Negende hoofdstuk.
Hendrik Cornelis Rogge translation
Op den morgen van den dag, volgende op dien van Bartja’s zegepraal, had Cambyzes zulk een hevigen aanval van zijne ziekte gehad, dat hij acht en veertig uur lang, krank naar geest en lichaam, zijne kamer moest houden, en nu eens geheel uitgeput neerlag, dan weer als een bezetene woedde. Toen hij eindelijk op den derden dag weder tot zijn bewustzijn kwam, herinnerde hij zich aanstonds het verschrikkelijke bevel, waaraan Prexaspes nu waarschijnlijk reeds gevolg had gegeven. Hij sidderde bij deze gedachte, gelijk hij nog nooit te voren gesidderd had, liet oogenblikkelijk den oudsten zoon van den gezant, die den eerepost van schenker bij hem bekleedde, komen, en vernam van dezen, dat zijn vader zonder afscheid te nemen Memphis verlaten had. Dan ontbood hij Darius, Zopyrus en Gyges, die gelijk hij wist door banden der innigste vriendschap aan Bartja verbonden waren, en vroeg hun hoe het met hun vriend was. Van dezen vernam hij, dat zijn broeder zich te Saïs ophield. Terstond zond hij het drietal daarheen, hun gelastende Prexaspes, indien zij dezen mochten ontmoeten, zonder verzuim naar Memphis terug te zenden. De jonge Achaemeniden beproefden tevergeefs, zich het zonderlinge gedrag en de drift van den koning te verklaren. Desniettemin gingen zij oogenblikkelijk op reis, vreezende dat er iets gebeurd of op til mocht zijn, dat niet goed was.
Intusschen had Cambyzes rust noch duur; in stilte verwenschte hij zijne dronkenschap en gebruikte dien dag geen druppel wijn. Toen hij in den tuin van het paleis der pharao’s zijne moeder ontmoette, ontweek hij haar, want hij gevoelde dat hij haar blik niet zou kunnen verdragen.
Ook de volgende acht dagen verstreken, zonder dat Prexaspes terugkeerde en schenen hem wel een jaar toe. Honderdmaal ontbood hij zijn schenker, altijd om hem te vragen of zijn vader nog niet tehuis was gekomen, en telkens was het antwoord ontkennend. Toen op den dertienden dag de zon op het punt was van onder te gaan, liet Cassandane hem verzoeken tot haar te komen. Nu begaf hij zich haastig naar de vertrekken van de eerbiedwaardige vrouw, want hij verlangde vurig haar aangezicht te zien. Het was hem, als moest hare aanschouwing hem de verloren zielsrust wedergeven.
Nadat hij de oude vrouw begroet had, met eene teederheid, die te verrassender voor haar was, daar zij van hem zulk eene hartelijkheid niet gewoon was, vroeg hij haar, wat zij van hem begeerde, en vernam nu, dat Bartja’s vrouw onder zeer bijzondere omstandigheden tot haar was gekomen, en den wensch had uitgesproken hem een geschenk aan te bieden. Dadelijk liet hij haar komen, en hoorde van haar, dat Prexaspes aan haar echtgenoot het bevel had overgebracht, om naar Arabië te reizen, en haar, uit naam van Cassandane, had uitgenoodigd naar Memphis te komen. De koning werd doodelijk bleek en zag de schoone vrouw van zijn broeder aan met een gelaat, dat onmiskenbaar eene geweldige ontroering verried. De jonge Griekin gevoelde, dat er in den koning iets buitengewoons omging, en kon, door vreeselijke vermoedens beangstigd, slechts met bevende handen het geschenk aanbieden, dat zij voor hem had medegebracht.
»Mijn echtgenoot zendt u dit!” zeide zij, op de in een kunstig bewerkt kistje besloten wassen beeltenis van Nitetis wijzende.—Rhodopis had haar geraden juist dit als een geschenk ter verzoening, uit Bartja’s naam, den vertoornden broeder aan te bieden.
Cambyzes gaf het kistje, waarvan de inhoud hem weinig belang scheen in te boezemen, aan een eunuch over, sprak zijne schoonzuster eenige woorden toe, die eene dankbetuiging moesten beteekenen, en verliet daarop oogenblikkelijk het vrouwenverblijf, zonder zelfs naar Atossa te vragen, die hij geheel scheen te zijn vergeten. Hij had gedacht en gehoopt, dat het bezoek hem goed doen en tot kalmte brengen zou, maar Sappho’s mededeelingen hadden hem de laatste hoop en voor altijd zijne rust ontnomen. Prexaspes moest den moord reeds begaan hebben, of kon ieder oogenblik, misschien op datzelfde tijdstip den dolk opheffen, om dien in de borst van den jongeling te stooten. Hoe zou hij na Bartja’s dood voor zijne moeder durven verschijnen? Wat zou hij haar, en op de vragen van de lieve vrouw, die hem met hare groote oogen zoo angstig had aangezien, antwoorden?
Eene huivering greep hem aan, als eene inwendige stem hem toeriep, dat de moord aan zijn broeder gepleegd, eene daad van lafheid en vrees, eene onnatuurlijke en snoode daad zou worden genoemd. De gedachte een sluipmoordenaar te zijn scheen hem onverdraaglijk. Zonder gewetenswroeging had hij reeds menigeen ter dood laten brengen, maar altijd óf in een eerlijken strijd, óf voor het oog van de geheele wereld. Hij was koning, en wat hij deed was goed. Had hij met eigen hand Bartja neergeveld, zoo zou hij zijn geweten wel tot zwijgen hebben gebracht; maar nu hij bevel had gegeven hem heimelijk uit den weg te ruimen, hem in stilte te vermoorden, zijn voortreffelijken broeder, die zoo vele bewijzen gaf van mannelijken moed, waardoor hij den hoogsten roem had ingeoogst, nu folterde hem de schaamte, nu knaagde hem het berouw, dat hij tot nog toe nooit had gevoeld. Hij was verbitterd op zichzelven over zijne onmatigheid en schandelijke willekeur. Hij begon zichzelven te verachten. De overtuiging, dat hij altijd slechts datgene wilde en volbracht wat billijk en recht was, verliet hem, en het was hem thans, als waren al de op zijn bevel gedoode menschen, evenals Bartja, onschuldige slachtoffers van zijne woede geweest. Om deze gedachten, die van oogenblik tot oogenblik ondraaglijker werden, te verdrijven, greep hij opnieuw naar het bedwelmende druivensap. Doch ditmaal kon de dronkenschap de wroeging niet uit zijne ziel verbannen. Zij werd de bron van nieuw lichaams- en zielslijden. Zijn door het onmatig wijndrinken en de vallende ziekte ondermijnd lichaam dreigde thans te zullen bezwijken onder de menigvuldige heftige aandoeningen der laatste maanden. Nu eens verstijvende van koude, dan weer gloeiende van eene ondraaglijke hitte, was hij eindelijk gedwongen zich op zijn leger neer te werpen.
Toen men hem ontkleedde, schoot hem te binnen, dat hij een geschenk van zijn broeder had ontvangen. Oogenblikkelijk deed hij het kistje halen, en beval den uitkleeders hem alleen te laten. Zoodra hij het Egyptisch schilderwerk van het kistje zag, kon hij niet nalaten aan Nitetis te denken, en zich af te vragen, wat de overledene wel van zijne gepleegde euveldaad zou hebben gezegd. Rillend van de koorts, en met een beneveld brein boog hij zich over het kistje, nam er de schoone uit was gevormde buste uit, en staarde met ontzetting in de onbeweeglijke glazige oogen van het beeldje. De gelijkenis was zoo treffend, en zijn verstand door den wijn en de koorts zoo verzwakt, dat hij onder den invloed eener betoovering waande te verkeeren. Toch was het hem niet mogelijk den blik van die dierbare trekken af te wenden. Plotseling kwam het hem voor, dat het beeldje de oogen bewoog. Een doodelijke angst maakte zich van hem meester. Met kracht slingerde hij het kopje, dat voor hem scheen te leven, tegen den wand, zoodat het holle, broze was in duizend stukken vloog, en viel daarop steunende op zijn bed neder.—Van dat oogenblik nam de koorts onophoudelijk in hevigheid toe. Wakend droomende meende de ongelukkige den verbannen Phanes te zien, die een Grieksch straatliedje zong, en hem zoo schandelijk bespotte, dat hij zijne vuisten balde van toorn. Dan zag hij Cresus, zijn vriend en raadsman. Deze dreigde hem, en riep hem weder dezelfde woorden toe, waarmede hij hem, toen hij om de gewaande liefde van Nitetis Bartja had willen vonnissen, gewaarschuwd had: »Wacht u wel het bloed van een broeder te vergieten! Want weet, dat de dampen daarvan ten hemel opstijgen en tot wolken worden, die al de dagen van den moordenaar verduisteren, en eindelijk den bliksem der wrake op hem nederslingeren!”
En in zijne verhitte verbeelding werd dit werkelijkheid. Hij dacht, dat uit de zwarte wolken bloed op hem nederstroomde, en deze afschuwelijke regen zijne kleederen en handen bevochtigde. Toen het eindelijk weder droog was, en hij naar den Nijl ging om zich te reinigen, trad Nitetis hem te gemoet, met dien liefelijken glimlach om de lippen, waarmede Theodorus haar had voorgesteld. Getroffen door dit heerlijk visioen, wierp hij zich voor haar neder en vatte hare hand. Nauw had hij ze aangeraakt, of aan iederen harer fijne vingertoppen vertoonde zich een bloeddruppel, en met afgrijzen keerde de schoone maagd hem nu den rug toe. Cambyzes smeekte de verschijning hem vergiffenis te willen schenken, en tot hem terug te keeren; doch zij liet zich niet verbidden. Nu ontbrandde zijn toorn, hij dreigde haar met zijne ongenade, ja met de vreeselijkste straffen. Toen Nitetis zijn dreigen met een zacht spottend lachen beantwoordde, ontzag hij zich niet zijn dolk naar haar te werpen. En zie, daar viel de verschijning in duizend stukken, gelijk kort te voren het wassen beeld tegen den wand verbrijzeld was; maar het lachen duurde voort, en klonk al luider en luider, en onderscheidene stemmen werden vernomen, die als met elkaar wedijverden in het bespotten van den ongelukkigen koning. Die van Bartja en Nitetis klonken boven al de andere uit, en schenen hem de bitterste verwijten te doen. Maar hij kon deze akelige stemmen niet langer aanhooren, en stopte de ooren dicht. Toen dit niet baatte, bedolf hij zijn hoofd in het brandend heete zand der woestijn, dan dompelde hij het in den Nijl, daarop weder in den gloed, dan andermaal in het ijskoude water, tot hij niets meer zag en hoorde. Toen hij ontwaakte, kon hij zich geen begrip vormen van de werkelijkheid. Het was avond toen hij zich te bed begaf, en hij zag thans aan de zon, die zijn rustbed met haar laatste stralen verguldde, dat het niet dag was. gelijk het naar hij meende, moest wezen, maar bijkans nacht. Hierin kon hij zich niet bedriegen, want hij hoorde het lied der priesters, die den scheidenden Mithra den laatsten groet toezongen.
Nu merkte hij ook, hoe zich achter een gordijn, dat men aan het hoofdeinde van zijn leger had aangebracht, verscheidene menschen bewogen. Hij wilde oprijzen, doch voelde dat hem de kracht daartoe ontbrak. Na lang tevergeefs beproefd te hebben de werkelijkheid van den droom, en den droom van de werkelijkheid te onderscheiden, riep hij zijne aankleeders, en de andere hovelingen, die bij zijn opstaan tegenwoordig plachten te wezen. Dadelijk traden deze binnen, gevolgd door zijne moeder, Prexaspes, vele geleerde magiërs en eenige hem onbekende Egyptenaren, van wie hij vernam, dat hij weken lang met eene hevige koorts had geworsteld, en slechts door de bijzondere bescherming der goden, de kunst der geneesmeesters en de onvermoeide zorg zijner moeder van den dood was gered geworden. Eerst zag hij Cassandane, dan Prexaspes vragend aan, en verloor toen weder het bewustzijn, om echter den volgenden morgen na een verkwikkenden slaap met nieuwe krachten te ontwaken.
Een gil, die door merg en been drong, ontsnapte aan de lippen van den koning. Hij werd opnieuw door eene hevige koorts aangegrepen, en zonk ineen, om andermaal gekweld te worden door de vreeselijkste schrikbeelden. En nu verliepen er weken gedurende welke iedere dag de laatste van ’s vorsten leven dreigde te zullen zijn. Eindelijk kwam zijn sterk lichaam deze gevaarlijke instorting te boven. Maar de krachten van zijn geest waren niet bestand geweest tegen de demonen der koorts. Zij waren geweken en keerden niet meer terug.
Nadat de Apis aan de ontvangen wonde gestorven was, begroeven de Memphiten hem heimelijk in de bij het Serapeum gelegene graven der heilige stieren, en beproefden onder aanvoering van Psamtik een opstand tegen de Perzen. Deze opstand werd evenwel spoedig onderdrukt, en kostte den ongelukkigen zoon van Amasis een leven, welks vlekken wel verdienden vergeten te worden, ter wille van zijn rusteloos streven om zijn volk van de heerschappij der vreemdelingen te verlossen, tot bereiking van welk doel hij niet aarzelde voor de vrijheid te sterven.
De waanzin van Cambyzes had intusschen een anderen vorm aan genomen. Na de mislukte poging, om den, volgens zijn waan, in een boog veranderde Bartja zijne oude gedaante te hergeven, nam zijne prikkelbaarheid zoozeer toe, dat éen enkel woord, éen enkele blik, die hem mishaagde, voldoende was, om hem tot razernij te brengen. Zijne trouwe raadsman Cresus verliet ook nu zijne zijde niet, schoon de koning hem reeds meermalen den trawanten had overgegeven om hem terecht te stellen. Maar de trawanten kenden hun heer, en wachtten zich wel de handen aan den grijsaard te slaan, daar zij zeker waren geen straf te zullen beloopen wegens het niet nakomen van ’s konings bevelen ten dezen opzichte, omdat hij ze den volgenden dag reeds weder vergeten was, of er berouw over had. Doch eens moesten de ongelukkige zweepdragers voor hunne ongehoorzaamheid zwaar boeten, want, schoon Cambyzes zich over het behoud van den grijsaard verblijdde, liet hij de redders van het hem dierbare leven niettemin wegens hunne nalatigheid ombrengen.
Het stuit ons tegen de borst, nog meer voorbeelden te vermelden van de barbaarsche gruwelen, door den waanzinnigen koning in dien tijd bedreven, toch kunnen wij enkele niet met stilzwijgen voorbijgaan. Op zekeren dag, gedurende den maaltijd, vroeg hij Prexaspes, na zich als naar gewoonte een roes te hebben gedronken, wat de Perzen wel van hem zeiden. De gezant mocht zich in die dagen in de bijzondere gunst van den monarch verheugen. Ten einde door edele, doch dikwijls gevaarlijke daden zijn beschuldigend geweten het zwijgen op te leggen, liet hij dus geene gelegenheid voorbijgaan, om weldadigen invloed op den ongelukkigen vorst uit te oefenen. Daarom antwoordde hij, dat het volk hem zeer prees, maar meende, dat hij zich aan den wijn wel wat te veel te buiten ging.
De waanzinnige ontstak door deze, op schertsenden toon uitgesprokene woorden in woedenden toorn, en zeide: »Zoo, zeggen de Perzen, dat de wijn mij het verstand doet verliezen? Welnu, ik zal bewijzen, dat zij zelven niet meer in staat zijn juist te oordeelen!” Dit zeggende spande hij zijn boog, mikte een oogenblik, en schoot den oudsten zoon van Prexaspes, die als schenker in het achterste gedeelte der zaal op de minste wenken van zijn gebieder lette, een pijl in de borst. Daarop gaf hij bevel, den ongelukkigen jongeling te openen en te onderzoeken. De pijl was midden in zijn hart gedrongen. Hierover verheugde zich het monster, en lachende riep hij: »Nu ziet gij, Prexaspes, dat niet ik, maar de Perzen het verstand verloren hebben. Wie is in staat, zoo zeker zijn doel te treffen, als ik?”
Te Memphis teruggekeerd, ontzag hij zich niet zijne gade en zuster Atossa met eigen hand te mishandelen. Op zekeren dag namelijk had hij een kampgevecht verordend, waarbij onder anderen een hond met een jongen leeuw vechten moest. Toen de leeuw zijn tegenstander overwonnen had, rukte een andere hond, die met den verwonnene uit hetzelfde nest was, zich van zijn ketting los, wierp zich op den leeuw, en deed hem met hulp van den gewonde het onderspit delven. Deze vertooning, die Cambyzes in verrukking bracht, deed Cassandane en Atossa, die op ’s konings bevel tegenwoordig waren, de tranen in de oogen wellen. De verbaasde dwingeland vroeg naar de oorzaak daarvan, en kreeg nu van de driftige Atossa ten antwoord: »Het dappere dier, dat voor zijn broeder het leven waagt, doet mij aan Bartja denken, die ongewroken, door wien zal ik maar niet zeggen, vermoord is geworden.”
Dit woord deed den toorn en het sluimerend geweten van den razende voor een oogenblik weder ontwaken. Hij sloeg de vermetele vrouw met vuisten, en zou haar misschien gedood hebben, zoo zijne moeder zich niet in zijne armen had geworpen en zichzelve aan zijne slagen had blootgesteld. Het eerwaardig gelaat en de stem van zijne moeder waren voldoende, om zijne woede te beteugelen; uit haren blik echter, dien hij juist had opgevangen, sprak zulk eene diepe verontwaardiging, zulk eene onbegrensde verachting, dat hij die nimmermeer vergat, en het dwaze denkbeeld in hem oprees, dat hij door de oogen der vrouwen vergiftigd zou worden. Als hij na dat tijdstip eene vrouw ontmoette, kromp hij van angst ineen, en verschool zich achter dezen of genen die met hem was, tot hij eindelijk beval alle bewoneressen van het paleis te Memphis, zijne moeder niet uitgezonderd, naar Ekbatana te brengen. Araspes en Gyges ontvingen bevel, haar naar Perzië te geleiden.
De koninklijke vrouwen waren met haar geleide te Saïs aangekomen, en daar in het paleis der pharao’s afgestegen. Tot deze stad had Cresus haar uitgeleide gedaan. Cassandane was in de laatste jaren zeer veranderd. Diepe voren, door ergernis en lijden geploegd, ontsierden haar vroeger zoo schoon gelaat; maar de smart had hare hooge, fiere gestalte toch niet kunnen krommen.
Atossa, hare dochter, was daarentegen, in spijt van onnoemelijk veel verdriet, steeds schooner geworden. Het moedwillige meisje werd eene volkomen ontwikkelde vrouw, die zich van hare eigenwaarde bewust was; het onstuimige, weerbarstige kind eene krachtige echtgenoote, die het aan vastheid van wil niet ontbrak. De ernst des levens en drie, aan de zijde van haar razenden gade en broeder doorleefde treurige jaren waren bijzonder geschikt geweest, om haar in geduld te oefenen, doch hadden haar evenwel eene eerste liefde niet kunnen doen vergeten. De vriendschap van Sappho bood haar eenige schadeloosstelling voor het verlies van Darius.
Maar als zij met het kind speelde of het verzorgde, dan scheen zij geheel de oude gelukkige moeder te worden, dan werden hare wangen weder gekleurd, dan glinsterden hare oogen, dan was ’t alsof zij weder onverdeeld voor het tegenwoordige leefde, in plaats van in het verleden of in de toekomst. Dat kind was haar alles. In dat kind leefde Bartja met haar voort; op dat kind kon zij, zonder ook maar in het geringste te kort te doen aan den onvergetelijke, die van haar was weggescheurd, al de volheid harer liefde overbrengen; in dat kind had de godheid haar een levensdoel gegeven, en een band, die haar hechtte aan eene wereld, die anders, sinds het verdwijnen van den beminde, geene waarde meer voor haar had. Menigmaal dacht zij, als zij het lieve wicht in de blauwe kijkers staarde, die zoo sprekend op vaders oogen geleken: »Ach, waarom is het geen jongen? Die zou met iederen dag meer op zijn vader gelijken, en eindelijk als een tweede Bartja, gesteld dat er zulk een zijn kon, vóór mij staan!” Maar dergelijke gedachten werden in den regel even spoedig onderdrukt als zij in haar oprezen, en dan sloot zij de lieve Parmys met verdubbelde teederheid aan haar hart, en noemde zichzelve een dwaas en ondankbaar schepsel.
Op zekeren dag had ook Atossa, getroffen door de gelijkenis van het kindeke op zijn vader, uitgeroepen: »Jammer, dat Parmys geen jongen is! Hij zou zijn vader eens evenaren en, als een tweede Cyrus, over Perzië regeeren!” Weemoedig lachende stemde Sappho met hare schoonzuster in, en overlaadde de kleine met kussen; doch Cassandane zeide: »Merk hierin de goedheid van de goden op, mijne dochter, dat zij u een meisje schonken. Ware Parmys een jongen, dan zou men u het kind, zoodra het de zes jaren had bereikt, ontnemen, om het met de zonen der andere Achaemeniden te doen opvoeden, terwijl het dochterke nog lang onder uwe hoede zal blijven.”
Sappho huiverde bij de gedachte alleen, zich van haar kind te moeten scheiden. Zij drukte het blonde kopje weder aan hare borst, en vond van nu aan niets meer op haar kostbaren schat aan te merken.
Aldus waren drie lange jaren voorbijgegaan, in welke zij hare grootmoeder slechts zelden had gezien. Volgens ’s konings wil toch mocht zij het vrouwenverblijf nooit zonder het geleide en de toestemming van Cassandane of van de eunuchen verlaten. Thans had Cresus, die haar nog gelijk voorheen als eene dochter liefhad, Rhodopis naar Saïs doen overkomen. Sappho kon niet besluiten Egypte te verlaten, zonder van hare trouwste vriendin afscheid te hebben genomen, en zoowel Cassandane als de grijze Lydiër billijkten haar verlangen naar Rhodopis. Buitendien had de weduwe van Cyrus zoo veel goeds gehoord van de edele grootmoeder harer schoondochter, dat zij hartelijk wenschte haar te leeren kennen, en haar, nadat Sappho de beminde vrouw op de teederste wijze had verwelkomd, bij zich ontboden.
Toen de beide grijze weduwen tegenover elkander stonden, had zeker niemand, voor wie beiden vreemd waren, kunnen beslissen, wie van de twee de koningin was. Hij zou ze voorzeker beiden voor vorstinnen hebben gehouden. Cresus, die zoowel met de Griekin als met de Perzische vorstin innig bevriend was, voorzag in de behoefte aan een tolk, en wist, ondersteund door den buigzamen geest der Helleensche, het gesprek langen tijd levendig en boeiend te houden.
Nadat Rhodopis, met de haar alleen eigene toovermacht, Cassandane’s hart voor zich gewonnen had, meende de koningin, volgens Perzisch gebruik, haar welgevallen niet beter te kunnen toonen, dan door haar uit te noodigen den een of anderen wensch uit te spreken. Een oogenblik aarzelde de Helleensche, toen hief zij de handen smeekend op en sprak met bevende stem: »Geef mij Sappho, den troost en de kroon van mijn ouderdom weder!”
Cassandane’s gelaat toonde eene pijnlijke teleurstelling. Zij antwoordde: »Dien wensch kan ik niet vervullen, want onze wet gebiedt, dat de kinderen der Achaemeniden aan de poorten des konings moeten worden opgevoed. Ik mag de kleine Parmys, de eenige kleindochter van Cyrus, niet van mij laten gaan en, Sappho zal, hoe lief zij u ook hebbe, toch wel in geen geval van haar kind willen scheiden. Ook is zij mij en mijne dochter zoo dierbaar, ja, ik zou haast zeggen zoo onmisbaar geworden, dat ik haar, schoon ik uw verlangen naar haar bijzijn zeer goed begrijp, aan niemand ter wereld zou willen afstaan.”
Zoodra Cassandane zag, dat er tranen opwelden in de oogen der Griekin, vervolgde zij: »Maar ik weet, een goed middel. Verlaat Naucratis en ga met ons naar Perzië. Daar zult gij uwe laatste jaren met ons en uwe kleindochter slijten, en als eene vorstin behandeld worden.”
Rhodopis schudde het schoone, grijze hoofd, en hernam met nauw hoorbare stem: »Ik dank u voor uw vriendelijk aanbod, edele vorstin; maar ik gevoel, dat ik niet in staat zou zijn er gebruik van te maken. Al de vezelen van mijn hart zijn in Griekenland vastgeworteld, en zouden met mijn leven wegsterven, als ik mij voor immer van mijn vaderland losrukte. Gewoon aan onafgebrokene werkzaamheid, levendige gedachtenwisseling en onbeperkte vrijheid, zou ik binnen de enge grenzen van den harem wegkwijnen en sterven. Door Cresus op uw gunstig aanbod voorbereid, heb ik een zwaren strijd gehad, eer ik er toe kon komen mij zelve te overtuigen, dat mijn plicht gebiedt, wat mij ’t liefste is voor mijn hoogste goed op te offeren. Zooveel moeilijker het is, rein en goed, dan gelukkig te leven, zooveel roemrijker, zooveel waardiger is het van eene Helleensche in plaats van het geluk haar plicht te volgen. Mijn hart trekt met Sappho naar Perzië, mijne geestvermogens en mijne ervaring behooren den Grieken. Als gij soms te eeniger tijd mocht vernemen, dat in Hellas niemand buiten het volk regeert, en zich dat volk voor niets dan zijne goden en wetten, het goede en schoone buigt, denk dan dat het doel, waaraan Rhodopis haar leven wijdde, in vereeniging met de besten onder de Hellenen bereikt is. Duid het der Griekin niet ten kwade, dat zij, laat ik het maar uitspreken, liever als eene vrije bedelares van verlangen sterft, dan leeft als eene gelukkig geprezene, maar gebondene vorstin.”
Met verbazing had Cassandane de Grieksche vrouw dus hooren spreken. Zij begreep haar slechts ten halve; doch zij voelde dat Rhodopis waarheid gesproken had, en reikte haar dus, toen zij ophield met spreken, de hand ten kus. Daarop zeide zij, na een oogenblik te hebben nagedacht: »Handel, gelijk gij zult goedvinden, en wees verzekerd, dat het uwer kleindochter, zoolang ik en mijne dochter leven, niet aan trouwe liefde zal ontbreken.”
»Daarvoor zijn uw edel gelaat en de hooge roep uwer deugd mij zekere waarborgen!” antwoordde Rhodopis.
»Zoo ook beschouw ik ’t als mijn plicht, wat men tegen uwe kleindochter misdreven heeft, zooveel mijne krachten toelaten, weder goed te maken.”
De koningin slaakte een smartelijken zucht, en vervolgde: »Ook zal de meest mogelijke zorg worden gewijd aan de opvoeding van de kleine Parmys. Zij schijnt door de natuur rijk bedeeld te zijn, en zingt thans reeds hare moeder de melodieën van haar vaderland na. Ik keur hare neiging voor de muziek in ’t geheel niet af, ofschoon ze in Perzië, uitgenomen bij den godsdienst, slechts door menschen uit den geringen stand pleegt te worden beoefend.”
Bij deze woorden raakte Rhodopis in geestdrift, en zeide: »Veroorlooft gij mij, o koningin, vrij uit te spreken?”
»Spreek onbevreesd!”
Rhodopis zweeg een oogenblik, en vervolgde toen: “Wien zulk eene opvoeding niet ten deel valt; wie buitendien van zijne jonkheid aan zijne ruwheid vrij den teugel kan vieren, hoe en jegens wien hij wil; wie nooit iets anders dan vleierijen, nooit eene gepaste vermaning hoort; wie mag bevelen, alvorens te hebben leeren gehoorzamen; wie eindelijk opgevoed wordt volgens het beginsel, dat uitwendige glans, macht en rijkdom de hoogste, meest wenschelijke goederen zijn, hij kan nooit tot die waarachtige, edele mannelijkheid opklimmen, welke wij van de goden voor onze jongens afsmeeken. En als zulk een ongelukkige met een heftige gemoedsgesteldheid en een zinnelijk hart geboren wordt, zoo zal, zonder den verzachtenden invloed der toonkunst, tengevolge der bloot lichamelijke oefeningen, zijne teugelloosheid steeds toenemen. Het kind, dat wellicht niet zonder goeden aanleg ter wereld kwam, zal, tengevolge der slechte opvoeding, eens een wild dier, een zwelger, die zichzelven vermoordt en een waanzinnige woestaard worden.”
Hier zweeg de levendige matrone. Toen haar blik de vochtige oogen der koningin ontmoette, gevoelde zij, dat zij te ver was gegaan, en een edel moederhart diep gekrenkt had. Zij greep Cassandane’s gewaad, bracht den zoom er van aan hare lippen, en zeide op smeekenden toon: »Vergeef mij!”
Cassandane boog even het hoofd, ten teeken, dat zij der spreekster het harde woord niet toerekende, groette haar, en maakte zich gereed het vertrek te verlaten. Op den drempel keerde zij zich nog eens om en zeide: »Ik ben niet boos op u, want uwe verwijten waren maar al te gegrond. Doch beproef gij desgelijks te vergeven, want ik zeg u dat hij, die het geluk van uw en van mijn kind verwoestte, wel de machtigste, maar ook de beklagenswaardigste aller menschen is. Vaarwel, en denk, indien gij ooit eenige hulp behoeft, aan de weduwe van Cyrus, die u dank zegt voor uwe vrijmoedigheid, en er u in dit oogenblik aan herinnert, dat men den Perzen vóor alle dingen grootmoedigheid en vrijgevigheid leert.”
Dit gezegd hebbende, verliet Cassandane het vertrek.
Op dienzelfden dag ontving Rhodopis de tijding, dat Phanes, nadat hij te Croton den laatsten tijd in de nabijheid van Pythagoras had doorgebracht, steeds lijdende aan zijne wonden, zich bezig houdende met ernstige beschouwingen, eenige maanden geleden met de kalmte van een wijze gestorven was.
Rhodopis werd door deze tijding diep getroffen en zeide tot Cresus: »In Phanes verliest Griekenland een zijner voortreffelijkste mannen; doch reeds ontwikkelen er zich velen, die hem zullen gelijken. Daarom vrees ik, evenals hij, niets van de toenemende macht der Perzen. Ja, ik geloof dat mijn vaderland, met zijne vele kloeke mannen, als eene roofgierige hand zich daarnaar uit mocht strekken, tot een reus zal worden met een hoofd vol goddelijke kracht, die het ruw geweld zoo zeker zal trotseeren als de geest over het lichaam heerscht.”
Drie dagen later nam Sappho voor het laatst afscheid van hare grootmoeder, en volgde de koninginnen naar Perzië, waar zij, in weerwil van de volgende gebeurtenissen, nog altijd aan de mogelijkheid van Bartja’s terugkomst geloovende, zich geheel wijdde aan de opvoeding harer dochter en aan de verpleging der grijze Cassandane.
De kleine Parmys groeide op tot een meisje van zeldzame schoonheid, en leerde naast de goden niets zoo vurig liefhebben als de nagedachtenis van haar vader, dien zij kende uit de vaak herhaalde beschrijvingen van hare moeder, als had zij hem nog niet lang geleden gezien.
Atossa bleef voor haar, niettegenstaande het groote geluk, dat weldra haar deel zou worden, de oude vriendschap gevoelen, en placht haar nooit anders dan ‘zuster’ te noemen.
In den zomer bewoonde Sappho de hangende tuinen te Babylon, en gedacht dan dikwijls in hare gesprekken met Cassandane en Atossa de Egyptische koningsdochter, die de onschuldige oorzaak was geweest van zoovele voor groote rijken en edele menschen noodlottige gebeurtenissen.