Note 4 — Tiende hoofdstuk.
Hendrik Cornelis Rogge translation
Na den dood van Cambyzes hielden de hoofden van de zeven Perzische stammen4 te zamen raad, en besloten zich vóor alle dingen zekerheid te verschaffen, omtrent den persoon van den overweldiger. Otanes zond heimelijk een getrouwen eunuch tot zijne dochter Phaedime, die, gelijk men wist, met den geheelen te Nisaea achtergebleven harem van Cambyzes, in het bezit van den nieuwen koning was gekomen. Alvorens de bode terugkeerde, was het grootste gedeelte van het leger verloopen, daar de soldaten met vreugde de gunstige gelegenheid aangrepen, om na eene veeljarige afwezigheid tot hunne haardsteden en betrekkingen terug te keeren. Eindelijk kwam de eunuch, die met smart verwacht werd, terug, aan Otanes de volgende boodschap brengende: »Phaedime was slechts een enkele maal door den nieuwen koning bezocht geworden; zij had echter van zijn slaap partij weten te trekken, om zich met groot gevaar te overtuigen, dat hem werkelijk beide ooren ontbraken. Maar ook zonder deze ontdekking had zij de zekerheid, dat de overweldiger, die inderdaad treffend op den vermoorde geleek, niemand anders was dan Gaumata, de broeder van Oropastes. Haar oude vriend Boges was wederom overste der eunuchen, en had haar in het geheim der magiërs ingewijd. De opperpriester had den vrouwendespoot als bedelaar in de straten van Suza ontmoet, en hem zijne oude bediening teruggegeven met de woorden: »Wel hebt gij uw leven verbeurd; maar ik heb behoefte aan menschen van uw slag.”—Ten slotte bad Phaedime haar vader alles in het werk te stellen, om den magiër, die haar met de grootste minachting bejegende, van den troon te stooten. Zij was, verzekerde ze, de ongelukkigste aller vrouwen.