Note 2 — Tiende hoofdstuk.
Hendrik Cornelis Rogge translation
Het leger moest zich marschvaardig maken. Aryandes, een Achaemenide, werd tot satraap over Egypte benoemd, en zonder verwijl braken de troepen naar Perzië op. Voortgezweept door het verlangen om wraak te nemen op den trouwloozen stadhouder, gunde de koning zich geene rust, en maakte den nacht tot dag. Maar plotseling werd hij in zijne dolle vaart gestuit. Zijn paard, waarvan hij in zijne onstuimige drift al te veel gevergd had, zeeg uitgeput neder, en onder het vallen had de ruiter het ongeluk zich met zijn eigen dolk te kwetsen2. Nadat hij dagen lang bewusteloos had neêrgelegen, sloeg hij de oogen op, en verlangde eerst Araspes, dan zijne moeder, en eindelijk Atossa te zien, ofschoon deze drie reeds voor maanden waren afgereisd. Uit al zijne woorden bleek, dat hij de laatste vier jaren, sedert het begin dier heftige koortsen, tot op het oogenblik zijner verwonding, als in een diepen slaap had verkeerd. Alles wat men hem uit dien tijd verhaalde, was hem geheel nieuw, en vervulde hem met groote smart. Alleen van den dood zijns broeders bleek hij kennis te dragen. Hij wist, dat Prexaspes dezen, op zijn bevel, vermoord en hem gezegd had, dat Bartja op den oever der Roode Zee begraven lag.—In den nacht die volgde op dit ontwaken, werd het hem zelven duidelijk, dat hij langen tijd volkomen krankzinnig moest geweest zijn. Tegen den morgen viel hij in een gerusten slaap, die hem zoo zeer versterkte, dat hij Cresus bij zich ontbieden kon. Hij gelastte dezen hem uitvoerig mede te deelen, wat hij in de laatste jaren gedaan had.