende gast werd, gedurende die scheiding van zoovele maanden, eene gast, die bij tusschenpoozen zal terugkeeren en aankloppen zoolang gij leeft. Uw plicht, Bartja, is het, den indringer, voorzooveel dit in uw vermogen is, van Sappho verwijderd te houden. Ik ken de menschen, en voordat Cresus mij eenige verzekering omtrent uw edel hart had gegeven, wist ik, dat gij mijner kleindochter waardig waart. Daarom veroorloofde ik u met haar den kweeappel te eten, daarom vertrouw ik u zonder vrees haar toe, die ik tot heden als een heilig pand bewaard heb. Beschouw gij uwe vrouw evenzeer als een geleenden schat, want niets is gevaarlijker voor de liefde, dan de behaaglijke zekerheid van het uitsluitend bezit.—Men heeft mij berispt, omdat ik het onervarene kind naar uw land laat trekken, waar de vrouwen zoo weinig in tel zijn. Ik weet echter wat liefde is, en dat er voor eene jonkvrouw die bemint geen ander vaderland bestaat, dan het hart van den man, aan wien zij zich heeft overgegeven; dat een door Eros getroffen vrouwenhart geen grooter ongeluk kent, dan dat van gescheiden te moeten leven van den man harer keuze. En buitendien, ik vraag u, Kallias en Theopompus, zijn dan uwe echtgenooten zoo hoog boven die der Perzen bevoorrecht? Moet de Ionische, de Attische vrouw niet, evenals de Perzische, in vrouwenvertrekken haar leven slijten, en blij zijn als men haar eens eene enkele maal toestaat, dicht gesluierd en door wantrouwige slaven vergezeld, over straat te gaan?—Wat de veelwijverij der Perzen aangaat, deze vrees ik zoomin voor Sappho als voor Bartja! Hij zal zijne vrouw trouwer zijn dan een Helleen, want in Sappho zal hij vereenigd vinden, wat gij, Kallias, eensdeels in uwe vrouw, anderdeels in de huizen der meer ontwikkelde hetaeren vindt; ik bedoel: eene echte huismoeder en eene ontwikkelde vrouw, die door aangename gesprekken den man weet te boeien.—Neem haar tot u, mijn zoon; vol vertrouwen en gewillig stel ik Sappho in uwe handen, gelijk een oud strijder aan zijn sterken zoon het beste wat hij heeft, namelijk zijne wapenen, met vreugde overgeeft. Werwaarts zij ook trekke, steeds zal zij toch eene Helleensche blijven en, dit is mij een groote troost, in haar nieuw vaderland haar Grieksche afkomst eere aandoen en het Grieksche volk nieuwe vrienden bezorgen. Ik dank u voor uwe tranen, mijn kind! Ik ben in staat de mijne te bedwingen, doch heb deze kunst aan het lot duur, zeer duur betaald!—Dezen eed, edele Bartja, hebben de goden gehoord. Vergeet hem nooit, en neem haar tot u als uw eigendom, uwe vriendin, uwe vrouw! Voer haar weg, zoodra uwe vrienden wederkomen. De goden wilden niet, dat op Sappho’s huwelijksfeest de hymenaeus23 gezongen zal worden!”