Note 1 — Tiende hoofdstuk.
Hendrik Cornelis Rogge translation
De valsche Bartja had zijn broeder, den opperpriester, van wiens verstandelijke meerderheid hij zich volkomen bewust was, in alles gehoorzaamd. Hij had het paleis te Nisaea1, in de Medische vlakte, betrokken, zich de kroon op het hoofd gezet, den harem des konings voor den zijnen verklaard, en zich uit de verte aan het volk vertoond, dat in zijne trekken die van den vermoorde meende te herkennen. Later hield hij zich echter in het paleis verborgen, om eene mogelijke ontdekking van zijn geheim te voorkomen, en gaf zich, het voorbeeld van andere Aziatische vorsten volgende, geheel aan zijne lusten over, terwijl zijn broeder met vaste hand den schepter voerde, en alle gewichtige ambten en posten onder zijne vrienden en stamgenooten, de magiërs, verdeelde. Toen hij vasten grond onder de voeten meende te hebben, zond hij den eunuch Ixabates naar Egypte, met den last, om aan het leger de verandering in de regeering mede te deelen, en het tot afval van Cambyzes en tot het omhelzen van Bartja’s partij over te halen, welke laatste, gelijk wij weten, vooral door de soldaten afgodisch bemind werd.