Tiende hoofdstuk.
Hendrik Cornelis Rogge translation
Wij zouden hier ons verhaal gevoeglijk kunnen besluiten, zoo wij den lezer nog niet enkele mededeelingen schuldig meenden te zijn, betreffende het uiteinde van den sinds lang reeds geestelijk gestorven Cambyzes, en de verdere lotgevallen van eenige ondergeschikte personen uit deze geschiedenis.
Kort na het vertrek der koninginnen, werd te Naucratis de tijding aangebracht, dat de satraap van Lydië, Oroetes, zijn ouden vijand Polycrates door list naar Sardes had gelokt, en hem had doen kruisigen. Aldus was de voorspelling van Amasis betreffende het treurig uiteinde van den tyran verwezenlijkt geworden. De satraap had zich vermeten deze daad te volvoeren, zonder medeweten van den koning, omdat in het Medische rijk veranderingen plaats hadden, die de dynastie der Achaemeniden met een volkomen ondergang bedreigden.
Het lange oponthoud van den koning in een ver afgelegen land had het ontzag voor zijn naam, dat voorheen de ontevredenen placht te weerhouden in verzet of tot opstand te komen, zeer verzwakt. De geruchten van den staat van krankzinnigheid, waarin hij verkeerde, deden hem merkelijk dalen in de achting zijner onderdanen, terwijl het bericht, dat hij uit louter overmoed duizenden landskinderen in de Ethiopische en Lybische woestijn aan een onvermijdelijken dood had prijsgegeven, de ontevredene Aziaten met een haat jegens hem bezielde, die door de machtige partij der magiërs gevoed en aangeblazen, zeer spoedig eerst de Mediërs en Assyriërs, doch daarna ook de Perzen tot afval en openlijken opstand aanzette.
De eerzuchtige opperpriester Oropastes, die door Cambyzes tot stadhouder was aangesteld, plaatste zich aan het hoofd der beweging, met oogmerk zichzelven te verheffen en te bevoordeelen. Hij zocht het volk voor zich in te nemen door het afschaffen van belastingen, door groote geschenken en nog grootere beloften, en beproefde ten laatste, ziende hoe erkentelijk men was voor zijne zachtheid, door bedrog de Perzische koningskroon in zijn geslacht over te brengen. Gedachtig aan de zeldzame gelijkenis van zijn broeder Gaumata op Bartja, den zoon van Cyrus, nam hij, zoodra hij bericht ontving van het spoorloos verdwijnen van den, in Perzië algemeen beminden jongeling, het besluit, Gaumata, den man zonder ooren, voor den vermoorde uit te geven, en hem in de plaats van Cambyzes op den troon te zetten. Deze list gelukte te gemakkelijker, daar de liefde van het gansche volk voor Bartja sterker werd, naarmate de waanzinnige koning zich steeds meer gehaat maakte. Toen eindelijk een tal van boden door Oropastes in al de provinciën van het land werden rondgezonden, met de boodschap, dat de jongere zoon van Cyrus, in spijt van het gerucht omtrent zijn dood, nog in leven was, tegen zijn broeder was opgestaan, den troon van zijn vader had beklommen, en alle onderdanen gedurende drie jaren volle vrijheid van den krijgsdienst en van alle belastingen verzekerde, werd de nieuwe heerscher door het gansche rijk met groote vreugde erkend.
De voor zijne boodschap uitmuntend berekende gezant kweet zich zeer goed van zijn last, en had reeds een groot aantal soldaten voor den nieuwen koning gewonnen, toen hij door eenige Syriërs, die op eene goede belooning hoopten, gevangengenomen en naar Memphis gebracht werd. In de pyramidenstad aangekomen, voerde men hem oogenblikkelijk voor den koning, die hem, ingeval hij de volle waarheid aan het licht bracht, vrijheid en leven verzekerde. En nu bevestigde de gezant de tijding, die tot dusver als een los gerucht tot Egypte was doorgedrongen, dat Bartja den troon van Cyrus had bestegen, en reeds door het grootste deel van het rijk erkend was geworden.
Cambyzes ontroerde bij dit bericht, als iemand, die een doode uit het graf ziet opstaan. In weerwil dat zijne geestvermogens zeer verzwakt waren, wist hij toch zeer goed, dat Bartja op zijn bevel door Prexaspes vermoord was. Hij vermoedde thans, dat zijn gezant hem bedrogen en den jongeling het leven geschonken had. Deze bliksemsnel in hem oprijzende gedachte onverwijld uitsprekende, verweet hij Prexaspes met bittere woorden het jegens zijn koning gepleegde verraad. De hoveling was nu gedwongen met een duren eed te bezweren, dat hij den ongelukkigen Bartja met zijne eigene hand gedood en begraven had.
Hierop werd den bode van Oropastes gevraagd, of hij zelf den nieuwen koning gezien had. Hij antwoordde ontkennend, met bijvoeging, dat de broeder van Cambyzes slechts eene enkele maal zijne woning had verlaten, om zich uit de verte aan het volk te vertoonen. Thans doorzag Prexaspes het geheele weefsel van leugen en bedrog, door den opperpriester gesponnen. Hij herinnerde den koning het onzalige misverstand van vroeger, dat door de treffende gelijkenis van Gaumata op Bartja ontstaan was, en bood zijn hoofd aan tot onderpand voor de waarheid van zijn vermoeden. De geestelijk kranke koning, die met deze uitlegging genoegen nam, dacht sedert dit oogenblik aan niets meer, dan aan de gevangenneming en de terechtstelling der magiërs.
De grijze raadsman voldeed aan ’s konings verlangen, en verzweeg hem geene zijner geweldenarijen, al wanhoopte hij ook, den aan zijne zorg toevertrouwden vorst op den rechten weg te zullen terugbrengen. Zijne blijdschap was daarom dubbel groot, toen hij bemerkte, dat zijne woorden een diepen indruk maakten op het ontwaakte geweten van den koning. Met tranen in de oogen verklaarde deze, dat zijne euveldaden hem berouwden. Beschaamd als een kind, bad hij Cresus om vergiffenis, dankte hem voor zijne trouwe liefde, en droeg hem eindelijk op, uit zijn naam vooral Cassandane en Sappho, maar ook Atossa en allen die hij ten onrechte had gegriefd, om vergeving te vragen.
De eerbiedwaardige Lydiër weende tranen van vreugde, en hield niet op den kranke te verzekeren, dat hij genezen en dan overvloedige gelegenheid hebben zou, om al het misdrevene door edele daden weder goed te maken. Cambyzes schudde evenwel ontkennend het hoofd, en verzocht den grijsaard hem in de open lucht te laten brengen, zijne legerstede op eene hoogte te doen plaatsen, en den Achaemeniden te bevelen, zich om hun koning te verzamelen. Toen aan zijn bevel, niettegenstaande de geneesheeren zich hiertegen verzetten, was voldaan, liet Cambyzes zich overeind zetten, en sprak daarop met een stem, die tot op grooten afstand verstaanbaar was, het volgende:
»Het is thans tijd, Perzen, dat ik u mijn grootste geheim openbaar. Door een droomgezicht misleid, door mijn broeder vertoornd en gekrenkt, heb ik, in een vlaag van waanzinnige drift, last gegeven hem te vermoorden. Prexaspes heeft, op mijn uitdrukkelijk bevel, de schandelijke daad volbracht, die in plaats van mij de verlangde rust te schenken, mijne hersenen geheel heeft gekrenkt en deze stervensure voor mij zoo vreeselijk maakt.—Deze bekentenis moge u overtuigen, dat mijn broeder Bartja niet meer onder de levenden is. De magiërs hebben zich van den troon der Achaemeniden meester gemaakt. Aan hun hoofd staan de, door mij tot stadhouder aangestelde opperpriester Oropastes en zijn broeder Gaumata, die zoo sprekend op den vermoorden Bartja gelijkt, dat Cresus, Intaphernes en mijn oom, de edele Hystaspes, hem eens voor mijn broeder hebben aangezien. Wee mij, dat ik hem gedood heb, die, als mijn naaste bloedverwant, den mij door de magiërs aangedanen hoon had kunnen wreken. Maar ik kan hem niet in het leven terugroepen en daarom benoem ik ulieden tot uitvoerders van mijn laatsten wil. Bij den Feruer van mijn overleden vader, en in den naam van alle goede en reine geesten, bezweer ik u, dat gij de regeering niet in de handen der valsche magiërs laat. Hebben zij zich door list van de kroon meester gemaakt, zoekt die hun dan door list wederom te ontrukken. Hebben zij met geweld den schepter veroverd, ontweldigt hun dien op gelijke wijze. Volgt gij dezen mijn laatsten wil, zoo zal de aarde u rijke vruchten schenken, zoo zult gij in uwe vrouwen en kudden gezegend worden, zoo zal ten allen tijde vrijheid uw deel zijn. Mocht gij daarentegen de heerschappij niet meer in uw geslacht terugbrengen, dan zult gij allen, ja, dan zal ieder Pers even rampzalig aan zijn einde komen als ik!”
Nadat de Perzen het onreine lijk verlaten hadden, knielde Cresus er voor neder, en riep, zijne hand ten hemel heffende: »Groote Cyrus! Ik heb mijn eed gehouden, en dezen ongelukkige tot aan zijn dood als zijn getrouwe raadsman ter zijde gestaan!”
Den volgenden dag trok de oude man, met zijn zoon Gyges, naar de hem in eigendom geschonken stad Barene, alwaar hij nog vele jaren leefde, als een vader zijner onderdanen, door Darius in hooge eere gehouden, door al zijne tijdgenooten geprezen.
Ofschoon geen der Achaemeniden ook slechts een oogenblik geloofd had, dat Bartja nog in leven was, en zich werkelijk van den troon had meester gemaakt, waren zij toch blijde, toen zij door Phaedime’s tusschenkomst zulk een afdoende zekerheid betreffende den persoon des overweldigers verkregen. Zij besloten onmiddellijk met het overschot van het leger naar Nisaea te trekken, en den magiërs door list of geweld de kroon te ontrukken.
Nadat zij ongehinderd in de nieuwe residentie waren binnengetrokken, en gezien hadden dat het meerendeel der bevolking tevreden was met de verandering, die er in de regeering had plaats gehad, namen zij den schijn aan als geloofden zij, dat de nieuwe koning waarlijk de jongere zoon van Cyrus was, en als waren zij bereid hem hunne hulde te brengen. De magiërs lieten zich echter zoo gemakkelijk niet om den tuin leiden, hielden zich in hun paleis verborgen, verzamelden in de vlakte van Nisaja een leger, aan hetwelk zij hooge soldij beloofden, en zetten hunne bemoeiingen ijverig voort, om het geloof aan Bartja’s bestaan te versterken. Niemand, die hen hierbij meer kon tegenwerken, of misschien van nut zijn, dan Prexaspes. Want deze stond bij alle Perzen hoog aangeschreven, en kon dus door te verzekeren, dat hij Bartja niet had vermoord, het meer en meer veld winnende gerucht betreffende diens dood ineens doen logenstraffen. Derhalve liet Oropastes den gezant, die sedert ’s konings mededeeling door zijns gelijken gemeden werd en als een balling leefde, bij zich komen, en bood hem eene ontzaglijke som, indien hij een toren wilde bestijgen, en aan het in het voorhof vergaderde volk verklaren, dat lastertongen hem den moordenaar van Bartja hadden genoemd, terwijl hij zoo even met eigen oogen den nieuwen koning had gezien, en in hem den jongeren zoon van Cyrus, zijn vriend en weldoener, wedergevonden en herkend had. Prexaspes verklaarde zich hiertoe bereid, nam, terwijl zich het volk in het voorhof opeenhoopte, een teeder afscheid van de zijnen, zond bij het heilige vuuraltaar een kort gebed tot de goden op, en begaf zich dan met fieren tred en opgeheven hoofd naar het paleis. Op weg daarheen ontmoette hij de hoofden van de zeven stammen. Toen hij zag, dat zij voor hem uit den weg gingen, riep hij hun toe: »Ik verdien uwe verachting, maar ik zal beproeven uwe vergiffenis te verwerven!”
Toen Darius zich nog eens omkeerde, liep hij naar dezen toe, vatte zijne hand, en zeide: »Ik heb u als een zoon liefgehad. Als ik niet meer zijn zal, zorg gij dan voor mijne kinderen, en gebruik uwe wieken, gevleugelde Darius!”
Nadat hij dit gezegd had, beklom de spreker den hoogsten top van den toren, stortte zich van boven neder en stierf, de eenige misdaad die hij ooit gepleegd had met een schoonen dood verzoenende.
Het volk, dat geen woord van zijne rede gemist had, en als het ware den adem had ingehouden, om hem goed te verstaan, barstte nu los in een geweldig gehuil van woede en wraak, verbrijzelde de deuren van het paleis, en stond gereed om met den kreet: »De dood aan de magiërs!” naar binnen te stuiven, toen de zeven stamhoofden der Perzen den woedenden hoop in den weg traden.
Zoodra de menigte hen bespeurde, klom hare geestdrift nog hooger, en riep zij nog onstuimiger: »Weg met de magiërs! Leve koning Darius!”
Darius had met eigen hand den magiër Gaumata gedood, op hetzelfde oogenblik dat Megabyzus, de vader van Zopyrus, den opperpriester doorboorde. Terwijl Prexaspes het volk toesprak, waren de zeven saamgezworene stamhoofden Otanes, Intaphernes, Gobryas, Megabyzus, Aspatines, Hydarnes en Darius, die zijn hoog bejaarden vader Hystaspes verving, door eene onbewaakte deur in het paleis gedrongen. Spoedig kwamen zij te weten, waar de magiërs zich ophielden, en waren dus, daar zij de inrichting van het slot kenden en de meeste wachters het toezicht moesten houden op het daar buiten naar de rede van Prexaspes luisterende volk, zonder oponthoud tot de vertrekken genaderd, waar de magiërs vertoefden. Hier beproefden eenige eunuchen, onder aanvoering van den ons welbekenden Boges, hun den weg te versperren; doch in weerwil van hun moedigen tegenstand werden zij allen gedood. Boges stierf door de hand van Darius, die hem dadelijk herkend had, en daarom met verdubbelde woede op hem was aangevallen. Verontrust door het gekerm der stervende eunuchen, waren de magiërs toegesneld, en ziende wat er gebeurde, hadden ook zij zich nog willen verweren. Oropastes rukte den nederzijgenden Boges de lans uit de hand, stiet Intaphernes een oog uit, en kwetste Aspatines aan het dijbeen, waarop een dolksteek van Megabyzus een einde aan zijn leven maakte. Gaumata was in een zijvertrek gevlucht, en wilde juist de deur dichtgrendelen, toen Darius en Gobryas naar binnen drongen. De laatste omvatte den magiër met zijne armen, wierp hem neder en belette hem, door zich op hem te werpen, van den grond op te staan. Besluiteloos stond Darius naast die beiden in het halfduistere vertrek, vreezende dat hij door toe te stooten ook Gobryas zou treffen. Deze bemerkte dit en riep: »Stoot toe, al moest gij ook ons beiden doorboren!” Darius gehoorzaamde, doch trof gelukkig alleen den magiër. Dit was het uiteinde van Oropastes, den opperpriester, en van den meer algemeen onder den naam van »pseudo” of »valschen Smerdis” bekenden Gaumata.
Als veldheer even omzichtig als dapper, wist hij zijn onmetelijk rijk zoo uitmuntend in te deelen en te besturen, dat men hem in de kunst van te regeeren onder de grootste vorsten van alle landen en tijden moet rangschikken. Aan hem alleen hadden zijne zwakke opvolgers het te danken, dat zich dat kolossale Aziatische rijk, hetwelk uit zoovele landen bestond, nog twee eeuwen kon staande houden. Mild en vrijgevig met zijne eigene schatten, en hoogst zuinig als het die zijner onderdanen gold, wist hij waarlijk koninklijke geschenken te geven, zonder ooit meer te vorderen dan hem toekwam. In plaats van die willekeurige geldafpersingen, die onder de regeering van Cyrus en Cambyzes telkens wederkeerden, voerde hij een geregeld belastingstelsel in, en liet zich in het doorzetten van wat hij recht en billijk oordeelde door geene zwarigheden afschrikken. De bespotting van de zijde der Achaemeniden, die van niets wisten dan oorlog voeren, en hem dus om zijne zuiver financiëele bemoeiingen »kramer” noemden, deed hem geen haarbreed van den eenmaal ingeslagen weg afwijken. Het is voorwaar niet een zijner geringste verdiensten, dat hij door zijn geheele rijk, en aldus door de halve toen bekende wereld, een gelijk muntstelsel invoerde.
De zeden en godsdiensten der verschillende volken eerbiedigende, veroorloofde hij den Joden, toen het document van Cyrus waarvan Cambyzes niets had geweten, in het archief van Ekbatana was wedergevonden, met het bouwen van hun tempel voort te gaan. Den Ionischen steden vergunde hij hare gemeenten zelfstandig te besturen. En nooit zou hij er toe gekomen zijn, zijne legers tegen Griekenland te doen optrekken, als de Atheners hem niet beleedigd hadden.
Als een waardig gedenkteeken zijner grootheid, liet Darius op den berg Rachmed bij Persepolis een heerlijk schoon paleis bouwen, welks puinhoopen thans nog de verbazing en bewondering der reizigers wekken. Zesduizend Egyptische bouwlieden, door Cambyzes indertijd naar Azië gevoerd, hielpen dit werk tot stand brengen, en ondersteunden de arbeiders, aan welke was opgedragen een koninklijk graf voor Darius en zijne nakomelingen aan te leggen. De moeilijk toegankelijke rotskamers dier begraafplaats hebben den tand des tijds getrotseerd, en strekken heden nog aan tallooze wilde duiven tot woning.
Op een gepolijsten wand van de rots van Bisitoen of Behistân, nabij welke plaats Darius eens het leven zijner Atossa had gered, liet hij de geschiedenis zijner daden uitbeitelen met zoogenaamd spijkerschrift in de Perzische, Medische en Assyrische taal. Het Assyrisch en Perzisch gedeelte dezer opschriften is thans met juistheid te lezen. Aldaar vindt men ook eene mededeeling van de in de laatste hoofdstukken geschetste gebeurtenissen, die vrij nauwkeurig overeenstemt met ons verhaal en met de berichten van Herodotus. Onder anderen wordt er gezegd: »Darius, de koning, spreekt: Dat, wat ik deed, geschiedde in allen deele door de genade van Aoeramazda. Nadat de koningen afvallig waren geworden, leverde ik negentien veldslagen. Door de genade van Aoeramazda versloeg ik hen. Negen koningen nam ik gevangen. Een van hen, Gaumata, een Mediër, loog, toen hij dus sprak: ‘Ik ben Bardiya (Bartja), de zoon van Cyrus.’ Deze maakte Perzië afvallig.”
Verder vermeldt hij ook de namen der stamhoofden, die hem geholpen hadden bij het ten onder brengen der magiërs, en op eene andere plaats leest men: »Darius, de koning, spreekt: Dat, wat ik gedaan heb, dat heb ik in allen deele door de genade van Aoeramazda gedaan. Aoeramazda en de overige bestaande goden schonken mij hun bijstand, daarom, dat ik niet twistgierig, geen leugenaar, geen gewelddadig heerscher was, ik noch mijn geslacht. Wie mijne stamgenooten geholpen heeft, dien heb ik begunstigd; wie vijandig jegens ons was, dien heb ik streng gestraft. Gij, die na mij koning zult zijn, wees niet vriendschappelijk gezind jegens den man, die een leugenaar of een oproerling is, maar straf hem streng. Darius, de koning, spreekt: Gij, die later deze tafel zult zien, die ik geschreven heb, of deze teekens, vernietigt ze niet, maar bewaart ze zoolang gij leeft, enz.”
Ten slotte blijft ons nog over te verhalen, dat Zopyrus, de zoon van Megabyzus, tot aan zijn dood de trouwste vriend van Darius bleef. Toen een hoveling den koning eens een granaatappel toonde en hem vroeg: »Welk geluk zoudt gij gaarne zoo veelvuldig bezitten als deze appel pitten bevat?” antwoordde Darius, zonder zich te bedenken: »Mijn Zopyrus!”
Deze wist de goedheid van zijn koninklijken vriend weerkeerig met vriendschap te vergelden. Toen Darius negen maanden lang vruchteloos Babylon had belegerd, dat zich na den dood van Cambyzes aan de Perzische heerschappij had ontworsteld, en reeds half en half besloten was het beleg op te breken, verscheen Zopyrus bloedende, zonder neus en ooren, voor den koning, en zeide, dat hij zichzelven dus verminkt had, om den Babyloniërs, die hem even goed kenden als hij hunne dochteren, wie hij zoo dikwerf het hof had gemaakt, eene poets te spelen. Hij zou de overmoedige bevolking diets maken, dat Darius hem alzoo had doen mishandelen, en hunne hulp inroepen om wraak te nemen op den koning. Zij zouden hem dan troepen verschaffen, waarmede hij, om zich het vertrouwen der burgers te verwerven, eenige gelukkige uitvallen zou doen. Dan zou hij de sleutels der stad in handen zien te krijgen, en voor zijne vrienden de Semiramis-poort openen. Deze op schertsenden toon uitgesproken woorden, en het verminkte gelaat van zijn vroeger zoo schoonen vriend, deden den koning zoozeer aan, dat hij tranen stortte. Maar toen de door geweld onneembare vesting voor de list van Zopyrus inderdaad bezweken was, riep hij: »Honderd Babels zou ik willen geven, als mijn Zopyrus zich niet zoo verminkt had!”—Daarop benoemde hij zijn vriend tot heer en meester van de reuzenstad, schonk hem al de inkomsten er van en vereerde hem jaarlijks de kostbaarste geschenken. In later tijd zeide hij meermalen, dat buiten Cyrus, met wien geen sterveling vergeleken kon worden, niemand ooit zulk eene edele daad had volbracht als Zopyrus.
Weinige vorsten hebben op zulke edele vrienden kunnen wijzen als Darius, daar weinigen als hij den plicht der dankbaarheid in beoefening wisten te brengen. Toen Syloson, de broeder van den vermoorden Polycrates, op zekeren dag te Susa kwam, en den koning er aan herinnerde, wat hij eens voor hem gedaan had, ontving Darius hem als zijn vriend, stelde schepen en soldaten te zijner beschikking, en hielp hem de Samiërs onder zijne heerschappij terug te brengen. De eilanders verweerden zich met den moed der wanhoop tegen de vreemde krijgsbenden van den nieuwen tyran, en erkenden, toen zij zich ten laatste overwonnen moesten verklaren, dat zij hunne onderwerping aan de vriendschap van Darius voor Syloson hadden te wijten.
Rhodopis beleefde nog, dat Hipparchus door Harmodius en Aristogiton vermoord werd en den val van zijn broeder Hippias, de tyrannen van Athene, en stierf eindelijk met vast vertrouwen op de hooge bestemming der Hellenen, in de armen van hare beste vrienden, Theopompus den Milesiër en Kallias den Athener. Geheel Naucratis beweende den dood dezer edele vrouw. Kallias zond een bode naar Susa, om den koning en Sappho bericht te geven van het afsterven zijner vriendin. Weinige maanden later ontving de satraap van Egypte den volgenden brief van de hand van Darius:
»Overmits wij de, onlangs te Naucratis gestorvene Helleensche vrouw Rhodopis gekend en gehoogacht hebben,—overmits hare kleindochter, als weduwe van een rechtmatigen kroonprins van het Perzische rijk, op den huidigen dag nog de eere eener koningin geniet,—overmits ik eindelijk de achterkleindochter der overledene, Parmys, de dochter van Bartja en Sappho, kortelings tot mijne derde echte gemalin heb verheven, schijnt het mij recht en billijk toe, dat wij het stoffelijke overschot van de grootmoeder van twee aanzienlijke vorstinnen koninklijke eere doen genieten. Daarom beveel ik u de assche van Rhodopis, die wij altijd voor de grootste en voortreffelijkste aller vrouwen hebben gehouden, in de grootste en prachtigste aller begraafplaatsen, namelijk in eene der pyramiden, met vorstelijken luister te doen bijzetten. In nevensgaande kostbare urn, die Sappho zelve zendt, moet de assche der overledene worden verzameld.
Gedaan in het nieuwe rijkspaleis te Persepolis,
Darius, zoon van Hystaspes, koning.

